Het beroepsgeheim na overlijden van de patiënt

Opinie
J.K.M. Gevers
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1993;137:533-5
Download PDF

Moet de arts ook na overlijden van de patiënt blijven zwijgen over wat hem in het kader van de hulpverlening over die patiënt bekend is geworden? Speelt hierbij het tijdsverloop een rol? In dit artikel wil ik nagaan in hoeverre op deze vragen vanuit de rechtswetenschap een antwoord kan worden gegeven. Aanleiding hiertoe is een recente publikatie in dit tijdschrift over het medisch dossier van Theo van Gogh.1 Al zullen genoemde vragen niet centraal staan in de dagelijkse beroepspraktijk, een zeker praktisch belang kan er niet aan worden ontzegd. Aandacht voor genoemde vragen is ook belangrijk voor een meer fundamentele reflectie op aard en strekking van het beroepsgeheim: aan zijn grenzen laat zich dat immers het beste kennen.

De gang van zaken rond het medisch dossier van Theo van Gogh roept overigens ook nog andere vragen op: hoe lang mogen patiëntendossiers bewaard worden? Moeten dossiers van historische waarde blijvend gearchiveerd worden? Als ze worden overgebracht naar overheidsarchieven, welke beperkingen zijn dan te stellen aan hun openbaarheid? Hoe dit te verzoenen met het primaire doel waarvoor men zich de kosten van archivering zal willen getroosten, te weten wetenschappelijk onderzoek? Die vragen – waarop overigens al eerder is gewezen, bijvoorbeeld door de commissie Geschiedenis van het Nederlands Centrum Geestelijke Volksgezondheid – laat ik hier grotendeels rusten;2 ze zijn te complex voor een korte beschouwing. Overigens zal men zulke kwesties niet kunnen regelen, als niet eerst is vastgesteld in hoeverre het beroepsgeheim na overlijden van de patiënt geacht moet worden in stand te blijven.

Beroepsgeheim na overlijden

De vertrouwelijkheid van medische gegevens na de dood is de afgelopen jaren in enkele uiteenlopende casusposities in de civiele en de strafrechtspraak aan de orde geweest. Zo sprak de president van de rechtbank Amsterdam (12 december 1985) zich in kort geding uit over de vraag of de resultaten van een onderzoek naar de dood van een inverzekeringgestelde door de justitiële autoriteiten aan de vertrouwensarts van de nabestaanden ter beschikking moesten worden gesteld.3 De rechter beantwoordde die vraag bevestigend. Daaruit kan overigens niet worden afgeleid dat nabestaanden zonder meer aanspraak kunnen maken op kennisneming van medische gegevens van een overleden familielid. Het ging om afgifte aan een vertrouwensarts, die de rechter bovendien baseerde op een eerder gedane toezegging van de hoofdofficier van justitie aan de nagelaten betrekkingen.

In de strafrechtspraak kwam het beroepsgeheim na de dood aan de orde in het arrest van het hof Den Haag van 12 november 1986,4 waarbij een arts werd vrijgesproken van een misdrijf wegens onrechtmatig verkregen bewijs. Het ging om het meenemen in het kader van een opsporingsonderzoek van medische en verpleegkundige bescheiden die vielen onder de geheimhoudingsplicht van de arts en die in verband daarmee ingevolge art. 98 lid 1 Wetboek van Strafrecht niet zonder diens toestemming in beslag genomen hadden mogen worden. Dat de vertrouwelijkheid van medische gegevens ook na de dood van de betrokkene zwaar weegt, is in deze uitspraak een duidelijke premisse. Absoluut is de bescherming geboden door het betreffende artikel overigens niet; een uitzonderlijke omstandigheid van maatschappelijk belang kan maken – aldus het hof – dat in strijd met bedoeld wetsartikel mag worden gehandeld.

Gemeenschappelijk uitgangspunt in beide uitspraken is dat gegevens voortkomend uit hulpverlening aan inmiddels overleden personen een vertrouwelijk karakter blijven houden, zij het dat aan die vertrouwelijkheid grenzen zijn gesteld. Dat laatste blijkt ook duidelijk uit de recente rechterlijke uitspraken over de geheimhoudingsplicht van een tehuis voor ongehuwde moeders inzake afstammingsgegevens, waarop ik hierna terugkom. Deze jurisprudentie weerspiegelt de traditionele opvatting in de rechtsleer: van oudsher wordt aanvaard dat het medisch beroepsgeheim zich ook uitstrekt tot de overleden patiënt en dat de beroepsbeoefenaar ook na diens dood dient te zwijgen over hetgeen hij in de uitoefening van zijn beroep omtrent de betrokkene te weten is gekomen. ‘De dood van de patiënt of cliënt bevrijdt de geheimhouder niet’, aldus bijvoorbeeld Hazewinkel-Suringa.5 Eenzelfde rechtsopvatting vindt men in deklassieke beschouwing van Savatier over het ‘secret médical’.6 Evenals ten aanzien van levenden het geval is, dient het beroepsgeheim hier een tweevoudig belang: het beschermt niet alleen de privacy van de overledene (individueel belang), maar waarborgt ook dat mensen niet weerhouden worden van het inroepen van hulp, uit vrees dat na hun dood vertrouwelijke persoonsinformatie wordt prijsgegeven aan derden (algemeen belang). In het verlengde hiervan zal de arts zich tegenover de rechter ook na de dood van de patiënt in beginsel op het verschoningsrecht moeten beroepen.78

Wat de grenzen aan de zwijgplicht betreft, kan allereerst worden aangesloten bij wat in dezen ten aanzien van het beroepsgeheim in het algemeen wordt aangenomen: het kan zijn dat de wet het verstrekken van bepaalde gegevens mogelijk maakt (zoals de Wet op de Lijkbezorging bij de verklaring van overlijden) of dat de betrokkene zelf heeft ingestemd met het verstrekken van bepaalde gegevens aan derden na zijn dood. Verder kan zich ook na de dood van de patiënt een conflict van plichten voordoen, dat voor de beroepsbeoefenaar een rechtvaardiging kan opleveren zijn zwijgplicht terzijde te stellen.

De situatie na overlijden is echter niet in alle opzichten te vergelijken met die daarvoor: er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin mag worden aangenomen dat de patiënt toestemming voor het prijsgeven van bepaalde medische gegevens zou hebben gegeven. Dat zal bijvoorbeeld het geval kunnen zijn als daarmee belangen van nabestaanden gediend zijn, zoals bij het kunnen krijgen van een verzekeringsuitkering, het kunnen instellen van een schadevergoedingsactie indien het vermoeden bestaat dat de patiënt door een kunstfout overleden is, of bij de noodzaak over gegevens van de overledene te beschikken in verband met de vaststelling van genetische risico's bij nabestaanden.

Andere in de literatuur wel genoemde voorbeelden betreffen de situatie waarin spreken nodig is ter verdediging van de overledene of ter vervolging van een op hem gepleegd misdrijf. Tenzij er aanleiding is het tegendeel te veronderstellen, mag er – aldus vele schrijvers – in de hier bedoelde gevallen van worden uitgegaan dat de overledene binnen de grenzen van het relevante en noodzakelijke met mededeling aan anderen zou hebben ingestemd.

Door Sluyters is de vraag opgeworpen of men – in het bijzonder als de beroepsgeheimhouder verdacht wordt van een delict tegen de overledene – niet zou kunnen aannemen dat het recht van de patiënt toestemming te geven voor het doorbreken van het beroepsgeheim en zijn inzagerecht overgaan op diens erfgenamen.9 ie constructie verdient mijns inziens geen aanbeveling, niet alleen omdat het om een persoonlijk recht van de overledene gaat en niet om een vermogensrecht, maar ook omdat aldus het geheim van de overledene jegens de nabestaanden potentieel op losse schroeven komt te staan. Een beroep op veronderstelde toestemming is ook niet zonder bezwaren vanwege het risico dat men ten onrechte van de instemming van de betrokkene uitgaat, maar biedt de overledene in beginsel méér bescherming dan het toekennen van eigen rechten aan nabestaanden. Dat neemt niet weg dat nabestaanden een bijzondere positie innemen; hun belangen kunnen rechtvaardigen dat jegens hen gesproken wordt (zie eerder); maar evenzeer kunnen zij er een persoonlijk belang bij hebben dat jegens derden over het medisch verleden van hun overleden familielid gezwegen wordt.

Erosie door tijdsverloop?

Aan de tijd worden vele kwaliteiten toegedicht; behoort daar ook toe dat het recht op geheim van de overledene en het algemeen belang dat met zwijgen gemoeid is, door tijdsverloop geleidelijk uitgehold worden?

Tijdsverloop speelt in het recht zeker een rol, men denke aan verjaring. Ook als het gaat om de bescherming van overledenen kan tijd blijkens onze wetgeving een rechtens relevante factor zijn: zo kunnen nabestaanden zich in naam van de overledene verzetten tegen de openbaarmaking van een portret of een aanklacht wegens postume belediging indienen, maar die mogelijkheden zijn wel in tijd beperkt. In de (schaarse) juridische literatuur over rechtsbescherming na de dood wordt wel gesteld, dat ‘het persoon zijn van de mens voor het recht ... met zijn dood niet ten volle eindigt, maar blijft voortbestaan voorzover het belang van de overledene dit meebrengt’.10

Daarmee lijkt een relatief eenvoudig criterium gegeven ter beantwoording van de vraag wanneer het recht op geheim als geëindigd kan worden beschouwd. Ik heb er echter al eerder op gewezen dat in de rechtsleer, waar het het medisch beroepsgeheim betreft, het zwijgen na de dood als een plicht wordt beschouwd waarvan men zich niet gemakkelijk ontslagen kan achten. Achtergrond daarvan is niet alleen het belang van de overledene (en diens nabestaanden), maar ook het algemeen belang dat bij handhaving van het geheim gediend is.

De vraag in hoeverre tijdsverloop hieraan kan afdoen, is recentelijk aan de orde geweest bij een vordering ingesteld tegen (de rechtsopvolger van) een tehuis voor ongehuwde moeders. Daarbij werd inzage geëist in dossiers en archiefstukken betreffende een vrouw die vermoedelijk de moeder van eiseres was, zulks om laatstgenoemde in staat te stellen haar biologische herkomst na te gaan. In zijn afwijzende uitspraak van 20 juni 1989 oordeelde de rechtbank Breda dat op degenen die indertijd hulp verleenden aan de cliënt een geheimhoudingsplicht rustte ter zake van de gegevens die hun bekend werden in het kader van de hulpverlening en dat die verplichting thans rust op de instelling die de gegevens bewaart.11 Het overlijden van de cliënt heft die verplichting niet op, aldus de rechter, evenmin als het feit dat de gegevens meer dan 60 jaar geleden zijn verzameld. De tijd kan weliswaar een eroderende werking hebben op de geheimhoudingsverplichting doordat de belangen bij geheimhouding vervagen; in het onderhavige geval kon het vertrouwelijke karakter van de informatie echter niet door het tijdsverloop vervallen worden beschouwd. In hoger beroep vond de eiseres echter alsnog gehoor voor haar vordering. In een uitspraak van 18 september 1991 liet het hof Den Bosch haar belang om de identiteit van haar ouders te kennen prevaleren, onder andere omdat er sedert het tijdstip van haar geboorte al zo lange tijd was verstreken, dat de vader – zo nog in leven – van aantasting van zijn privacy geen onevenredige schadelijke gevolgen zou ondervinden.12 Wat de moeder betreft, stelt het hof, dat niet goed meer is vast te stellen – mede gelet op het tijdsverloop – of deze op handhaving van haar privacy nog prijs zou stellen. Ten aanzien van het algemene belang wordt overwogen dat redelijkerwijs niet valt aan te nemen dat een vrouw zich vandaag de dag nog weerhouden zou voelen om een instelling als deze om hulp te vragen, indien zij zou weten dat die instelling 45 jaar na haar dood afstammingsgegevens aan haar kind zou verstrekken.

Uit deze uitspraak blijkt dat de factor tijd voor het medisch geheim na overlijden weliswaar rechtens relevant is, maar niet op zichzelf doorslaggevend hoeft te zijn. Uit tijdsverloop lijkt niet zonder meer te kunnen worden afgeleid dat het beroepsgeheim als opgeheven kan worden beschouwd; wel zal naarmate de tijd vordert gemakkelijker aan andere belangen voorrang kunnen worden gegeven. Men zou kunnen tegenwerpen dat de zeggingskracht van deze uitspraken beperkt is omdat de gezochte informatie wel uiterst privacy-gevoelig was; daar staat tegenover dat het om een vermoedelijk kind van de overledene ging met een zwaarwegend persoonlijk belang bij het verkrijgen van deze informatie. Aangenomen moet worden dat ook na lang tijdsverloop een zorgvuldige afweging geboden blijft, waarbij aan de hand van de omstandigheden van het concrete geval wordt nagegaan of bij opheffing van de vertrouwelijkheid van de gegevens aan het privacybelang van de overledene of van diens nabestaanden, dan wel aan het algemene belang van een onbelemmerde toegang tot de hulpverlening, afbreuk kan worden gedaan.

Slotbeschouwing

Ter afsluiting volgt nog een enkele opmerking over de in het begin gestelde vraag of het juist is dat patiëntendossiers in (althans na verloop van tijd) openbare overheidsarchieven terecht komen, zoals kennelijk met het medisch dossier van Theo van Gogh het geval is geweest. Zonder hierop een uitputtend antwoord te willen geven (daarbij moet bijvoorbeeld ook de archiefwetgeving worden betrokken), zou ik tegen de achtergrond van het voorgaande bij overbrenging van dossierbestanden naar zulke archieven een vraagteken willen zetten, voor zover deze leidt tot publieke toegankelijkheid. Dat naar wegen wordt gezocht om medische dossiers van historische waarde zodanig te bewaren dat ze onder bepaalde voorwaarden en restricties voor wetenschappelijk onderzoek beschikbaar zijn, is te begrijpen, gelet op het met zulk onderzoek gemoeide belang. Dat ze na verloop van tijd automatisch openbaar archiefbezit zouden worden, lijkt moeilijker te aanvaarden; kan men er ooit zeker van zijn (men denke bijvoorbeeld aan familiaire en erfelijke ziekten) dat aldus geen afbreuk wordt gedaan aan de bij vertrouwelijkheid van medische gegevens in het geding zijnde belangen?

Literatuur
  1. Voskuil PHA. Het medisch dossier van Theo van Gogh.Ned Tijdschr Geneeskd 1992; 136:1777-80.

  2. Commissie voor de Geschiedenis van de GeestelijkeGezondheidszorg. Notitie betreffende een reglement voor behoud van historischpatiëntendossiers. Utrecht: Nederlands Centrum GeestelijkeVolksgezondheid, 1989.

  3. President Rechtbank Amsterdam, 12 december 1985. TijdschrGezondheidsrecht 1987; 11: 207-8.

  4. Gerechtshof Den Haag, 12 november 1986. TijdschrGezondheidsrecht 1987; 11: 129-31.

  5. Hazewinkel-Suringa D. De doolhof van het beroepsgeheim.Haarlem: Tjeenk Willink, 1959: 95.

  6. Savatier R. Traité de droit médical. Paris:Librairies Techniques 1956: 273-87.

  7. Leenen HJJ. Handboek gezondheidsrecht. Alphen aan denRijn: Samsom, 1988: 201.

  8. Kastelein WR. Het geheim in de gezondheidszorg. In:Beaufort JD De, Dupuis HM, eds. Handboek gezondheidsethiek. Maastricht: VanGorcum, 1988: 243.

  9. Sluyters B. De gezondheidszorg en het strafrecht. Utrecht:Vereniging voor Gezondheidsrecht, 1989: 74.

  10. Rombach J. Prae- en postpersoonlijkheidsrechten enplichten. Weekblad voor Privaatrecht, Notarisambt en Registratie 1963; 94:297-9.

  11. Gerechtshof Den Bosch, 18 september 1991. TijdschrGezondheidsrecht 1989; 13: 505-8.

  12. Rechtbank Breda, 20 juni 1989. Tijdschr Gezondheidsrecht1991; 15: 507-9.

Auteursinformatie

Universiteit van Amsterdam, Instituut voor Sociale Geneeskunde, Meibergdreef 15, 11O5 AZ Amsterdam.

Prof.mr.J.K.M.Gevers, jurist.

Gerelateerde artikelen

Reacties