Incontinentie bij de man

Klinische praktijk
T.A. de Boer
J.P.F.A. Heesakkers
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2008;152:797-5
Abstract
Download PDF

Samenvatting

- Urine-incontinentie bij mannen komt steeds meer onder de aandacht.

- Men kan urine-incontinentie bij de man onderverdelen in opslagincontinentie door overactieve blaasklachten en stressincontinentie door disfunctie van de urethrale sfincter.

- Met de gangbare behandelingen voor overactieve blaas, te weten fysiotherapie, medicamenteuze therapie, injecties botuline A toxine en neuromodulatietechnieken, kunnen tegenwoordig de meeste patiënten goed geholpen worden.

- Doordat steeds meer radicale prostatectomieën worden uitgevoerd vanwege prostaatkanker kan mogelijk iatrogene schade optreden. Deze gaat regelmatig gepaard met stressincontinentie door sfincterzwakte.

- Diverse behandelingsmogelijkheden zijn beschikbaar voor stressincontinentie door sfincterzwakte.

- Naast fysiotherapie bestaat al jaren de artificiële urinaire sfincterprothese.

- Nieuwe therapieën bestaan uit para-urethrale ballonnen en ophangbandjes om de bulbus urethrae; de zogenaamde ‘male slings’. Deze moeten hun bestaansrecht in de komende jaren gaan bewijzen.

Ned Tijdschr Geneeskd. 2008;152:797-802

artikel

Er komt steeds meer aandacht voor urine-incontinentie bij mannen. Hieraan wordt bijgedragen door twee ontwikkelingen. Ten eerste ontstaat door een toename van voornamelijk radicale prostatectomieën vaker iatrogene schade die incontinentie tot gevolg kan hebben. Ten tweede zijn er nieuwe pathofysiologische inzichten over incontinentie bij mannen door een overactieve blaas.

Incontinentieklachten van de lagere urinewegen worden ‘lower urinary tract symptoms’ (LUTS) genoemd. Onder LUTS vallen (a) opslagsymptomen, zoals frequente mictie, nycturie, aandrang en incontinentie; (b) mictiesymptomen, zoals trage stroom, sproeien, hesitatie en nadruppelen; en (c) symptomen na afloop van de mictie, zoals residugevoel en nadruppelen.1 Klachten van een overactieve blaas, waaronder ook ‘urge’-incontinentie valt, maken onderdeel uit van de categorie opslagklachten.1 Naast ‘urge’- en overloopincontinentie komt bij de man in toenemende mate stressincontinentie voor door iatrogene sfincterschade. Stressincontinentie leidt ook tot LUTS, maar is in dit geval een aandoening van het afsluitsysteem.

In dit artikel gaan wij nader in op de oorzaken en de behandeling van zowel incontinentie bij een overactieve blaas als stressincontinentie bij sfincterzwakte.

incontinentie bij een overactieve blaas

Klachten van een overactieve blaas, gedefinieerd als aandrang om te plassen, al dan niet gepaard gaand met urge-incontinentie, frequente mictie (> 8/dag) en nycturie, worden vaak veroorzaakt door blaasdisfunctie zoals overactiviteit of verminderde contractie van de M. detrusor vesicae, obstructie van de blaasuitgang of door een combinatie van beide. Zo kan door deze obstructie relatieve ischemie optreden van de M. detrusor, met detrusoroveractiviteit als gevolg. Daarnaast komen klachten van een overactieve blaas ook vaak voor bij mannen met een neurogene blaasfunctiestoornis. Dit is een functiestoornis van de urineblaas door een letsel van het centrale of perifere zenuwstelsel met als gevolg onderbreking van de reflexbogen op spinaal of cerebraal niveau; daarbij zijn de locatie, de hoogte en de volledigheid bepalend voor de ernst van de klachten.

Voor de medische praktijk betekent dit dat patiënten met neurologische aandoeningen, zoals patiënten met een dwarslaesie en met multiple sclerose (MS), vaak mictieklachten ervaren, waarbij neurogene detrusoroveractiviteit het vaakst voorkomt. Overactieveblaasklachten komen bij 16 van de mannen voor. Dit percentage is hetzelfde als bij vrouwen.2 3 De prevalentie is 3 bij mannen van 40 tot 44 jaar en loopt op tot maximaal 42 bij mannen ouder dan 75 jaar.3 Bij 16 van de mannen gaat een overactieve blaas gepaard met incontinentie.4

behandeling van een overactieve blaas

Conservatieve behandeling

Na aanpassingen van de levensstijl is bekkenfysiotherapie de behandeling van eerste keus met eventueel gebruik van myofeedback of elektrostimulatie. Bij myofeedback krijgt de patiënt door middel van het elektromyogram informatie teruggekoppeld over de mate van contractie van de bekkenbodemspieren. Hierdoor leert de patiënt om de coördinatie van de bekkenbodem te verbeteren, waardoor onder andere minder blaasdisfunctie optreedt. Met rectale elektrostimulatie wordt getracht de bekkenbodemspieren te stimuleren en hierdoor de controle over de bekkenorganen te verbeteren.5

De volgende stap is medicamenteuze behandeling of een combinatie van medicamenteuze behandeling en bekkenfysiotherapie.6

Medicamenteuze behandeling

Tijdens de opslagfase zorgt adrenerge stimulatie van ?-receptoren in de blaaskoepel voor relaxatie en zorgt adrenerge stimulatie van ?-receptoren in blaashals en urethra voor contractie. In de mictiefase wordt de blaas leeggeknepen door cholinerge stimulatie van de gladde spieren van de M. detrusor. Bij de medicamenteuze behandeling van een overactieve blaas blokkeren anticholinergica de gladde spiercellen van de M. detrusor, zodat de (over)activiteit van de M. detrusor tijdens de opslagfase wordt geremd. Tot nu toe is men altijd bang geweest voor het geven van anticholinergica bij mannen die tevens klachten hebben van prostaatobstructie, omdat er een kans bestaat op blaasretentie. De laatste tijd verschijnen steeds meer studies die laten zien dat dit risico gering is.7

Invasieve behandeling

Steeds vaker wordt gebruikgemaakt van injecties botuline A toxine. Op 10-25 plaatsen wordt in de M. detrusor of submucosaal botuline A toxine ingespoten. Het doel is om de gladde blaasspiercellen te verlammen door de acetylcholineafgifte bij de motorische eindplaat te blokkeren. Wellicht is er ook een effect op het sensorische afferente systeem. Deze behandeling is bij 73-86 van de patiënten effectief.8 9 Gemiddeld zijn de injecties 6-9 maanden werkzaam.9 Een bekende bijwerking is voorbijgaande urineretentie die bij ongeveer 10 van de patiënten vóórkomt.

Neuromodulatietechnieken, zoals sacrale zenuwstimulatie en posterieure tibiale zenuwstimulatie, zijn effectief gebleken bij overactieve blaasklachten. Sacrale neuromodulatie zorgt door elektrische stimulatie van de afferente takken van S3 voor inhibitie van M. detrusor, waardoor de symptomen van een overactieve blaas worden onderdrukt. Als tijdens een testfase blijkt dat de patiënt substantieel minder klachten heeft door deze behandeling, wordt een permanente inwendige elektrode geplaatst in het derde sacrale foramen, die verbonden wordt met een geïmplanteerde pulsgenerator. Een afstandsbediening zorgt ervoor dat de patiënt het juiste stimulatieniveau van de pulsgenerator kan bepalen.

Bij stimulatie van de posterieure tibiale zenuw wordt een dunne naald boven de enkel dicht bij de N. tibialis posterior ingebracht, die vervolgens wordt gestimuleerd. De N. tibialis posterior geeft ter hoogte van het bekken zijn signalen door aan de sacrale zenuwen die mede betrokken zijn bij de aansturing van de blaas. Deze behandeling duurt wekelijks circa 30 minuten en vindt gedurende 12 weken plaats. Ze kan worden herhaald indien bij een succesvolle behandeling na enige tijd het gewenste effect verdwijnt.10 Zenuwstimulatietechnieken geven bij ongeveer 50-70 van de patiënten een positief effect.10

Als laatste behandelmethode bestaat de mogelijkheid tot een blaasvergroting, een blaasvervanging of een urinedeviatie. Deze methode wordt de laatste jaren steeds minder toegepast door het succes van de nieuwe therapieën.

stressincontinentie bij sfincterzwakte

Sfincterzwakte komt bijna uitsluitend voor door iatrogeen ingrijpen, vooral na radicale prostatectomie. Transurethrale resectie van de prostaat en retropubische adenomectomie vinden plaats bij LUTS die veroorzaakt wordt door blaasuitgangsobstructie. Studies laten zien dat 0-2 van de mannen na een transurethrale resectie van de prostaat incontinent is.11 12

Uit een recente studie is gebleken dat direct na een retropubische adenomectomie 16,7 van de mannen incontinent is.13 In eerdere studies wordt gevonden dat na een dergelijke operatie bij 0,4-1 late incontinentie (> 2 maanden postoperatief) aanwezig is.14-16

Oorzaken van incontinentie na een radicale prostatectomie wegens prostaatkanker zijn: onvoldoende contractiekracht van de externe sfincter, zenuwletsel dat disfunctie van de sfincter veroorzaakt, en de aanleg van een anastomose tussen blaas en urethra. Dit laatste kan leiden tot urinelekkage, waardoor toegenomen fibrosering van het anastomosecomplex ontstaat. Deze kan vervolgens weer leiden tot blaashalsstricturen. Als het sfinctercomplex ook bij de fibrosering betrokken is, kunnen verminderde contractie en dus zwakte van de sfincter ontstaan.

Laparoscopische radicale prostatectomie zou kunnen leiden tot betere postoperatieve functionele resultaten. Vanwege het betere zicht op het operatiegebied zou men een betere anastomose met minder zenuwschade bereiken. Dit wordt in grote onderzoeken echter nog niet overtuigend aangetoond. De gerapporteerde incontinentiepercentages 3 maanden na open radicale prostatectomie bedragen 38-42 en na laparoscopische radicale prostatectomie 50-70.17 18 In de regel vermindert de incontinentie tijdens het eerste jaar na operatie. Het percentage incontinentie bij open radicale prostatectomie is 10-20 na één jaar,19 20 en 7-17 na 2 jaar.17 Het gemiddelde percentage incontinentie na een jaar bij laparoscopische radicale prostatectomie is ongeveer 16.18 21-23

Er is nauwelijks vergelijkend onderzoek uitgevoerd naar open versus laparoscopische radicale prostatectomieën. In een recent vergelijkend onderzoek wordt bij een open procedure 13 sfincterincontinentie gevonden na een jaar ten opzichte van 17 na laparoscopische radicale prostatectomie.24

conservatieve behandeling van stressincontinentie bij sfincterzwakte

Voor conservatieve behandeling van stressincontinentie bij sfincterzwakte is er keuze uit verschillende mogelijkheden.

Opvangmaterialen

Er zijn momenteel zoveel opvangmaterialen beschikbaar dat bij het kiezen ervan deskundige hulp van een incontinentieverpleegkundige gewenst is. Zo zijn er absorberende materialen, in diverse maten en vormen. De opnamecapaciteit en de geurneutralisatie van het opvangmateriaal zijn de laatste jaren overigens veel verbeterd.

Condoomkatheters zijn effectief voor urineopvang bij de man. Afhankelijk van de patiënt zijn bevestigingshulpmiddelen soms noodzakelijk. Een penisklem wordt net achter de glans penis aangebracht waardoor de urethra wordt dichtgeknepen. De klem dient verwijderd te worden vóór de mictie. Complicaties zijn drukplekken en ischemie van de penishuid.

Fysiotherapie

Met bekkenbodemfysiotherapie bij sfincterincontinentie leert de patiënt de bekkenbodemspieren te contraheren en de coördinatie te verbeteren. Ook is het actief aanspannen van de bekkenbodemspieren bij toename van de intra-abdominale druk onderdeel van de training.25 Na 3 maanden bekkenbodemfysiotherapie is 88 van de mannen met incontinentie na een open radicale prostatectomie continent, ten opzichte van 56 in de controlegroep.25 Degenen met fysiotherapie bereikten eerder hun uiteindelijke continentiestatus dan degenen zonder.

Uit een cochrane-review uit 2004 blijkt geen verschil tussen de verschillende vormen van fysiotherapie; de effectiviteit op langere termijn is niet doorslaggevend aangetoond.26

medicamenteuze behandeling van stressincontinentie bij sfincterzwakte

Duloxetine is een serotonine- en noradrenalineheropnameremmer waarvan een gunstig effect is aangetoond bij stressincontinentie. Van alle mannen met incontinentie na een radicale prostatectomie, was 9 weken na aanvang van behandeling met duloxetine 35 continent.27 Echter, 30 van deze mannen stopte met het gebruik van het middel vanwege misselijkheid en slaperigheid. In Nederland is duloxetine niet geregistreerd als geneesmiddel voor stressincontinentie.

invasieve behandeling van stressincontinentie bij sfincterzwakte

De vigerende operatieve behandelingen voor stressincontinentie bij mannen zijn bulkinjecties in de submucosa van de blaashals, het plaatsen van suburethrale ophangbandjes die compressie op de bulbus urethrae geven (‘male slings’), het plaatsen van para-urethrale ballonnen en de artificiële urinaire sfincterprothese. Hieronder zullen deze therapieën afzonderlijk uitgebreid worden besproken. De therapieën zijn opeenvolgend invasiever en effectiever, maar ook de kans op complicaties wordt groter. Daarom worden de meer invasieve therapieën gereserveerd voor de ernstige gevallen van urineverlies. De meeste literatuur over effectiviteit van de behandeling van sfincterzwakte bij mannen bestaat uit bewijs van niveau 3, dit wil zeggen retrospectieve patiënt-controlestudies of kwalitatief goede studies over groepen patiënten (http://www.cebm.net/?o=1025).

Bulkinjecties

Bij bulkinjecties worden partikels samen met een bulkdrager bij mannen via een cystoscoop toegediend. Bulkinjecties verhogen de weerstand ter hoogte van de externe urethrale sluitspier en werken daardoor obstructief. Tegenwoordig wordt vooral gebruikgemaakt van groot-moleculaire partikels om migratie door fagocytose door macrofagen te voorkomen. Bulkinjecties hebben meer zin bij patiënten die incontinent zijn na een transurethrale resectie van de prostaat dan bij patiënten na een open prostatectomie.28 29 De International Consultation on Incontinence, het door de WHO ondersteunde adviesorgaan van de International Continence Society, concludeert dat bulkinjectie de minst invasieve behandeling is bij mannen, maar dat de succespercentages beperkt zijn. Daarnaast verslechteren de resultaten in de loop van de tijd.30 De huidige generatie bulkinjecties lijkt niet erg geschikt voor de behandeling van incontinentie na een radicale prostatectomie.

Male slings

De ophangbandjes of male slings werken volgens een ander principe dan de bandjes die gebruikt worden bij vrouwen met stressincontinentie. Deze laatste dienen om de hypermobiele urethra te stabiliseren. Bulbo-urethrale bandjes bij mannen beogen voldoende compressie te geven op de bulbus urethrae, terwijl mictie nog steeds mogelijk blijft. In Nederland zijn momenteel enkele van deze bandjes verkrijgbaar.

De bulbo-urethrale sling van het merk Argus (Promedon SA; Cordoba, Argentinië) bestaat uit een kussentje van siliconen dat tegen de bulbus urethrae drukt door middel van twee retropubisch geplaatste strips. Deze bandjes worden ventraal van de rectusfascie aan elkaar bevestigd en trekken zo het siliconenkussentje tegen de bulbus urethrae (figuur a).

De Invance-sling (AMS; Minnetonka, VS) wordt middels een aantal botschroeven aan de ramus inferior van het os pubis bevestigd (zie figuur b en c). Na plaatsing hiervan zou 66-73 van de patiënten continent zijn, terwijl 10-16 van de patiënten slechts één inlegger per dag nodig heeft.31 32 Beschreven complicaties van beide systemen zijn pijnklachten, erosie van de band door de bulbus urethrae, infectie en moeite met het vinden van het juiste obstructieniveau.

Para-urethrale ballonnen

Een van de systemen waarbij gebruikt wordt gemaakt van para-urethrale ballonen is ProAct (Uromedica Inc.; Plymouth, VS). Hierbij worden 2 siliconenballonnen van maximaal 8 ml inhoud percutaan vanuit het perineum aan beide zijden van de blaashals geplaatst (zie figuur d). Het doel van de ballonnen is voldoende bilaterale compressie te geven ter hoogte van de blaashals, zodat het evenwicht tussen continentie en spontane mictie wordt hersteld. Aan de ballonnen zijn siliconenslangen bevestigd met een injectiepoort die onder de scrotumhuid worden geplaatst. Deze kunnen percutaan worden aangeprikt en zo kan het volume van de ballonnen worden aangepast. Na plaatsing van de ballonnen heeft 65-80 van de patiënten nog maar maximaal één inlegger per dag nodig.33 34 De belangrijkste complicaties na het plaatsen zijn perforaties van urethra of blaas, urineretentie, erosie door de urethra en migratie van de ballonnen naar het gebied onder de bekkenbodem.

Artificiële urinaire sfincterprothese

De artificiële urinaire sfincterprothese bestaat al 30 jaar en geldt als de effectiefste behandeling. Bij deze methode wordt een manchet om de bulbus urethrae aangebracht. Als de manchet gevuld is met vloeistof drukt deze de urethra dicht. In het scrotum wordt een pompje geplaatst waarmee men de vloeistof van de manchet naar een reservoir kan verplaatsen wanneer men moet plassen. Het reservoir is geplaatst onder de M. rectus abdominus (zie figuur e). De manchet werkt als een natuurlijke sluitspier die de urethra samenknijpt om de blaas af te sluiten. Tijdens de operatie moet de chirurg beslissen welke maat manchet en reservoir hij of zij gaat plaatsen. Een bijstelling is daarna slechts door een nieuwe operatie mogelijk. Van de patiënten die na een prostatectomie met incontinentie kampen, gebruikt 90 na het plaatsen van een sfincterprothese hooguit 1 inlegger per dag.35 De voornaamste complicaties zijn infectie van de artificiële urinaire sfincterprothese en erosie door de bulbus urethrae. De prothese moet dan worden verwijderd.36 37 Een nadeel van de artificiële urinaire sfincterprothese is dat er mechanische haperingen op kunnen treden, waardoor een operatieve revisie nodig is.38

Als bovenstaande therapieën niet afdoende zijn, is een laatste mogelijkheid het aanleggen van een katheteriseerbare neoblaas van dunne darm of een urostoma volgens Bricker.

conclusie

Het is duidelijk geworden dat incontinentie of LUTS bij mannen ook bestaan uit incontinentie door een overactieve blaas. Met de gangbare behandelingen voor een overactieve blaas kunnen wij tegenwoordig de meeste mannelijke patiënten goed helpen; het gaat daarbij om fysiotherapie, medicamenteuze therapie, injecties met botuline A toxine en neuromodulatietechnieken.

Stressincontinentie door iatrogene sfincterzwakte komt de laatste jaren meer voor. In het verleden was het gebruik van opvangmateriaal of het plaatsen van een artificiële urinaire sfincterprothese de enige behandelingsoptie. Tegenwoordig wordt eerder gestart met bekkenbodemspieroefeningen. Daarnaast zijn er nieuwe operatieve therapieën.

Uitgangspunt voor de keuze van de behandeling is dat de niet-invasieve therapieën de voorkeur krijgen en dat de invasievere therapieën later in beeld komen en worden gereserveerd voor de meer ernstige vormen van incontinentie vanwege toenemende kans op ernstige complicaties. Doordat niet-invasieve en minimaal invasieve therapieën een verdere behandeling niet in de weg staan, kunnen ze functioneren als opstaptherapie. Indien het effect dan niet bevredigend is, kan alsnog besloten worden tot het plaatsen van een artificiële urinaire sfincterprothese. Zo bespaart men ook op de kosten.

Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: geen gemeld.

Literatuur
  1. Chapple CR, Roehrborn CG. A shifted paradigm for the further understanding, evaluation, and treatment of lower urinary tract symptoms in men: focus on the bladder. J Eur Urol. 2006;49:651-8.

  2. Abrams P, Cardozo L, Fall M, Griffiths D, Rosier P, Ulmsten U, et al. The standardisation of terminology in lower urinary tract function: report from the standardisation sub-committee of the International Continence Society. Urology. 2003;61:37-49.

  3. Milsom I, Abrams P, Cardozo L, Roberts RG, Thüroff J, Wein AJ. How widespread are the symptoms of an overactive bladder and how are they managed? A population-based prevalence study. BJU Int. 2001;87:760-6.

  4. Temml C, Heidler S, Ponholzer A, Madersbacher S. Prevalence of the overactive bladder syndrome by applying the international continence society definition. Eur Urol. 2005;48:622-7.

  5. Messelink EJ, Bemelmans BLH, Groot JAM, Gisolf KWH, Vervest HAM, Berghmans LCM, et al. Richtlijn Urge en urge-incontinentie. Commissie Kwaliteit van de Nederlandse Vereniging voor Urologie (NVU). Utrecht: NVU; 2002.

  6. Madersbacher H. Oral anticholinergics in overactive bladder. Urologe A. 2006;45:830-4.

  7. Kaplan SA, Roehrbohn CG, Rovner ES, Carlsson M, Bavendam T, Guan Z. Tolterodine and tamsulosin for treatment of men with lower urinary tract symptoms and overactive bladder: a randomized controlled trial. JAMA. 2006;296:2319-28.

  8. Kuo HC. Urodynamic evidence of effectiveness of botulinum A toxin injection in treatment of detrusor overactivity refractory to anticholinergic agents. Urology. 2004;63:868-72.

  9. Schmid DM, Sauermann P, Werner M, Schuessler B, Blick N, Muentener M, et al. Experience with 100 cases treated with botulinum-A toxin injections in the detrusor muscle for idiopatic overactive bladder syndrome refractory to anticholinergics. J Urol. 2006;176:177-85.

  10. Pal F van der, Balken MR van, Heesakkers JP, Debruyne FM, Bemelmans BL. Percutaneous tibial nerve stimulation in the treatment of refractory overactive bladder syndrome: is maintenance treatment necessary? BJU Int. 2006;97:547-50.

  11. Soliman SA, Wadie BS, Ibrahim el-He, Shehab el-Dein AB. Rotoresection versus transurethral resection of the prostate: short-term evaluation of a prospective randomized study. J Urol. 2007;177:1036-9.

  12. Seki N, Tatsugami K, Naito S. Holmium laser enucleation of the prostate: comparison of outcomes according to prostate size in 97 Japanese patients. J Endourol. 2007;21:192-6.

  13. Filiadis I, Adamopoulos V, Konstandinidis E. Modification of retropubic adenomectomy: improved hemostasis and outcome. Int Urol Nephrol. 2007;39:169-72.

  14. Meier DE, Tarpley JL, Imediegwu OO, Olaolorun DA, Nkor SK, Amao EA, et al. The outcome of suprapubic prostatectomy: a contemporary series in the developing world. Urology. 1995;46:40-4.

  15. Condie JD, Cutherell L, Mian A. Suprapubic prostatectomy for benign prostatic hyperplasia in rural Asia: 200 consecutive cases. Urology. 1999;54:1012-6.

  16. Serretta V, Morgia G, Fondacaro L, Curto G, lo Bianco A, Pirritano D, et al. Open prostatectomy for benign prostatic enlargement in Southern Europe in the late 1990s: a contemporary series of 1800 interventions. Sicilian-Calabrian Society of Urology. Urology. 2002;60:623-7.

  17. Sacco E, Prayer-Galetti T, Pinto F, Fracalanza S, Betto G, Pagano F, et al. Urinary incontinence after radical prostatectomy: incidence by definition, risk factors and temporal trend in a large series with a long-term follow-up. BJU Int. 2006;97:1234-41.

  18. Egawa S, Kuruma H, Suyama K, Iwamura M, Baba S. Delayed recovery of urinary continence after laparoscopic radical prostatectomy. Int J Urol. 2003;10:207-12.

  19. Eastham JA, Kattan MW, Rogers E, Goad JR, Ohori M, Boone TB, et al. Risk factors for urinary incontinence after radical prostatectomy. J Urol. 1996;156:1707-13.

  20. Geary ES, Dendinger TE, Freiha FS, Stamey TA. Incontinence and vesical neck strictures following nerve-sparing radical retropubic prostatectomy. Urology. 1995;45:1000-6.

  21. Lepor H, Kaci L. The impact of open radical retropubic prostatectomy on continence and lower urinary tract symptoms: a prospective assessment using validated self-administered outcome instruments. J Urol. 2004;171:1216-9.

  22. Guillonneau B. Cathelineau X, Doublet JD, Baumert H, Vallancien G. Laparoscopic radical prostatectomy; assessment after 550 procedures. Crit Rev Oncol Hematol. 2002;43:123-33.

  23. Salomon L, Anastasiadis AG, Katz R, de la Taille A, Saint F, Vordos D, et al. Urinary incontinence and erectile function: a prospective evaluation of functional results after radical laparoscopic prostatectomy. Eur Urol. 2002;42:338-43.

  24. Jacobsen NE, Moore KN, Estey E, Voaklander D. Open versus laparoscopic radical prostatectomy: a prospective comparison of postoperative urinary incontinence. J Urol. 2007;177:615-9.

  25. Kampen M van, Weerdt W de, Poppel H van, Ridder D de, Feys H, Baert L. Effect of pelvic-floor re-education on duration and degree of incontinence after radical prostatectomy: a randomised controlled trial. Lancet. 2000;355:98-102.

  26. Hunter KF, Moore KN, Cody DJ, Glazener CM. Conservative management for postprostatectomy urinary incontinence Cochrane review. Cochrane Database Syst Rev. 2004;(2):CD001843.

  27. Schlenker B, Gratzke C, Reich O, Schorsch I, Seitz M, Stief CG. Preliminary results on the off-label use of duloxetine for the treatment of stress incontinence after radical prostatectomy or cystectomy. Eur Urol. 2006;46:1075-8.

  28. Smith DN, Appell RA, Rackley RR, Winters JC. Collagen injection therapy for post-prostatectomy incontinence. J Urol. 1998;160:364-7.

  29. Imamoglu MA, Tuygun C, Bakirtas H, Yigitbasi O, Kiper A. The comparison of artificial urinary sphincter implantation and endourethral macroplastique injection for the treatment of postprostatectomy incontinence. Eur Urol. 2005;47:209-13.

  30. Abrams P, Cardozo L, Khoury S, Wein A, editors. Surgical treatment of urinary incontinence in men. Incontinence. Vol 2. Parijs: Health Publication; 2005.

  31. Comiter CV. The male perineal sling: intermediate-term results. Neurourol Urodyn. 2005;24:648-53.

  32. Romano SV, Metrebian SE, Vaz F, Muller V, D’Ancona CA, Costa DE, et al. An adjustable male sling for treating urinary incontinence after prostatectomy: a phase III multicentre trial. BJU Int. 2006;97:533-9.

  33. Hübner WA, Schlarp OM. Treatment of incontinence after prostatectomy using a new minimally invasive device: adjustable continence therapy. BJU Int. 2005;96:587-94.

  34. Trigo-Rocha F, Gomes CM, Pompeo AC, Lucon AM, Arap S. Prospective study evaluating efficacy and safety of adjustable continence therapy (ProAct) for post radical prostatectomy urinary incontinence. Urology. 2006;67:965-9.

  35. Hussain M, Greenwell TJ, Venn SN, Mundy AR. The current role of the artificial urinary sphincter for the treatment of urinary incontinence. J Urol. 2005;174:418-24.

  36. O’Connor RC, Nanigian DK, Patel BN, Guralnick ML, Ellision LM, Stone AR. Artificial urinary sphincter placement in elderly men. Urology. 2007;69:126-8.

  37. Lai HH, Hsu EI, Teh BS, Butler EB, Boone TB. 13 years of experience with artificial urinary sphincter implantation at Baylor College of Medicine. J Urol. 2007;177:1021-5.

  38. Maillet F, Buzelin JM, Bouchot O, Karam G. Management of artificial urinary sphincter dysfunction. Eur Urol. 2004;46:241-5.

Auteursinformatie

Universitair Medisch Centrum St Radboud, afd. Urologie, Postbus 9101, 6500 HB Nijmegen

Mw.T.A.de Boer, arts-onderzoeker; hr.dr.J.P.F.A.Heesakkers, uroloog.

Contact hr.dr.J.P.F.A.Heesakkers (j.heesakkers@uro.umcn.nl)

Gerelateerde artikelen

Reacties