Behandeling van vrouwen met acne met anti-androgenen

Onderzoek
J.J.E. van Everdingen
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1986;130:1999-1
Download PDF

Overmatige produktie van talg, de belangrijkste oorzaak van acne, staat onder invloed van het androgenenmetabolisme. Orale anticonceptiva kunnen door hun oestrogene overwicht het beloop van acne gunstig beïnvloeden.1 De anti-androgene werking van oestrogenen is dosisafhankelijk. Een 50 mg ethinylestradiol bevattende pil kan de talgsecretie met 40 doen afnemen, hetgeen gewoonlijk gepaard gaat met een klinische verbetering van de acne.2 Deze gunstige werking kan door de progestatieve (androgene) component te niet worden gedaan. Met de komst van anti-androgenen heeft men de beschikking gekregen over stoffen met een zeer gunstige invloed op acne. Het belangrijkste anti-androgeen, cyproteronacetaat, brengt in combinatie met een oestrogeen een reductie van de talgsecretie van ongeveer 75 teweeg en leek in klinisch onderzoek werkzaam bij ernstige vormen van acne.2 Dit is echter nooit bevestigd in een gerandomiseerd dubbelblind onderzoek. Miller et al. verrichtten onlangs een dergelijk onderzoek bij 90 vrouwen (16-36 jaar) met matige tot ernstige acne, verdeeld over drie groepen.3 Alle patiënten kregen hetzelfde oestrogeen: 50 mg ethinylestradiol. De patiënten in groep A kregen bovendien 50 mg cyproteronacetaat, in groep B 2 mg cyproteronacetaat (Diane) en in groep C 1 mg norethisteronacetaat (Minovlar), volgens de onderzoekers een progestativum met relatief weinig androgene werking (interessant in deze is de discussie die twee jaar geleden hierover in dit tijdschrift werd gevoerd45). De medicatie die de patiënten reeds gebruikten voor hun acne werd 6 weken tevoren gestaakt. De patiënten werden gedurende zes maanden iedere twee maanden gecontroleerd, waarbij de ernst van de acne werd gemeten aan de hand van een scorelijst en met foto's. Daarnaast werd de sebumexcretie gemeten en werd een telling verricht van kolonies van anaërobe en aërobe bacteriën die volgens een standaardmethode van het gelaat waren geïsoleerd.

In alle drie de groepen verminderde de acne. In de groepen die cyproteronacetaat kregen (groep A en B) was dit sneller en beter waarneembaar. De resultaten in groep A waren beter dan in groep B, maar deze verschillen waren statistisch niet significant. Ofschoon de talgexcretie bij de patiënten in groep A en B duidelijk afnam, was er geen verband met de klinische verbetering. Ook werd geen verband gevonden met een reductie van de bacteriële flora. De conclusie van Miller et al. dat cyproteronacetaat in combinatie met oestrogenen meer effect heeft op acne dan de standaard-anticonceptiva blijft daardoor een beetje in de lucht hangen.

Literatuur
  1. Meeren HLM van der, Hamerlynck JVThH, Hurk CMAM van den.Acne en orale anticonceptiva. NedTijdschr Geneeskd 1984; 128: 1333-7.

  2. Cunliffe WJ. Acne, hormones and treatment. Br Med J 1982;285: 912-3.

  3. Miller JA, Wojnarowska FT, Dowd PM, et al. Antiandrogentreatment in women with acne: a controlled trial. Br J Dermatol 1986; 114:705-16.

  4. Voorst Vader PC van, Lappöhn RE, Lunsen HW van. Acneen orale anticonceptiva. Ned TijdschrGeneeskd 1985; 129: 420-1;1061-2.

  5. Meeren HLM van der, Hamerlynck JVThH, Hurk CMAM van den.Acne en orale anticonceptiva. NedTijdschr Geneeskd 1985; 129: 421;1062.

Gerelateerde artikelen

Reacties