Trends in de volksgezondheid van 2000 tot 2030

Langer leven, meer ziekte, minder beperkingen

Perspectief
Nancy Hoeymans
Maartje M. Harbers
Henk B.M. Hilderink
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2014;158:A7819
Abstract
Download PDF

Dit artikel maakt deel uit van een serie artikelen in het NTvG over public health.

Samenvatting

De Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2014 beschrijft de huidige stand van de volksgezondheid en trends in verleden en toekomst. De toekomsttrends bestaan uit een trendscenario en 4 toekomstscenario’s. Het trendscenario geeft projecties tot 2030, gebaseerd op de trends in de afgelopen decennia, uitgaande van gelijkblijvend beleid. Er lijkt een eind te komen aan de jarenlange ongunstige ontwikkeling in leefstijl: het percentage rokers daalt en het percentage mensen met overgewicht stijgt niet langer. De levensverwachting zal verder toenemen, maar de verschillen tussen sociaal-economische groepen zullen daarbij niet kleiner worden. Door vergrijzing en verbeterde zorg zal het aantal chronisch zieken toenemen van 5,3 miljoen in 2011 naar 7 miljoen in 2030. Het grootste deel van de mensen met een chronische ziekte voelt zich echter gezond, heeft geen beperkingen en participeert in de maatschappij. De zorguitgaven namen toe van 9,5% van het bruto binnenlands product (BBP) in 2000 naar 14% in 2012. Het is onzeker hoe hard de zorguitgaven in de toekomst zullen stijgen.

artikel

Dit artikel is het tweede in een reeks van drie artikelen over de Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2014 (VTV-2014).1 In de VTV-2014 verkennen we als Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) de toekomst van de volksgezondheid en zorg in Nederland. Dit doen we aan de hand van 1 trendscenario – waarin we uitgaan van gelijkblijvend beleid – en 4 toekomstscenario’s die zijn gebaseerd op verschillende perspectieven op de volksgezondheid.

In dit artikel beschrijven we de belangrijkste trends in de afgelopen 10 tot 15 jaar in levensverwachting, ziekten, beperkingen en zorguitgaven en de verwachte ontwikkeling tot 2030. De focus ligt op de toename in het aantal chronisch zieken en de betekenis daarvan. De informatie is afkomstig uit vele bronnen, zoals zorgregistraties en de Gezondheidsmonitor van de GGD’en, CBS en RIVM. De toekomstprojecties zijn gebaseerd op demografische prognoses, extrapolatie van de epidemiologische trends en op modellering van risicofactoren, ziekten en zorguitgaven, aangevuld met literatuur en expertoordelen. De meeste informatie betreft gemiddelden voor de hele bevolking, waarbij we in een enkel geval ingaan op specifieke leeftijdsgroepen of sociaal-economische groepen. Voor een totaaloverzicht van alle trends, inclusief bronnen en methoden, verwijzen we naar de onderliggende informatie in de VTV-2014 (www.eengezondernederland.nl).

Levensverwachting stijgt

In 2012 was de gemiddelde levensverwachting bij geboorte in Nederland 83 jaar voor vrouwen en 79 jaar voor mannen.2 De levensverwachting van de Nederlandse man behoort daarmee tot de hoogste in de Europese Unie; die van de Nederlandse vrouw ligt rond het gemiddelde.3 De levensverwachting in Nederland is de laatste 10 jaar sterk gestegen, met ongeveer 3 jaar (elke week een weekend erbij).2 De levensverwachting is voor laagopgeleiden 6 jaar korter dan voor hoogopgeleiden.4 Deze sociaal-economische gezondheidsverschillen zijn de laatste 15 jaar niet groter of kleiner geworden. Wel is de omvang van de groepen veranderd. Zo is het percentage hoogopgeleiden toegenomen van 22% in 1996 naar 32% in 2011.

Volgens de recentste prognose van het CBS zal de levensverwachting tussen 2013 en 2030 verder toenemen, zij het minder hard dan in de afgelopen 10 jaar. Mannen krijgen er nog ruim 3 jaar bij, vrouwen 2 jaar.5 Mogelijk wordt het verschil tussen hoog- en laagopgeleiden groter. Toenemende werkloosheid en andere effecten van de recente economische recessie zijn nu pas echt merkbaar; zij treffen vooral kwetsbare groepen, zoals mensen met een lage opleiding.6 Hoe de trend in sociaal-economische gezondheidsverschillen zal doorzetten op de langere termijn is onzeker.

Verbeteringen in preventie en zorg

Een groot deel van de toename in levensverwachting in de periode 2000-2012 is toe te schrijven aan een sterke daling van de sterfte aan coronaire hartziekten en beroerte. Dit was voor een belangrijk deel het gevolg van een toename van het gebruik en de kwaliteit van zorg. Zo is in westerse landen naar schatting ruim 40% van de daling aan de sterfte aan coronaire hartziekten in de afgelopen decennia toe te schrijven aan betere mogelijkheden voor behandeling.7 Verbeterde behandeling heeft ook bijgedragen aan een verbeterde overleving bij andere ziekten, zoals sommige vormen van kanker.

Ook preventie heeft bijgedragen aan de toename van de levensverwachting, onder andere door antirookmaatregelen, toenemend gebruik van bloeddruk- en cholesterolverlagende middelen en verbeteringen in de verkeersveiligheid.8 Naast preventie en zorg is ook de toename van het opleidingsniveau van invloed geweest op de stijging van de levensverwachting. In het trendscenario zien we tot 2030 een verdere afname van de sterfte aan hart- en vaatzieken en sommige vormen van kanker. Een toename zien we in het aantal mensen dat zal overlijden aan dementie of aan de gevolgen van een val.

Aantal mensen met een ziekte neemt toe

De zorg heeft ook bijgedragen aan de stijging van de prevalentie van bepaalde aandoeningen. Zo worden sommige ziekten, zoals diabetes mellitus, in een eerder stadium opgespoord. Ook kunnen veel ziekten beter worden behandeld waardoor mensen met die ziekte langer leven. Mede daardoor is het aantal mensen met diabetes mellitus gestegen van 0,4 miljoen in 2000 tot 0,8 miljoen in 2011. In het trendscenario stijgt de prevalentie tot 1,2 miljoen in 2030 (figuur 1).

Ook het aantal mensen met artrose en gehoorstoornissen zal tot boven het miljoen stijgen. Dit zijn aandoeningen die vooral bij ouderen voorkomen en door de vergrijzing van de bevolking sterk zullen toenemen. In 2030 zullen, net als nu, ongeveer 0,8 miljoen mensen een stemmingsstoornis hebben. In totaal verwachten we dat het aantal mensen dat bij de huisarts bekend is met 1 of meer specifieke diagnoses, zal stijgen van 5,3 miljoen in 2011 naar 7 miljoen in 2030, waarbij ook het aantal mensen met 2 of meer chronische ziekten (multimorbiditeit) zal toenemen.9,10 Voor een deel is dit een effect van groei en vergrijzing van de bevolking, maar ook in de verschillende leeftijdsgroepen neemt dit percentage toe. Naast de vergrijzing en de veranderingen in de zorg zijn ook veranderingen in leefstijlfactoren en overgewicht medebepalend voor het aantal mensen met een ziekte in de toekomst.

Meeste ziektelast door hartziekten, diabetes en beroerte

De meest voorkomende ziekten hoeven niet de ziekten te zijn die de meeste ziektelast in de bevolking veroorzaken. De ziektelast is niet alleen hoog als de ziekte vaak voorkomt, maar ook als deze lang duurt, relatief ernstig is of veel vroegtijdige sterfte veroorzaakt. Coronaire hartziekten zorgden in 2011 voor de meeste ziektelast, gevolgd door diabetes mellitus, beroerte, angststoornissen, COPD, longkanker, stemmingsstoornissen en nek- en rugklachten.

Determinanten van de ziektelast

Ruim 13% van de ziektelast is toe te schrijven aan roken, vooral door het verhoogde risico op verschillende vormen van kanker, COPD en hartzieken (figuur 2). Roken is daarmee verreweg de belangrijkste oorzaak van ziekte en sterfte, gevolgd door overgewicht en lichamelijke inactiviteit. Het percentage volwassen rokers daalt al lange tijd en zal volgens het trendscenario verder dalen, van 23% in 2012 naar 19% in 2030. Voor de meeste andere leefstijlfactoren verwachten we, bij gelijkblijvend beleid, geen grote veranderingen. Daarmee lijkt een eind gekomen aan de jarenlange ongunstige ontwikkelingen in de leefstijl in Nederland. Het percentage volwassenen met overgewicht zal onverminderd hoog blijven (48%).

Mogelijk zijn de ontwikkelingen in specifieke groepen minder gunstig. Zo is het verschil in het percentage rokers tussen hoog- en laagopgeleiden toegenomen. Ook onder jongeren zijn niet alle trends gunstig. Weliswaar zijn jongeren minder gaan roken en drinken, maar het aantal jongeren dat extreem veel drinkt is onverminderd hoog.11,12 Gezondheid wordt niet alleen door leefstijl beïnvloed, maar ook door de fysieke en sociale omgeving en maatschappelijke factoren. Arbeidsomstandigheden en milieufactoren zijn elk verantwoordelijk voor zo’n 5 tot 6% van de totale ziektelast in Nederland.13 De bijdrage van de sociale omgeving en maatschappelijke factoren loopt deels via de leefstijl. Het precieze effect kunnen we niet kwantificeren.

Beperkingen, maatschappelijke participatie en eigen regie

Ruim twee derde (68%) van de 20-65-jarigen met een zelfgerapporteerde chronische aandoening werkt 12 uur of meer per week, tegenover 80% van de leeftijdgenoten zonder ziekte (figuur 3). Een chronische ziekte is echter vooral belemmerend voor participatie als er ook sprake is van beperkingen (16% van de mensen met een ziekte; 40% werkt) of een minder goede ervaren gezondheid (31% van de mensen met een ziekte; 49% werkt). Twee derde van de 20-65-jarigen met een chronische ziekte (64%) heeft echter geen beperkingen en beoordeelt de eigen gezondheid als goed. Van deze groep heeft 77% betaald werk, vrijwel eenzelfde percentage als bij de niet chronisch zieken. Voor arbeidsparticipatie is dus niet zozeer de diagnose bepalend, maar de beperkingen en de gezondheidsbeleving.14

De stijging van het aantal chronisch zieken heeft de afgelopen jaren dan ook niet geleid tot een duidelijke daling van de arbeidsparticipatie. Deze is voor 55-65-jarigen zelfs sterk toegenomen, mede dankzij de afbouw van mogelijkheden voor vervroegd pensioen. De gemiddelde pensioenleeftijd nam toe van 61 jaar in 2007 tot 64 jaar in 2012. Ook participatie in school, vrijwilligerswerk en mantelzorg is niet gedaald en soms gestegen. Mogelijk komt deze stijging mede omdat onder de 55-65-jarigen het percentage mensen met beperkingen is afgenomen van 16% in 2000 tot 15% in 2011. In het trendscenario neemt dit percentage verder af tot 12% in 2030. Ook voor de totale volwassen bevolking neemt het gestandaardiseerde percentage personen met beperkingen af. Daarmee ervaren mensen in de toekomst mogelijk minder gezondheidsbelemmeringen voor participatie, al zijn dan nog steeds vooral de economie en de arbeidsmarkt bepalend.

Als het gaat om gezondheid ligt de nadruk steeds minder op ziekte en meer op de vraag hoe iemand met eventuele gezondheidsproblemen kan omgaan, en hoe hij of zij daarbij een eigen regie kan blijven voeren.15 Er zijn echter ook kwetsbare groepen in de samenleving die de vaardigheden om zelf regie te voeren niet hebben, zoals laagopgeleiden en kwetsbare ouderen.16 Zo heeft 29% van de Nederlanders weinig gezondheidsvaardigheden.17

Zorguitgaven nemen toe

In 2012 gaven we per hoofd van de bevolking bijna 5000 euro uit aan de gezondheidszorg, in totaal 83,4 miljard euro (berekend volgens de CPB-definitie van zorguitgaven). Aan de sectoren ziekenhuiszorg en ouderenzorg werd het meeste uitgegeven. Ongeveer 2,5% van de totale zorguitgaven werd besteed aan preventie in de zorg. De ziekten met de hoogste totale uitgaven zijn verstandelijke handicap en dementie.

In de periode tussen 2003 en 2011 zijn de totale zorguitgaven jaarlijks met 4 tot 5% toegenomen, waarbij de stijging in de laatste jaren overigens minder groot was. De zorguitgaven als percentage van het bruto binnenlands product (BBP) stegen tussen 2000 en 2012 van 9,5 naar 14%. Wanneer deze trend doorzet nemen de uitgaven aan zorg toe tot ongeveer 150 miljard euro, ofwel 19% van het BBP, in 2030. Recente maatregelen in de curatieve zorg en langdurige zorg zouden kunnen leiden tot een kleinere groei, waarbij we in 2018 maximaal 10 miljard euro minder uitgeven dan volgens de trendmatige groei. Over de precieze langetermijneffecten op de zorguitgaven ontstaat de komende jaren meer duidelijkheid. Dan zal ook duidelijk worden wat de effecten zijn op gezondheid en participatie.

Beschouwing

Een aantal langjarige trends, zoals de stijging in de levensverwachting en in het aantal chronisch zieken, lijkt relatief robuust te zijn. Daarnaast voorzien we ook enkele trendbreuken. Zo nemen de sociaal-economische verschillen mogelijk toe in de komende jaren. Daarnaast zijn enkele negatieve trends in leefstijl de laatste jaren gestabiliseerd; of deze stabilisatie zich voortzet is nog de vraag. Van alle trends is vooral de toekomstige ontwikkeling van de zorguitgaven onzeker.

Een intrigerende uitkomst is dat er steeds meer chronisch zieken komen, die mede dankzij goede zorg langer leven, zich vaak gezond voelen en lang niet altijd beperkingen hebben. En wanneer ze geen beperkingen hebben en zich gezond voelen doen ze in maatschappelijke participatie niet onder voor mensen zonder ziekte. Voor de toekomst lijkt daarmee een diagnose een steeds minder onderscheidend criterium voor beperkingen en maatschappelijke participatie.

De vraag is vervolgens wat deze trends betekenen voor het volksgezondheidsbeleid. Welk beleid moet ingezet worden om de belangrijkste ongunstige trends in gezondheid en zorg om te buigen? Het antwoord op deze vraag is niet alleen afhankelijk van de informatie over trends zoals we die in dit artikel beschrijven, maar ook van visies op de meest wenselijke toekomst. In het eerste artikel over de VTV-2014 zijn in dat verband 4 normatieve perspectieven op de toekomst van de volksgezondheid geschetst.1 In het derde en laatste artikel zullen we de belangrijkste conclusies en aanbevelingen beschrijven, op grond van het trendscenario én de perspectieven.

Literatuur
  1. Schoemaker C, van Loon J, Hoeymans N. Een trendscenario en vier perspectieven voor 2040. De Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2014. Ned Tijdschr Geneeskd. 2014;158:A7477 Medline.

  2. CBS. Statline, 2014: levensverwachting 2002 en 2012. http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/?DM=SLNL&PA=37360ned&D1=3&D2=a&D3=0&D4=50,52,l&HDR=G1,T&STB=G2,G3&VW=T, geraadpleegd op 4 juni 2014.

  3. Eurostat Eurobase (2014), http://epp.eurostat.ec.europa.eu/tgm/table.do?tab=table&init=1&plugin=1&language=en&pcode=tps00025, geraadpleegd op 5 juni 2014

  4. CBS. Statline, 2013: levensverwachting naar opleidingsniveau, 2012. http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/?DM=SLNL&PA=71885ned&D1=0&D2=a&D3=0&D4=a&D5=0&D6=l&HDR=T,G3&STB=G2,G1,G4,G5&VW=T, geraadpleegd op 4 juni 2014.

  5. CBS. Statline, 2014: levensverwachting 2012 en 2030. http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/?DM=SLNL&PA=81630ned&D1=3&D2=a&D3=0&D4=0,18&HDR=T&STB=G1,G2,G3&VW=T, geraadpleegd op 4 juni 2014.

  6. Bijl R, Boelhouwer J, Pommer E, Sonck N (red.). De sociale staat van Nederland 2013. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau; 2013.

  7. Nolte E, Bain C, Mckee M. Population health. In: Smith PC, Mossialos E, Papanicolas I, Leatherman S. Performance measurement of health system improvement. Experiences, challenges and prospects. Part 2 Dimensions of performance. Cambridge: Cambridge University Press; 2009.

  8. Mackenbach JP (eindred). Successen van preventie 1970-2010. Rotterdam: Erasmus Publishing; 2011.

  9. Hoeymans N, Gijsen R, Slobbe LCJ. 59 belangrijke volksgezondheidsproblemen. Ned Tijdschr Geneeskd. 2013;157:A5994 Medline.

  10. O’Halloran J, Miller GC, Britt H. Defining chronic conditions for primary care with ICPC-2. Fam Pract. 2004;21:381-6 Medline. doi:10.1093/fampra/cmh407

  11. Hamberg-van Reenen HH, Meijer SA, van Gils PF, Savelkoul M. Gezond opgroeien. Verkenning jeugdgezondheid. RIVM rapportnr. 270752001/2014. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu; 2014.

  12. Van Laar MW, Cruts AAN, van Ooyen-Houben MMJ, et al. Nationale Drug Monitor Jaarbericht 2012. Utrecht: Trimbos-Instituut; 2013.

  13. Hänninen O, Knol A. European perspectives on environmental burden of disease. Estimates for nine stressors in six European countries. Helsinki: National Institute for Health and Welfare (THL); 2011.

  14. Harbers MM, Hoeymans N. Gezondheid en maatschappelijke participatie. Themarapport Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2014. RIVM rapportnr. 010003001/2013. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu; 2013.

  15. Huber M, Knottnerus JA, Green L, et al. How should we define health? BMJ. 2011;343:d4163 Medline. doi:10.1136/bmj.d4163

  16. Kooiker S, Hoeymans N. Burgers en gezondheid. Themarapport Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2014. RIVM rapportnr. 010003005/2014. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu; 2014.

  17. HLS-EU Consortium. Comparative report of health literacy in eight EU member states. The European Health Literacy Survey EU (HLS-EU); 2012. Epub: http://ec.europa.eu/eahc/news/news162.html, geraadpleegd op 4 juni 2014.

Auteursinformatie

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Centrum Gezondheid en Maatschappij, Bilthoven.

Dr. N. Hoeymans, epidemioloog; ir. M.M. Harbers, voedingskundige; dr. H.B.M. Hilderink, demograaf en wiskundige.

Contact dr. N. Hoeymans (nancy.hoeymans@rivm.nl)

Belangenverstrengeling

Belangenconflict en financiële ondersteuning: geen gemeld.

Verantwoording

Peter Achterberg, Matthijs van den Berg, Geert Jan Kommer, Jeanne van Loon, Marjanne in ’t Panhuis-Plasmans en Casper Schoemaker (allen RIVM, Bilthoven) hebben bijdragen aan dit artikel over de VTV geleverd.

Auteur Belangenverstrengeling
Nancy Hoeymans ICMJE-formulier
Maartje M. Harbers ICMJE-formulier
Henk B.M. Hilderink ICMJE-formulier
Dit artikel is gepubliceerd in het dossier
Public Health

Gerelateerde artikelen

Reacties