Toenemende druk op artsen om te spreken of te zwijgen; recente juridische ontwikkelingen rond beroepsgeheim en verschoningsrecht

Opinie
W.R. Kastelein
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2008;152:478-82
Abstract
Download PDF

Vanuit de samenleving is er sprake van een toenemende neiging tot controle van hulpverleners en ‘melddruk’: de KNMG pleit voor het melden van fouten en incidenten, de minister van Jeugd en Gezin voor het nauwlettend volgen van risicokinderen en het vrijwel ongebreideld uitwisselen van informatie over wat er zich binnen gezinnen afspeelt (www.jeugdengezin.nl/toespraken/2007/proef-met-verwijsindex-risicojonger…).1 Ook de bemoeienis van het Openbaar Ministerie en de Inspectie voor de Gezondheidszorg neemt toe. Alleen al in 2007 kwamen er tot nu toe drie zaken voor de rechter waarin ziekenhuizen zich beklaagden over de inbeslagname van medische gegevens door het Openbaar Ministerie.2-4 Ook de inspectie zet met enige regelmaat de stap naar de tuchtrechter, hoewel daarin, anders dan soms gesteld, geen stijgende lijn valt te ontdekken: ze diende in 2002 29 klachten, in 2003 20 klachten, in 2004 42 klachten, in 2005 24 klachten en in 2006 6 klachten in bij tuchtcolleges.5 Artsen en ziekenhuizen moeten zich dus steeds vaker voor de rechter verantwoorden over het al dan niet doorbreken van hun beroepsgeheim.

Het beroepsgeheim houdt – kort samengevat – in dat een beroepsbeoefenaar verplicht is ‘te zwijgen over al hetgeen hem bij het uitoefenen van zijn beroep als geheim is toevertrouwd dan wel hem als geheim ter kennis is gekomen dan wel hem ter kennis is gekomen en waarvan hij het vertrouwelijke karakter had moeten begrijpen’.6 Het beroepsgeheim geldt ten opzichte van eenieder. Het daaruit voortvloeiende verschoningsrecht is een recht dat geldt ten opzichte van de rechter. Het verschoningsrecht is een uitzonderingsrecht dat een inbreuk maakt op het belang van de waarheidsvinding. Met andere woorden, iemand kan een beroep doen op het verschoningsrecht als van hem of haar informatie gevraagd wordt die onder het beroepsgeheim valt. De kring van verschoningsgerechtigden is kleiner dan die van de geheimhouders.

Het beroepsgeheim staat op verschillende manieren onder druk. Er zijn drie onderwerpen die daarbij vooral de aandacht trekken en deze zal ik in dit artikel verder uitdiepen. Het gaat daarbij om kindermishandeling, overledenen en het elektronisch patiëntendossier (EPD).

kindermishandeling

Sinds de zogeheten zaak-Savanna7 is de druk op hulpverleners om een vermoeden van kindermishandeling te melden groot en is er minder respect voor de privacy van het gezin. Om het wat scherp te zeggen: vroeger was dat wat binnen het gezin gebeurde vrijwel onaantastbaar, nu is er een maatschappelijke tendens dat hulpverleners al actie moeten ondernemen als een gezin vaak verhuist (www.jeugdengezin.nl/toespraken/2007/proef-met-verwijsindex-risicojonger…). Hulpverleners krijgen enerzijds steun van de wetgever, maar staan anderzijds in toenemende mate onder druk van ouders die hen aanklagen na een melding bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK). Artikel 53 lid 3 van de Wet op de Jeugdzorg verleent hulpverleners met een beroepsgeheim een wettelijk meldrecht aan het AMK om bij een redelijk vermoeden van kindermishandeling onderzoek mogelijk te maken.8 In artikel 1:240 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat een geheimhouder zonder toestemming inlichtingen aan de Raad voor de Kinderbescherming kan verstrekken als dit noodzakelijk kan worden geacht voor de uitoefening van de taken van de raad. Beide wettelijke regelingen bieden de geheimhouder een wettelijke basis voor doorbreking van zijn geheim.

Verder biedt de Meldcode inzake Kindermishandeling van de KNMG enig houvast, hoewel sommigen van mening zijn dat deze meldcode te streng is als het gaat om het doorbreken van het beroepsgeheim.9 10 De code geeft een definitie van kindermishandeling waarvan de kern luidt: ‘kindermishandeling is elke vorm van geweldpleging of verwaarlozing op fysiek en/of psychisch gebied door toedoen of nalaten van personen tot wie het kind in een afhankelijkheidsrelatie staat, waardoor schade voor het kind ontstaat of in de toekomst zou kunnen ontstaan.’ Deze definitie is ruimer dan de definitie die de Wet op de Jeugdzorg noemt in artikel 1 (onder punt m) en waarin gesproken wordt van ‘ernstige schade die wordt berokkend of dreigt te worden berokkend in de vorm van fysiek of psychisch letsel’.

De KNMG-definitie lijkt duidelijk, maar roept toch vragen op. Valt bijvoorbeeld medische overconsumptie onder de definitie? Of het stelselmatig te veel en verkeerd voedsel aan een kind geven? Hoe ver moet de arts daarin gaan? Kan dat soort gedrag van ouders grond zijn voor een AMK-melding? Het is voor artsen bovendien niet goed te begrijpen dat de wettelijke definitie beperkter is dan de definitie van hun beroepsgroep. Waar moeten zij zich naar richten? Verder zijn de voorwaarden voor doorbreking van het beroepsgeheim streng. Volgens de KNMG is onder meer vereist dat de ouders eerst toestemming wordt gevraagd voor de melding én dat de arts in gewetensnood verkeert. Het vooraf vragen van toestemming wordt door veel artsen als moeizaam ervaren. Zij zijn bevreesd dat het kind daardoor schade zal ondervinden, doordat ouders zich bijvoorbeeld in paniek aan de zorg onttrekken, terwijl bemoeienis van het AMK huns inziens wel noodzakelijk is.

In de jaren 2005-2007 zijn 5 tuchtrechtelijke uitspraken gepubliceerd waarbij een AMK-melding ter toetsing voorlag. In een aantal gevallen verwijst de tuchtrechter naar de KNMG-meldcode, zonder deze overigens tot in detail te volgen. In 4 zaken blijkt het tuchtcollege daarbij minder zwaar aan het tevoren vragen van toestemming te tillen en achtte men een mededeling achteraf voldoende.11-14 In één geval achtte het tuchtcollege het wél verwijtbaar dat niet van tevoren met de ouders was overlegd of toestemming aan de ouders was gevraagd.15 Dit roept discussie op. Deze jurisprudentie maakt begrijpelijk dat de beroepsbeoefenaar spanning voelt bij de regel dat zo mogelijk toestemming van de ouders moet worden gevraagd.16 De KNMG-code en de jurisprudentie van het Europese Hof vergen dit wel, maar artsen vinden dit soms strijdig met het belang van het kind.

Een ander juridisch probleem dat zich bij een vermoeden van kindermishandeling kan voordoen, is de wens van het Openbaar Ministerie om bij leven of na het overlijden van een kind de beschikking te krijgen over het medisch dossier en eventuele videobanden gemaakt tijdens de behandeling of de ziekenhuisopname van het kind. Indien de beroepsbeoefenaar of het ziekenhuis daar niet aan mee wenst te werken, kan inbeslagname volgen op grond van artikel 98 Wetboek van Strafvordering (Sv) en/of artikel 126nf Sv. Dit heeft gespeeld in twee zaken waarin er een – niet bewezen – verdenking was op het münchhausen-syndroom ‘by proxy’. De ene zaak speelde bij de rechtbank te Zwolle in 199817-19 en de andere in 2007 bij die in Den Haag. In de laatste zaak is uitspraak gedaan op 12 juli 2007: het Openbaar Ministerie had het medisch dossier niet in beslag mogen nemen.20 In beide zaken stelde de rechter zich op het standpunt dat verkrijging van de benodigde gegevens wellicht ook via een andere weg zou kunnen plaatsvinden en dat er derhalve op dat moment geen plaats was voor schending van het beroepsgeheim. Overigens speelt ook in de zaak-Savanna inbeslagname van het medisch dossier, in dit geval in verband met de vervolging van de gezinsvoogd.21

In al deze gevallen hadden de moeder of de ouders toestemming tot inzage van de gegevens van het kind gegeven, maar beriep de instelling die de gegevens beheerde zich op het beroepsgeheim en het verschoningsrecht. Bij deze zaken speelt allereerst een rol dat de ouders na overlijden niet meer namens de minderjarige kunnen optreden en dus geen toestemming tot inzage kunnen geven. Verder stelt de instelling zich op het standpunt dat de ouders en kinderen zich vrijelijk tot de hulpverlener moeten kunnen wenden zonder vrees dat de door hen in het kader van de behandeling aangereikte gegevens later tegen hen kunnen worden gebruikt in een strafzaak. Daarom wensen zij niet mee te werken aan een mogelijke vervolging. Het Openbaar Ministerie stelt zich echter op het standpunt dat in gevallen van een vermoeden van kindermishandeling het dossier juist hét opsporingsmiddel bij uitstek is. Conflicten zijn het gevolg.

De procederende partij is vaak een groot ziekenhuis. Aangenomen mag worden dat dit soort discussies zich ook voordoen in de eerstelijnsgezondheidszorg, bij het ambulancevervoer en bij kleinere ziekenhuizen. Deze laatste zijn echter wellicht minder snel bereid om te procederen en stellen dan met grote tegenzin het dossier ter beschikking van het Openbaar Ministerie. De huidige discussies tussen dit ministerie en de genoemde ziekenhuizen leiden tot controversen en spanningen. Dit is ongewenst, zeker als wij bedenken dat eenieder in beginsel hetzelfde belang dient, namelijk dat van het kind.

Het is te overwegen op landelijk niveau, bijvoorbeeld tussen het college van procureurs-generaal en de KNMG, duidelijkere afspraken te maken over inbeslagname van medische dossiers. Dat zou artsen een steun in de rug kunnen geven. Dat kan tevens voorkómen dat een medisch dossier in beslag wordt genomen zonder dat het verzegeld is en zonder dat de instelling in de gelegenheid is om daartegen een klaagschrift in te dienen, zoals in 1996 in het Academisch Medisch Centrum, Amsterdam, gebeurd is.22 23

overledenen

De dossiers van overleden patiënten worden steeds vaker opgeëist door familieleden in civiele procedures, hetzij omdat zij menen dat er fouten zijn gemaakt bij de behandeling van hun overleden familielid, hetzij omdat er problemen zijn over de nalatenschap. De enige uitspraak van de Hoge Raad die in een civiele zaak is gedaan, blinkt niet uit in duidelijkheid over de omstandigheden die inzage in het dossier van een overleden patiënt rechtvaardigen.24 Of de in artikel 7:457 BW vastgelegde geheimhoudingsplicht van een hulpverlener na overlijden van een patiënt ook ten opzichte van nabestaanden geldt, staat dan ook niet vast.

Algemeen wordt echter aangenomen dat de arts ook na overlijden van de patiënt is gebonden aan zijn beroepsgeheim en geen mededelingen kan doen over of inzage kan geven in wat hem uit hoofde van zijn hulpverlenersrelatie bekend is, tenzij de toestemming van de overledene daarvoor vóór overlijden is gegeven of kan worden verondersteld. Indien er vermoedens zijn van tekortkomingen in de zorg aan de overledene en als nabestaanden daarover concrete vragen hebben, gaat men er in het algemeen van uit dat de overledene zou hebben gewild dat nabestaanden dit zouden onderzoeken en dat om die reden inzage in het dossier kan worden verstrekt.25 Dit wordt ook wel genoemd de constructie van de veronderstelde toestemming.

Een en ander is mede afhankelijk van de concrete omstandigheden. Zo oordeelde de Rechtbank Arnhem op 15 augustus 2005 dat een nicht inzage mocht krijgen in het dossier van haar tante met wie zij een goede verhouding had volgens getuigenverklaringen en die onverwachts haar testament had gewijzigd, waardoor zij onterfd werd.26 Voorts waren er voldoende verklaringen van derden waaruit bleek dat de geestelijke vermogens van de erflaatster de laatste jaren sterk achteruit waren gegaan en dat zij steeds afhankelijker en vergeetachtiger werd. Er is echter ook jurisprudentie waarin de rechter dergelijke verzoeken afwijst omdat er onvoldoende omstandigheden zijn gesteld waaruit zou blijken dat van wilsonbekwaamheid sprake was ten tijde van wijziging van het testament.27 Een zuiver emotioneel belang, zoals rouwverwerking, is niet voldoende voor een recht op inzage van nabestaanden.28 29

Dat artsen zich van de dilemma’s niet altijd bewust zijn, blijkt uit een uitspraak van het Centraal Tuchtcollege van 10 juli 2007. Deze betrof een verpleeghuisarts die eerst een verklaring had afgegeven aan de moeder van de overledene waarin zij stelde dat de overledene gedurende een periode van bijna negen jaar niet in staat was haar belangen te behartigen. Vervolgens had zij een tweede verklaring afgegeven aan de zwager van de moeder waarin zij deze uitspraken aanzienlijk nuanceert en stelt dat het onvermogen om haar belangen te behartigen vooral betrekking had op de laatste jaren van haar leven. De arts kreeg een waarschuwing.30

Ook tuchtcolleges worstelen met het al dan niet ter inzage krijgen of geven van het medisch dossier aan een nabestaande. Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg loste dit op in een zaak op 20 maart 2007 door alleen de vooronderzoeker inzage in het dossier te geven en alleen op basis van het verslag van de vooronderzoeker de klachten inzake de kwaliteit van de hulpverlening van klager te verwerpen.31 Niet alleen nabestaanden eisen soms inzage in het medisch dossier van een overledene. Recent dienden bij de Rechtbank Rotterdam twee beklagzaken waarin het Openbaar Ministerie de dossiers van overledenen in beslag genomen had om deze te gebruiken bij een strafrechtelijk onderzoek naar het overlijden van deze patiënten.2 3 Het ziekenhuis had bezwaar tegen deze inbeslagnames en diende beklag in. In de ene zaak trof het beklag van het ziekenhuis tegen de inbeslagname doel, in de tweede zaak oordeelde de rechtbank dat er een ernstig vermoeden van verwijtbaar onzorgvuldig medisch handelen was die doorbreking van het beroepsgeheim rechtvaardigde.

Tot slot nog een ander aspect van het omgaan met gegevens van overledenen. Een onderzoeker van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) voelde zich ten onrechte in de media beschuldigd door zijn Raad van Bestuur. De raad had hem gekapitteld over zijn publicaties over zijn bevindingen inzake het functioneren van de hersenen en andere lichaamsdelen in zijn onderzoek van een overleden vrouw die haar lichaam ter beschikking van de wetenschap had gesteld. Hij had haar met naam en toenaam genoemd in een artikel hierover. Het UMCG meende dat de onderzoeker met deze uitlatingen de privacy van de overleden vrouw (het ging om de oudste vrouw van Nederland, die in 2005 op 115-jarige leeftijd overleed) had geschonden. De rechter in kort geding oordeelde dat het niet onrechtmatig was dat het UMCG naar buiten had gebracht dat de onderzoeker in hun ogen de privacy van de overledene had geschonden.32 Ook hieruit blijkt dat artsen uiterst voorzichtig moeten zijn met het naar buiten brengen van gegevens van overledenen.

het elektronisch patiëntendossier

De ontwikkelingen rond de invoering van het EPD geven eveneens discussie over de aard en de reikwijdte van het beroepsgeheim. Het EPD zou een oplossing voor communicatieproblemen in de zorg kunnen worden, maar is tegelijkertijd een bron van zorgen over de bescherming van het beroepsgeheim en de privacy. Dat die zorgen terecht zijn, blijkt in het advies van het College bescherming persoonsgegevens (CBP) van 14 juni 2007, waarin het college het voorstel tot wetswijziging van de Wet Gebruik Burgerservicenummer in de Zorg bespreekt.33 In het wetsvoorstel worden zorgverleners verplicht zich aan te sluiten bij een landelijk schakelpunt (het zogeheten LSP) en via dit landelijke schakelpunt patiëntengegevens opgenomen in een EPD uit te wisselen voorzover dat noodzakelijk is met het oog op een goede behandeling of verzorging van de patiënt. Alle beroepsbeoefenaren die in artikel 3 of artikel 34 van de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (Wet BIG) genoemd worden zouden toegang tot een dergelijk LSP en EPD krijgen. Het is daarvoor niet noodzakelijk dat zij bij de zorg van de patiënt betrokken zijn. De patiënt wordt wel de mogelijkheid geboden om niet aan het EPD mee te doen, maar niet duidelijk is hoe dat geregeld is. Omdat in het wetsvoorstel een verplichting is geregeld voor zorgverleners om zich aan te sluiten bij het LSP, betreft dit een doorbreking van het beroepsgeheim.

Het CBP heeft fundamentele kritiek op de bescherming die het LSP zou moeten bieden: het bestaan van een behandelrelatie is geen vereiste voor autorisatie bij het LSP, in het wetsvoorstel ontbreekt de normering van de beveiliging, het is niet duidelijk geregeld of en hoe men zich eventueel kan terugtrekken uit het EPD (de zogeheten ‘opt-out’-mogelijkheid), het wetsvoorstel bevat ongestructureerde delegatiebepalingen en het toezicht is onvoldoende geregeld. Het CBP concludeert dat het EPD een grote maatschappelijke betekenis heeft, maar dat de invoering ervan ook aanzienlijke risico’s met zich meebrengt en dat een goede wettelijke regeling van essentieel belang is. Uit het advies is volstrekt helder dat het wetsvoorstel aan deze voorwaarden nog allerminst voldoet.

slot

Zoals uit dit overzicht blijkt, zijn en blijven er discussies over (doorbreking van) het beroepsgeheim en vereisen de recente ontwikkelingen alertheid bij artsen en hun organisaties. Het is in beginsel niet toegestaan om derden gegevens te verstrekken zonder toestemming van de patiënt. Dit geldt ook als de patiënt een kind is, overleden is of ‘slechts’ op papier bestaat, zoals bij het EPD. Het gaat uiteindelijk bij het beroepsgeheim om het geheim van de patiënt en het recht van de arts om zich op die grond te verschonen. De samenleving mag van de arts verwachten dat hij of zij daarmee zorgvuldig omgaat. Omgekeerd mag de arts van de samenleving verwachten dat hij of zij een zekere marge krijgt om dat recht uit te oefenen.

Dat de druk vanuit de samenleving om het beroepsgeheim te doorbreken toeneemt, blijkt niet alleen uit de hiervoor besproken jurisprudentie, het wetsvoorstel Burgerservicenummer en uitlatingen van bewindslieden, maar ook uit het wetsvoorstel Uitbreiding Bestuurlijke Handhaving Volksgezondheidswetgeving, waarin de Inspectie voor de Gezondheidszorg een vrijwel ongeclausuleerd inzagerecht in patiëntendossiers toebedeeld krijgt.34 Daar staat tegenover dat ook artsen niet altijd even prudent omgaan met hun beroepsgeheim, zoals uit de UMCG-zaak blijkt. Voor artsen en hun organisaties is er nog veel werk te doen, zowel aan voorlichting, scholing en protocollering als in het te voeren overleg met de inspectie en het Openbaar Ministerie over de afbakening van het beroepsgeheim ten opzichte van hun toezichthoudende en opsporende bevoegdheden.

Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: geen gemeld.

Literatuur
  1. Actieplan aanpak Kindermishandeling. Den Haag: ministerie van Jeugd en Gezin; 2007.

  2. Rechtbank Rotterdam, 13 februari 2007. Gezondheidszorg Jurisprudentie; uitspraak nr 2007/41 of Tijdschr Gezondheidsrecht; uitspraak nr 2007/21.

  3. Rechtbank Rotterdam, 13 februari 2007. Gezondheidszorg Jurisprudentie; uitspraak nr 2007/42 of Tijdschr Gezondheidsrecht; uitspraak nr 2007/22.

  4. Rechtbank Den Haag, 12 juli 2007. Tijdschr Gezondheidsrecht; uitspraak nr 2007/30.

  5. Inspectie voor de Gezondheidszorg. Jaarbericht 2006. Den Haag: Inspectie voor de Gezondheidszorg; 2007. p. 98.

  6. Zie bijvoorbeeld wet van 11 november 1993 houdende regelingen inzake beroepen op het gebied van de individuele gezondheidszorg (Wet BIG), laatstelijk gewijzigd op 15 december 2006. Staatsblad. 2006:639, art. 88.

  7. Hoge Raad, 9 mei 2006. Verschoningsrecht Stichting Thuiszorg inzake dossier Savanna. Tijdschr Gezondheidsrecht; uitspraak nr 2006/47 of Gezondheidszorg Jurisprudentie; uitspraak nr 2006/124.

  8. Wet van 22 april 2004, houdende regeling van de aanspraak op, de toegang tot en de bekostiging van jeugdzorg (Wet op de jeugdzorg). Staatsblad. 2004:306.

  9. KNMG. Meldcode inzake Kindermishandeling. Utrecht: KNMG; 2002.

  10. 0Jong EJC de. Het beroepsgeheim en derdenbelangen, preadvies voor de Vereniging voor Gezondheidsrecht. Den Haag: Sdu; 2004. p. 126.

  11. Regionaal Tuchtcollege Zwolle, 13 oktober 2005. Gezondheidszorg Jurisprudentie; uitspraak nr 2006/6.

  12. Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, 30 mei 2006. Gezondheidszorg Jurisprudentie; uitspraak nr 2006/71.

  13. Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, 20 mei 2006.

  14. Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, 30 mei 2006. AMK-melding; uitspraak nr 2005/168 (www.tuchtcollege-gezondheidszorg.nl).

  15. Regionaal Tuchtcollege Zwolle, 20 april 2006, Tijdschr Gezondheidsrecht; uitspraak nr 2006/13 of Gezondheidszorg Jurisprudentie; uitspraak nr 2006/3.

  16. Kastelein WR, Meulemans EWM. Kroniek rechtspraak tuchtrecht. Tijdschr Gezondheidsrecht. 2007;31:438-51.

  17. Rechtbank Zwolle, 4 december 1998. Verschoningsrecht videobanden. Nederlandse Jurisprudentie; uitspraak nr 1999/619 of Tijdschr Gezondheidsrecht; uitspraak nr 1999/20.

  18. Schalken TM. Huiszoeking in het ziekenhuis: wanneer weegt opsporingsbelang zwaarder dan medisch beroepsgeheim? Tijdschr Gezondheidsrecht. 1999;23:96-101.

  19. Kastelein WR. Het beroepsgeheim en de waarheidsvinding. Tijdschr Gezondheidsrecht. 1999;23:77.

  20. Rechtbank Den Haag, 12 juli 2007. Tijdschr Gezondheidsrecht; uitspraak nr 2007/30.

  21. Hoge Raad, 9 mei 2006. Verschoningsrecht Stichting Thuiszorg inzake dossier Savanna. Tijdschr Gezondheidsrecht; uitspraak nr 2006/47 of Gezondheidszorg Jurisprudentie; uitspraak nr 2006/124.

  22. Campen MMJ van, Verdam TJ. Strafrechtelijk opsporingsbelang en medisch beroepsgeheim. Med Contact. 1996;51:1133-4.

  23. Kastelein WR. Justitie en beroepsgeheim. Tijdschr Gezondheidsrecht. 1996:189.

  24. Hoge Raad, 20 april 2001. Beroepsgeheim. Nederlandse Jurisprudentie; uitspraak nr 2001/600.

  25. Hof Amsterdam, 29 januari 1998. Tijdschr Gezondheidsrecht; uitspraak nr 1998/34.

  26. Rechtbank Arnhem, 15 augustus 2005. Tijdschr Gezondheidsrecht; uitspraak nr 2006/1.

  27. Hof ’s-Hertogenbosch, 12 december 2002. Beroepsgeheim overledenen. Nederlandse Jurisprudentie; uitspraak nr 2003/379.

  28. Hof Amsterdam, 24 juni 1999. Beroepsgeheim overledene. Tijdschr Gezondheidsrecht; uitspraak nr 1999/65.

  29. Hof Amsterdam, 28 november 2002. Beroepsgeheim overledene. Kort geding; uitspraak nr 2003/9.

  30. Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. 10 juli 2007, uitspraak nr 2006/089.

  31. Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, 20 maart 2007. Gezondheidszorg Jurisprudentie; uitspraak nr 2007/71, met noot van EJC de Jong.

  32. Voorzieningenrechter Rechtbank Groningen, 9 februari 2007. Schending beroepsgeheim door wetenschappelijk onderzoeker. Landelijk Jurisprudentie Nummer AZ8114.

  33. College bescherming persoonsgegevens (CBP). Advies van het College bescherming persoonsgegevens (CBP) over het voorstel tot wijziging van de Wet gebruik BSN in de zorg. Bijlage bij de brief van het CBP van 14 juni 2007 aan de minister van VWS. Den Haag: CBP; 2007.

  34. Kamerstuk (2006-2007) 31122, nr 2: voorstel van Wet uitbreiding bestuurlijke handhaving volksgezondheidswetgeving.

Auteursinformatie

KBS Advocaten, Postbus 13.086, 3507 LB Utrecht.

Contact Mw.prof.mr.W.R.Kastelein, advocaat (wr.kastelein@kbs.netlaw.nl)

Gerelateerde artikelen

Reacties

G.M.
Dikkenberg

Amsterdam, maart 2008,

Kastelein bespreekt onder andere de juridische aspecten van het omgaan met medische gegevens van overledenen, en jurisprudentie daarover (2008:478-82). De jurisprudentie en de praktijk wat betreft het ter beschikking stellen van gegevens aan nabestaanden lijken nog altijd niet uitgekristalliseerd. Dit geldt vooral bij vermoeden van foutief handelen. Dat leidt tot frustrerende situaties, escalatie van conflicten en eindeloze procedures.

Dat alles zou te voorkomen zijn als aan elke patiënt, zowel bij de huisarts als in een ziekenhuis, zou worden gevraagd wie bij eventueel overlijden inzage en een afschrift van het dossier zou mogen hebben. Die toestemming zou óf permanent, óf voor elke behandeling afzonderlijk, duidelijk in het dossier aanwezig moeten zijn en de patiënt zou deze in duplo ook thuis moeten bewaren. Ook zou vastgelegd moeten worden wie bij eventueel wilsonbekwaam raken mee mag praten over de behandeling. Deze vragen zouden aanvankelijk bij niet al te riskante behandelingen overdreven lijken en patiënten bang kunnen maken. Als deze werkwijze echter standaard wordt, went men eraan.

In dit verband wil ik er ook op wijzen dat de twijfels over de doodsoorzaak van de patiënt of de juistheid van het medisch handelen soms pas enige dagen tot weken na het overlijden op gang komen. Soms is er dan al een verklaring van natuurlijke dood door de behandelend artsen afgegeven. Dit ontbreekt in het artikel van Kastelein. Als een overlijden niet volgt uit de oorspronkelijke ziekte, is het dan wel vanzelfsprekend het een natuurlijke dood te noemen? Wie van een heel behandelteam zou dat mogen bepalen? Kunnen nabestaanden onmiddellijk na overlijden een gerechtelijke obductie verlangen?

G.M. Dikkenberg