Inzage in het medisch dossier na overlijden van de patiënt: uitgangspunten en actuele ontwikkelingen in de rechtspraak

Perspectief
M.C. Ploem
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1999;143:1826-9
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Ook na de dood dienen patiëntengegevens vertrouwelijk behandeld te worden; de hulpverlener blijft gebonden aan zijn zwijgplicht en dient zich zo nodig op zijn verschoningsrecht te beroepen. Dit neemt niet weg dat het onder omstandigheden - voor bijvoorbeeld nabestaanden - mogelijk moet zijn om over gegevens van overledenen te beschikken. Voor inzage in het medisch dossier na overlijden van de patiënt gelden op grond van de rechtspraak de volgende uitgangspunten.

Inzage in medische gegevens van een overleden patiënt is - buiten de algemene uitzonderingen op het medisch beroepsgeheim - gerechtvaardigd indien de toestemming van de betrokkene gereconstrueerd kan worden, of (indien dat laatste problematisch is) daarmee zulke zwaarwegende belangen van derden gediend worden dat het beroepsgeheim hiervoor mag wijken. De nabestaanden hebben geen zelfstandig inzagerecht met betrekking tot het medisch dossier van de overledene, en zij kunnen anderen (zoals de advocaat van het ziekenhuis) dan ook niet tot inzage in desbetreffend patiëntendossier machtigen. Ten aanzien van de ex-mentor lijkt de traditionele opvatting terzake van de bescherming van patiëntengegevens na overlijden verlaten. De hulpverlener zal deze ex-vertegenwoordiger althans op korte termijn na overlijden inzage moeten verschaffen, tenzij aannemelijk kan worden gemaakt dat inzage in strijd met de wil van de overledene zou zijn.

In hoeverre kunnen nabestaanden inzage hebben in het medisch dossier van een overleden partner of familielid? Kunnen nabestaanden anderen tot inzage machtigen? Dergelijke vragen houden verband met de vertrouwelijkheid van patiëntengegevens na overlijden - een onderwerp waaraan al eerder in dit tijdschrift aandacht werd besteed.1 Toentertijd was een eveneens in dit tijdschrift verschenen publicatie over het medisch dossier van Theo van Gogh aanleiding om vanuit de rechtswetenschap op dit onderwerp in te gaan. Thans zijn er ontwikkelingen in de rechtspraak die opnieuw aandacht voor dit thema rechtvaardigen.

In dit artikel geef ik eerst aan welke uitgangspunten in verband met het beroepsgeheim na overlijden algemeen aanvaard zijn. Vervolgens ga ik aan de hand van enkele recente rechterlijke uitspraken in op de vraag of gelet op die (recente) rechtspraak de gangbare opvattingen terzake van de vertrouwelijkheid van medische gegevens na overlijden bijgesteld of genuanceerd moeten worden.

bescherming van medische gegevens na de dood: uitgangspunten

In het verleden is de betekenis van het medisch beroepsgeheim na de dood incidenteel in de rechtspraak aan de orde geweest. Uit de betreffende uitspraken blijkt dat gegevens die voortkomen uit de hulpverlening na overlijden van de patiënt in principe een vertrouwelijk karakter blijven houden; de arts zal zich - zo nodig - ook in deze situatie tegenover de rechter op zijn verschoningsrecht moeten beroepen. Dit is overigens geen nieuw uitgangspunt, maar een reeds lang in geneeskunde en recht verankerde opvatting, zo blijkt (onder andere) uit het historische onderzoek van Hazewinkel-Suringa over het beroepsgeheim.2 Dat ook na de dood van een patiënt groot belang wordt gehecht aan een vertrouwelijke behandeling van zijn of haar gegevens, dient bovenal een algemeen belang, te weten dat mensen zich zo min mogelijk belemmerd voelen bij het inroepen van medische hulp. Voorkomen moet worden dat patiënten uit vrees voor openbaarmaking van hun medische gegevens na de dood geen hulp zoeken, of bepaalde informatie achterhouden. Daarnaast zijn er uiteraard ook individuele privacybelangen in het geding; men denke daarbij niet alleen aan de overledene zelf, maar tevens aan diens nabestaanden.

Grenzen aan de vertrouwelijkheid

Uit vroegere rechtspraak en literatuur kan eveneens worden opgemaakt dat aan de vertrouwelijkheid van patiëntengegevens na overlijden grenzen zijn gesteld. Het betreft hier om te beginnen de gronden die in het algemeen (dus ook bij leven) doorbreking van het medisch beroepsgeheim rechtvaardigen. Zo is de hulpverlener gerechtigd zijn zwijgplicht te doorbreken in geval van een wettelijk voorschrift (zoals opgenomen in de Wet op de Lijkbezorging), toestemming van de geheimgerechtigde (dan wel instemming van de patiënt bij leven met het verstrekken van bepaalde gegevens aan derden na overlijden) of wanneer sprake is van een conflict van plichten dan wel overmacht.

In de situatie na overlijden van de geheimgerechtigde wordt bovendien aanvaard dat aan derden (tot deze categorie behoren ook nabestaanden) inzage kan worden verleend wanneer aannemelijk is dat de overledene voor het prijsgeven van bepaalde gegevens toestemming zou hebben gegeven of daartegen geen bezwaar zou hebben gehad; men spreekt in dit geval van veronderstelde toestemming van de overledene. Deze specifieke uitzonderingsgrond vindt men tevens terug in de KNMG-richtlijnen inzake het omgaan met medische gegevens (1996): ‘Inzage in medische gegevens van een overledene kan worden verleend wanneer de arts van mening is dat de overledene bij leven hiertegen geen bezwaar zou hebben gehad (. . .)’.

Van een situatie waarin de toestemming van de overledene kan worden verondersteld, zijn uiteenlopende voorbeelden te geven. In de literatuur wordt veelal gerefereerd aan situaties waarin de belangen van nabestaanden in het geding zijn.34 Zo kan het gaan om uitkering van een levensverzekering of het kunnen instellen van een schadevergoedingsactie bij vermoeden dat de patiënt aan een kunstfout is overleden. Ook kunnen nabestaanden omwille van gezondheidsbelangen, zoals de vaststelling van genetische risico's, met inzage in het medisch dossier van een overleden familielid gediend zijn. Behalve nabestaanden kunnen tevens andere derden, zoals levensverzekeraars of ziekenhuizen (na indiening van een klacht of een schadeclaim) belang hebben bij inzage in het medisch dossier van een overledene. Een dergelijk verzoek kan verder nog uitgaan van wetenschappelijk onderzoekers, wanneer voor het uitvoeren van een onderzoek gegevens van overleden patiënten noodzakelijk zijn. In dat laatste geval kan overigens niet de constructie van veronderstelde toestemming worden toegepast, maar zal een beroep moeten worden gedaan op de specifiek op deze situatie toegesneden bepaling in de Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO), te weten artikel 7:458, lid 1 sub a Burgerlijk Wetboek.

Tenslotte kan er nog op worden gewezen dat het reconstrueren van de wil van de overledene problematisch kan zijn. Dit illustreert de zogenaamde Valkenhorst-I-zaak, waarin door eiseres inzage werd gevorderd in dossiers en archiefstukken van een vrouw (meer dan 40 jaar voordien overleden en vermoedelijk de moeder van eiseres) teneinde haar biologische herkomst te kunnen achterhalen.5 Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch verklaart in deze zaak dat het niet (goed) heeft kunnen beoordelen of de overledene nog op handhaving van haar privacy prijs zou hebben gesteld. Vervolgens gaat het hof over tot een afweging van belangen, waarbij de uiteindelijke conclusie luidt dat het privacybelang van de moeder weliswaar niet geheel uit het zicht verdwenen is, maar dat het in casu dient te wijken voor het belang van eiseres dat is gemoeid met inzage in haar afstammingsgegevens.

De Valkenhorst-I-zaak is ook in een ander opzicht van belang. Uit dit arrest kan namelijk worden afgeleid dat het lange tijdsverloop sinds overlijden van de geheimgerechtigde een rol speelt bij de uitoefening van diens recht op privacy. Dit betekent niet dat het medisch beroepsgeheim na verloop van tijd als opgeheven kan worden beschouwd, maar wel dat het gewicht van het privacybelang van de overledene afneemt naarmate de tijd verstrijkt.1

recente jurisprudentie (1997-1998)

In de afgelopen jaren is de omgang met medische gegevens na overlijden in een relatief groot aantal rechtszaken aan de orde geweest. Brengt die recente rechtspraak met zich dat de zojuist geschetste uitgangspunten terzake van de vertrouwelijkheid van medische gegevens na overlijden moeten worden bijgesteld of genuanceerd?

In twee rechtszaken wordt de vraag opgeworpen of nabestaanden anderen namens de patiënt kunnen machtigen tot inzage.67 Terwijl de gangbare opvatting luidt dat wanneer het zulke persoonlijke zaken betreft als het kunnen beschikken over medische gegevens, de erfgenamen niet in de plaats kunnen treden van de overledene, lijken onderhavige uitspraken in een andere richting te wijzen. De rechter stelde zich namelijk niet afwijzend op ten aanzien van de veronderstelling dat de nabestaanden na de dood van een familielid zeggenschap krijgen over diens medisch dossier. Het komt mij echter voor dat het hier eerder gaat om een ongelukkige motivering van de rechter dan om een aanwijzing dat de traditionele opvatting verlaten zou zijn.8 Ook de regering heeft recentelijk (in een nota naar aanleiding van het eindverslag met betrekking tot het voorstel van Wet Bescherming Persoonsgegevens) nog aangegeven dat de rechten van de betrokkene ten aanzien van diens (medische) gegevens niet kunnen worden gezien als een vermogensbestanddeel dat deel zou kunnen uitmaken van een nagelaten boedel.9

De traditionele opvatting kan daarmee in de praktijk nog steeds problemen oproepen, bijvoorbeeld wanneer nabestaanden wegens een vermeende kunstfout een schadevergoedingsprocedure tegen het ziekenhuis starten. Dan kan zich de situatie voordoen dat de nabestaanden wel (op grond van veronderstelde toestemming), maar de advocaat of de verzekeraar van het ziekenhuis geen toegang tot bepaalde informatie kunnen krijgen. Aan dergelijke problemen kan evenwel ook op andere wijze tegemoet worden gekomen, bijvoorbeeld door aan een weigering van de nabestaanden om informatie, waarover zij reeds - op basis van veronderstelde toestemming - beschikken, aan het ziekenhuis te verstrekken de consequentie van niet-ontvankelijkheid te verbinden.7

In een andere rechtszaak ging het om de vraag of een nabestaande zonder meer toegang heeft tot de gegevens van een overledene indien hij de positie van ex-mentor bekleedt. (Het mentorschap kan worden ingesteld indien de betrokken patiënt niet in staat is zijn belangen op het gebied van zijn verzorging, verpleging en dergelijke adequaat te behartigen.) In deze zaak wilde een vader (de ex-mentor) nagaan of zijn dochter (de onder mentorschap gestelde) door onzorgvuldig handelen van de hulpverlener was overleden.10 De president van de rechtbank te Haarlem beantwoordt deze vraag ontkennend: de ex-mentor neemt wat betreft de toegang tot de gegevens van de overledene te midden van de overige nabestaanden geen bijzondere positie in. In hoger beroep echter luidt het oordeel van het gerechtshof te Amsterdam anders. Het hof stelt dat de ex-mentor - in het verlengde van de door hem bij leven van de betrokkene uitgeoefende belangenbehartiging - in beginsel de gelegenheid dient te hebben te beoordelen of de betrokkene ten gevolge van een toerekenbare tekortkoming van de hulpverlener is overleden, opdat hij zo nodig rechtsmaatregelen kan nemen tegen die hulpverlener. Ook moet de ex-mentor kunnen nagaan of hij het overlijden had kunnen voorkomen door als mentor in te grijpen. Het hof redeneert vervolgens dat de ex-mentor vanwege die taakstelling in principe een inzagerecht toekomt. Alleen indien de hulpverlener aannemelijk kan maken dat de overledene bezwaar zou hebben gehad tegen inzage door de ex-mentor, kan de toegang tot het medisch dossier van de onder mentorschap gestelde worden geweigerd. Kortom, ten aanzien van de ex-mentor geldt, aldus het hof, niet de heersende opvatting, volgens welke nabestaanden slechts in bepaalde omstandigheden toegang hebben tot de medische gegevens van de overledene, maar wordt het inzagerecht voorop gesteld.

Gevers heeft bij deze uitspraak kanttekeningen geplaatst.10 Zo kan men zich afvragen of deze benadering wel voldoende ruimte laat voor het weigeren van inzage als de omstandigheden daar aanleiding toe geven. Daarnaast valt niet goed in te zien waarom dan niet ook andere (onder wie niet door de rechter aangewezen) vertegenwoordigers in principe aanspraak zouden kunnen maken op een inzagerecht na het overlijden van de betrokkene.

Tenslotte wordt in drie andere kwesties de vraag opgeroepen of in de situatie dat toestemming van de overledene zich niet of nauwelijks laat veronderstellen, een vordering tot inzage in het dossier van een overledene nog op een andere rechtsgrond kan worden gebaseerd.11-13 Het betreft hier steeds erfrechtkwesties, waarin door de nabestaanden inzage in het medisch dossier van een overleden partner of familielid wordt gevorderd teneinde te kunnen aantonen dat de overledene op het moment van het opstellen of wijzigen van zijn of haar testament niet (meer) bekwaam was om zijn of haar wil te bepalen. De rechter beantwoordt onderhavige vraag bevestigend: onder de voorwaarde dat voor twijfels rond de verstandelijke vermogens van de overledene ten tijde van het verlijden van het testament gegronde redenen bestaan, kan inzage gerechtvaardigd zijn. Wel stelt de rechter zich hier om begrijpelijke redenen zeer terughoudend op: in geen van de gevallen wordt het belang van de erven zo zwaarwegend geacht dat het mag prevaleren boven het belang van geheimhouding. Daarbij wijst de rechter expliciet erop dat ook andere, minder op de privacy ingrijpende middelen bestaan om de wilsbekwaamheid van de overledene te bepalen, zoals het oproepen van getuigen die bij het opstellen of het wijzigen van het testament aanwezig zijn geweest (men denke aan de notaris en andere aanwezigen).

beschouwing

De grenzen van het medisch beroepsgeheim na overlijden zijn in de afgelopen vijf jaar niet wezenlijk anders komen te liggen. Wel illustreren recente rechterlijke uitspraken dat naast de veronderstelde toestemming van de overledene ook de zwaarte van het belang van degene die inzage in of afgifte van gegevens van een overleden patiënt vordert een zelfstandige rechtsgrond kan opleveren voor doorbreking van het geheim na de dood. Op dit punt noopt de rechtspraak tot aanvulling of nuancering van de rechtsleer en de in dit artikel geciteerde KNMG-richtlijn terzake van het medisch beroepsgeheim na overlijden. Voorts lijkt ten aanzien van de ex-mentor de traditionele opvatting verlaten met betrekking tot de omgang met medische gegevens na overlijden. Deze ex-vertegenwoordiger heeft, althans kort na overlijden van de betrokkene, recht op inzage in diens medisch dossier, tenzij aannemelijk kan worden gemaakt dat inzage in strijd met de wil van de overledene zou zijn.

Biedt dit alles een behoorlijke regeling voor de omgang met medische gegevens na overlijden van de patiënt? In de loop der tijd zijn enkele alternatieven voorgesteld. Zo heeft onder anderen Koops gesuggereerd een schriftelijke wilsverklaring voor deze kwestie te introduceren. In een dergelijke op schrift gestelde algemene machtiging, gehecht aan het testament of aan een codicil, verklaart de betrokkene dat na zijn of haar overlijden aan (één of meer) nabestaanden alle hem of haar aangaande inlichtingen door artsen, ziekenhuizen, verplegers en andere hulpverleners mogen worden verstrekt.14 Langs deze weg wordt getracht de nabestaanden een bijzondere positie toe te kennen, vooral met het oog op de situatie dat een hulpverlener wordt verdacht van een delict tegen de overledene, of het vermoeden bestaat van een kunstfout. De keerzijde van dergelijke voorstellen is dat hierdoor het recht op geheim van de overledene mogelijk in belangrijke mate wordt uitgehold. Zo zou de overledene in het geheel niet beschermd zijn tegen nabestaanden die op grond van oneigenlijke motieven van medische gegevens betreffende hun partner of familielid kennis willen nemen. Voorts impliceert een dergelijke constructie dat van continuïteit tussen de situatie voor respectievelijk na overlijden niet langer sprake is; de (nog levende) patiënt kan immers zijn recht op geheimhouding ten opzichte van een ieder, dus in beginsel ook zijn partner of familieleden, uitoefenen. Last but not least: er wordt afbreuk gedaan aan het algemeen belang dat met het medisch beroepsgeheim wordt gediend, te weten het waarborgen van een onbelemmerde toegang tot de gezondheidszorg. Dat belang mag nimmer uit het oog worden verloren.

Literatuur
  1. Gevers JKM. Het beroepsgeheim na overlijden van depatiënt. Ned Tijdschr Geneeskd 1993;137:533-5.

  2. Hazewinkel-Suringa D. De doolhof van het beroepsgeheim.Haarlem: Tjeenk Willink; 1959. p. 95.

  3. Beljaars AJJM. Beroepsgeheim: het omgaan met medischegegevens. Medisch Contact 1994;49:746-8.

  4. Put MJMA van der, Berendsen RRM. Houdt de overledenpatiënt zijn geheimen? Het recht op en de plicht tot geheimhouding naoverlijden. Medisch Contact 1994;49:61-4.

  5. Gerechtshof Den Bosch 18 september 1991. TijdschrGezondheidsrecht 1991;15:507-9.

  6. President Rechtbank Leeuwarden 12 juni 1997. Kort Geding1997;nr 247:591-3.

  7. Gerechtshof Amsterdam 11 juli 1996 met noot vanKastelein WR. Tijdschr Gezondheidsrecht 1997;21:118-21.

  8. Jong EJC de. Mogen nabestaanden het dossier van eenoverledene inzien? Zes rechterlijke uitspraken. Medisch Contact1998;53:1020.

  9. Kamerstukken II, vergaderjaar 1998/1999, 25892, nr6:27-8.

  10. Gerechtshof Amsterdam 29 januari 1998 met noot vanGevers JKM. BOPZ-jurisprudentie 1998;nr 27:73-8.

  11. President Rechtbank Den Haag, 28 juni 1996. TijdschrGezondheidsrecht 1997;21:121-3.

  12. Gerechtshof Den Bosch, 13 oktober 1998. TijdschrGezondheidsrecht 1999;23:125-7.

  13. President Rechtbank Utrecht, 9 juni 1998. TijdschrGezondheidsrecht 1998;22:455-7.

  14. Koops AR. Doorbreking medisch beroepsgeheim na de dood.Ned Juristenblad 1997;72:1638-9.

Auteursinformatie

Universiteit van Amsterdam, Instituut voor Sociale Geneeskunde, Meibergdreef 15, 1105 AZ Amsterdam.

Mw.mr.M.C.Ploem, jurist.

Gerelateerde artikelen

Reacties