Artikel
Inleiding
Een serotoninesyndroom is niet meer een zeldzame aandoening, maar de individuele arts wordt niet vaak geconfronteerd met een potentieel levensbedreigend serotoninesyndroom. Aangezien een onbehandelde vorm snel letaal kan worden, zijn vroegtijdige herkenning en agressieve behandeling noodzakelijk. Deze casus illustreert het beloop, de klinische verschijnselen en de behandeling van het…




(Geen onderwerp)
’s-Hertogenbosch, juni 2006,
Collegae Zonneveld et al. wijzen er terecht op dat de combinatie van een serotonineheropnameremmer (SSRI) en een monoamineoxidaseremmer het serotoninesyndroom kan veroorzaken (2006:1081-4). De door hen beschreven patiënt gebruikte naast een monoamineoxidaseremmer ook risperidon, een atypisch antipsychoticum. Risperidon is een dopamine D2-receptorblokker en een serotonine 2A-receptorantagonist, en kan via zijn serotonine 2A-receptorantagonisteffect bij het serotoninesyndroom een rol spelen.1 In de literatuur zijn casussen beschreven waarbij door de combinatie van risperidon en een SSRI een serotoninesyndroom is opgetreden.2-4 In de beschreven casus kan de combinatie risperidon en venlafaxine een rol hebben gespeeld in de ontwikkeling van het serotoninesyndroom. Het is belangrijk oog te hebben voor het feit dat de combinatie van risperidon en een SSRI bij patiënten een verhoogde kans op het ontstaan van het serotoninesyndroom kan geven.
Nisijima K, Yoshino T, Ishiguro T. Risperidone counteracts lethality in an animal model of the serotonin syndrome. Psychopharmacology (Berl). 2000;150:9-14.
Karki SD, Masood GR. Combination risperidone and SSRI-induced serotonin syndrome. Ann Pharmacother. 2003;37:388-91.
Hamilton S, Malone K. Serotonin syndrome during treatment with paroxetine and risperidone. J Clin Psychopharmacol. 2000;20:103-5.
Alvarez-Perez FJ, Toca M, Martorell E, Espino AM, Uson MM, et al. Serotonin syndrome: report of two cases and review of the literature. Rev Neurol. 2005;40:159-62.
(Geen onderwerp)
Nijmegen, juni 2006,
Collega’s Güzelcan en Kleinpenning poneren een onjuiste stelling en brengen de lezer in verwarring door een onzorgvuldige analyse van de door hen geciteerde literatuur. Risperidon heeft door een antagonistisch effect op de 5-hydroxytryptamine(HT) 2A-receptor theoretisch een beschermend effect tegen het optreden van een serotoninesyndroom. Als Güzelcan en Kleinpenning het geciteerde artikel van Nisijima et al. hadden gelezen, hadden zij geweten dat risperidon in dierexperimenteel onderzoek de mortaliteit van een serotoninesyndroom reduceert. Inderdaad worden middelen met 5HT2A-antagonisme gebruikt in de behandeling van het serotoninesyndroom, zoals wij ook hebben beschreven. De stelling dat risperidon de kans op een serotoninesyndroom vergroot, heeft dan ook geen enkele neurofarmacologische basis. Güzelcan en Kleinpenning zijn wellicht in verwarring gebracht door de casusbeschrijvingen waaraan zij refereren, waarbij in de titel wordt gesuggereerd dat de combinatie risperidon en SSRI kan leiden tot een serotoninesyndroom. Het beschreven ziektebeeld in deze casuïstiek is echter zeer waarschijnlijk niet een serotoninesyndroom geweest, maar een maligne neurolepticumsyndroom, veroorzaakt via het blokkerend effect van risperidon op de dopamine D2-receptor. Deze artikelen zijn vanwege deze onjuiste interpretatie dan ook bekritiseerd in ingezonden correspondentie.