Idiopathische pulmonale fibrose: nieuwe inzichten

Klinische praktijk
Jitske W. Kraan
Bernt van den Blink
Leon M. van den Toorn
Paul Bresser
Frouke T. van Beek
Jan C. Grutters
Marlies S. Wijsenbeek
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2015;159:A8148
Abstract
Download PDF

Samenvatting

  • Idiopathische pulmonale fibrose (IPF) is een chronische en progressieve longziekte zonder duidelijke oorzaak.
  • De prognose van IPF is slecht met een gemiddelde levensverwachting van 2-5 jaar na het stellen van diagnose.
  • Het diagnostisch proces is vaak complex en multidisciplinaire samenwerking is hierbij essentieel.
  • Tot op heden bestaat er geen genezende therapie, behalve longtransplantatie.
  • Nieuwe inzichten in de pathogenese hebben tot veranderingen in de standaardtherapie geleid.
  • Daarnaast zijn er sinds kort nieuwe geneesmiddelen die bewezen hebben de achteruitgang in longfunctie aanzienlijk te vertragen en de overleving te verbeteren.
Leerdoelen
  • Idiopathische pulmonale fibrose (IPF) is een specifieke, snel progressieve vorm van longfibrose met een gemiddelde overleving van 2-5 jaar na het stellen van diagnose.
  • Er bestaat geen genezende behandeling voor patiënten met IPF, behalve longtransplantatie.
  • Recente richtlijnen benadrukken het belang van een tijdige, in multidisciplinair verband gestelde diagnose voor IPF-patiënten.
  • Behandeling met pirfenidon of nintedanib laat voor het eerst een remmend effect op de achteruitgang in longfunctie zien; pirfenidon is al beschikbaar voor de behandeling van IPF-patiënten.

Een 59-jarige leraar wiskunde wordt door de huisarts verwezen naar de polikliniek Longziekten vanwege sinds een half jaar toenemende kortademigheid bij inspanning en hoesten. Behandeling met antibiotica, prednison en inhalatiemedicatie had geen effect. Hij is tot nu toe altijd gezond geweest en gebruikt geen medicatie. Hij heeft in het verleden 10 pakjaren gerookt, maar is 14 jaar geleden gestopt. In zijn familie komen geen ziekten voor behalve hart- en vaatziekten. Bij lichamelijk onderzoek valt op dat hij beginnende horlogeglasnagels heeft. Daarnaast worden over de basale longvelden fijne inspiratoire crepitaties gehoord. Bij longfunctieonderzoek zijn de longvolumina niet-afwijkend en zijn er geen aanwijzingen voor luchtwegobstructie; wel is er een licht gestoorde diffusie. Op de thoraxfoto wordt minimale streperigheid paracardiaal gezien. De hogeresolutie-CT-scan (HRCT-scan) laat predominant basaal subpleurale reticulatie zien met daarbij honingraatafwijkingen (‘honeycombing’). Zowel klinisch als serologisch zijn er geen aanwijzingen voor onderliggende systeemziekten. Daarop wordt in een multidisciplinair overleg de diagnose ‘idiopathische pulmonale fibrose’ gesteld.

Idiopathische pulmonale fibrose (IPF) is de meest voorkomende vorm van idiopathische interstitiële pneumonie. Bij IPF staat fibrosering van het longweefsel centraal; de oorzaak ervan is onbekend. De ziekte heeft meestal een snel progressief beloop met een mediane overleving van 2-5 jaar na het stellen van de diagnose.1,2 Behalve longtransplantatie bestaat er geen genezende therapie. Het diagnosticeren van IPF is vaak complex en wordt verricht door een multidisciplinair team.

IPF komt met name voor bij mensen boven de 50 jaar. Er bestaan geen Nederlandse incidentie- en prevalentiecijfers, maar op basis van buitenlandse cijfers komen wij tot een prevalentieschatting van 2000-3500 patiënten met IPF in Nederland, waarbij de incidentie lijkt toe te nemen.3

Door de aspecifieke symptomen en de zeldzaamheid wordt IPF vaak onvoldoende of laat herkend en vindt niet altijd de juiste behandeling plaats. Ook kan dit ertoe leiden dat patiënten te laat worden verwezen voor longtransplantatie, wat gerelateerd is aan een hogere mortaliteit, onafhankelijk van de ernst van de ziekte.4 Negatieve resultaten van studies met immunosuppressieve therapieën gecombineerd met nieuwe inzichten in de pathogenese hebben ertoe geleid dat onderzoek zich steeds meer heeft gericht op middelen die de fibrosevorming remmen. Behandeling met immunosuppressiva is obsoleet geworden.5 Sinds april 2014 is er voor het eerst een middel op de markt in Nederland, pirfenidon, waarvan een remmend effect op de ziekteprogressie is aangetoond.6 Een tweede middel, nintedanib, wordt verwacht.7

In dit artikel wordt een overzicht gegeven van de nieuwe ontwikkelingen op het gebied van diagnostiek en behandeling van patiënten met IPF. Hiermee hopen wij snellere herkenning te bevorderen en inzicht te geven in de huidige therapeutische mogelijkheden. De zoekstrategie naar relevante literatuur is te vinden in het supplement.

Klinische presentatie

De ziekte komt meestal tot uiting tussen het 60e en 80e levensjaar en komt vaker voor bij mannen.1 De klachten bij IPF zijn aspecifiek, zoals vermoeidheid, verminderde inspanningstolerantie, kortademigheid en hoesten. Bij een meerderheid van de patiënten worden zogenaamde ‘klittenbandcrepitaties’ over de onderste longvelden gehoord. Bij ongeveer een kwart van de patiënten worden trommelstokvingers en horlogeglasnagels gezien (figuur 1).8 Bij verder gevorderde ziekte moet men alert zijn op hypoxemie en het ontwikkelen van pulmonale hypertensie.

Longfunctieonderzoek bij patiënten met IPF laat een volumerestrictie zien met een gestoorde gaswisseling; de longvolumina kunnen echter ook niet-afwijkend zijn. Over het algemeen is er geen luchtwegobstructie.

Pathogenese

De pathogenese van IPF is nog niet opgehelderd. Aanvankelijk werd gedacht dat IPF vooral veroorzaakt werd door een ontstekingsproces. De laatste jaren zijn er steeds meer aanwijzingen dat de ziekte het resultaat is van een gestoord reparatiemechanisme in reactie op exogeen geïnduceerde schade. Er wordt gedacht dat factoren zoals roken, medicatie, het al dan niet beroepsmatig inademen van schadelijke stoffen, chronische aspiratie en infecties leiden tot alveolaire schade. De wondgenezing door alveolaire cellen type II schiet tekort door een combinatie van celveroudering en waarschijnlijk genetische predispositie. Een verstoord reparatiemechanisme leidt tot proliferatie en accumulatie van fibroblasten en myofibroblasten en depositie van extracellulaire matrixeiwitten. Dit resulteert in de voor IPF kenmerkende onherstelbare en progressieve fibrose.9

Diagnostiek

IPF wordt histopathologisch en/of radiologisch gekarakteriseerd door een patroon van ‘usual interstitial pneumonia’ (UIP). Dit patroon wordt gekenmerkt door reticulaire afwijkingen met een subpleurale en basale predominantie, honeycombing met of zonder tractiebronchiëctasieën, en de afwezigheid van andere uitingen van interstitiële longziekten.

Beeldvormend onderzoek speelt een centrale rol in de diagnostiek van patiënten met IPF. De thoraxfoto kan bilateraal diffuse, reticulaire afwijkingen tonen, met een voorkeur voor de basale en perifere longdelen. Een niet-afwijkende thoraxfoto sluit IPF echter niet uit. Om een UIP-patroon vast te stellen is HRCT noodzakelijk (figuur 2). De aanwezigheid van een UIP-patroon op HRCT heeft een hoge positief voorspellende waarde op het vinden van een UIP-patroon bij histopathologisch onderzoek (figuur 3).1

Een UIP-patroon is echter niet specifiek voor IPF en kan ook gezien worden bij medicatiegebruik, omgevingsgebonden exposities of auto-immuunziekten.1 Een mogelijk onderliggende oorzaak voor de ziekte dient dan ook te worden uitgesloten door het afnemen van een systematische anamnese, en het verrichten van lichamelijk onderzoek en eventueel aanvullend onderzoek.

Een bronchoalveolaire lavage (BAL) is geen standaardonderdeel meer van de diagnostiek. De belangrijkste indicatie om een BAL te verrichten is het uitsluiten van een chronische extrinsieke allergische alveolitis bij een atypische uitslag van het HRCT-onderzoek.1

Om een mogelijke onderliggende auto-immuunziekte uit te sluiten wordt serologisch onderzoek aanbevolen, dat bestaat uit het testen op de aanwezigheid van reumafactoren, anti-cyclische gecitrullineerde peptiden(CCP)-antistoffen, en antinucleaire antistoffen (ANA) en extraheerbaar nucleair antigeen (ENA).

De combinatie van de klinische presentatie, de uitslagen van het bloedonderzoek en eventueel van de BAL, en de aanwezigheid van een UIP-patroon op de HRCT-scan is voldoende om de diagnose ‘IPF’ te stellen (figuur 4). Als de HRCT geen typisch UIP-patroon laat zien of als het klinisch beeld atypisch is en aanvullend onderzoek geen diagnose oplevert, kan een chirurgisch longbiopt uitsluitsel geven.

Voor het stellen van de diagnose ‘IPF’ wordt een multidisciplinair overleg tussen longartsen, radiologen en pathologen aanbevolen.1 In de praktijk is het nemen van een chirurgisch longbiopt niet altijd mogelijk of wenselijk bij deze oudere patiëntengroep. Door exclusie van andere vormen van interstitiële longziekten en gebruik te maken van epidemiologische gegevens kan een ervaren groep in een multidisciplinair overleg komen tot de waarschijnlijkheidsdiagnose ‘IPF’.1 Als er geen multidisciplinair overleg kan plaatsvinden in het eigen ziekenhuis of als er onvoldoende ervaring is met het ziektebeeld, wordt aanbevolen de patiënt naar een gespecialiseerd centrum te verwijzen.10

Behandeling

Niet werkzaam gebleken behandelingen

Uit klinisch onderzoek is naar voren gekomen dat een aantal therapieën niet werkzaam is voor patiënten met IPF.

Immuunsuppressie en antioxidanten Tot een aantal jaar geleden bestond de standaardtherapie van patiënten met IPF uit de combinatie van prednison, azathioprine en N-acetylcysteïne. Dit was gebaseerd op niet-placebogecontroleerd onderzoek.11 Recent onderzoek waarin deze combinatietherapie werd afgezet tegen placebo, werd afgebroken vanwege een hogere mortaliteit, meer ziekenhuisopnames en ernstigere bijwerkingen in de behandelde groep.5 Ook is er geen plaats voor monotherapie met een hoge dosering glucocorticoïden.12

De hypothese dat een disbalans in oxidanten en antioxidanten bijdraagt aan de pathogenese van IPF werd onderzocht in een trial. Het gebruik van N-acetylcysteïne toonde na 60 weken geen significant verschil in geforceerde vitale capaciteit (FVC) en sterfte vergeleken met placebo.13

Werkzaam gebleken behandelingen

Er zijn twee geneesmiddelen die in onderzoek wel werkzaam zijn gebleken.

Pirfenidon Het precieze werkingsmechanisme van pirfenidon is nog niet opgehelderd, maar het middel heeft antifibrotische, anti-inflammatoire en antioxidatieve eigenschappen. Het is op dit moment in Europa geregistreerd voor de behandeling van patiënten met IPF. Het gebruik van pirfenidon is onderzocht in meerdere studies bij patiënten met lichte tot matige IPF, wat wordt gedefinieerd als een FVC ≥ 50% en een diffusie ≥ 30%.14

Resultaten van deze eerdere studies werden in een recent gepubliceerde studie bevestigd, waarin 555 patiënten werden gerandomiseerd om 52 weken pirfenidon of placebo te krijgen.6 Vergeleken met de placebogroep was er na 52 weken in de pirfenidongroep een significante vermindering van 47,9% in het aantal patiënten met een absolute achteruitgang in FVC ≥ 10%. Daarnaast was er een relatieve toename (132,5%) in het aantal patiënten dat stabiel bleef. Na 52 weken had de pirfenidongroep gemiddeld 140 ml minder achteruitgang in longfunctie (FVC), een relatieve reductie in achteruitgang van 53,5% (p < 0,0001) en een voor patiënten klinische relevante reductie.15 Er werd geen significant verschil gezien in de vermindering van dyspneu. Voor een mortaliteitsanalyse werden de resultaten van deze en eerdere onderzoeken samengevoegd. Hierbij werd een significante reductie in mortaliteit gezien ten gunste van pirfenidon, zowel als direct gevolg van IPF als door andere doodsoorzaken.6

De bijwerkingen van pirfenidongebruik bestaan uit gastro-intestinale klachten, fotosensitiviteit, huiduitslag, vermoeidheid en – zeldzamer – leverenzymstoornissen. Van de patiënten in de pirfenidongroep stopte 14,4% met de medicatie vanwege bijwerkingen vergeleken met 10,8% in de placebogroep. De bijwerkingen waren steeds reversibel.

Nintedanib De drievoudige tyrosinekinaseremmer nintedanib (BIBF 1120) remt de groeihormoonreceptoren van fibroblasten (‘fibroblast growth factor receptor’, FGFR), trombocyten (‘platelet-derived growth factor receptor’, PDGFR) en vasculair endotheel (‘vascular endothelial growth factor receptor’, VEGFR). Daardoor wordt ook de activiteit van fibroblasten geremd. In 2 fase 3-studies werden in totaal 1066 patiënten met lichte tot matige IPF gerandomiseerd tussen behandeling met nintedanib of placebo gedurende 52 weken.7 In beide studies werd in de nintedanibgroep een significant verminderde achteruitgang in longfunctie gezien. De 1e studie toonde een verlies in FVC op jaarbasis van 114,7 ml in de behandelde groep versus 239,9 ml in de placebogroep (p < 0,001). De 2e studie liet een verlies in FVC zien van respectievelijk 113,6 en 207,3 ml (p < 0,001).15 Dit zijn voor patiënten klinisch relevante verschillen. In beide studies werd geen significant verschil gevonden in gezondheidsgerelateerde scores van kwaliteit van leven.

De meest voorkomende bijwerking van nintedanib is diarree. Van de patiënten die nintedanib gebruikten stopte 18% vanwege bijwerkingen vergeleken met 16% in de placebogroep.7

Bij het voorschrijven van deze therapieën is het belangrijk om met de patiënt een afweging te maken tussen de potentiële bijwerkingen en effecten, en de balans hiervan continu te evalueren.

Niet-medicamenteuze therapie

Naast medicamenteuze therapie is er ook de mogelijkheid longtransplantatie toe te passen of ondersteunende therapie aan te bieden in de vorm van zuurstoftherapie, educatie en palliatieve zorg.

Longtransplantatie Op dit moment is longtransplantatie de enige genezende behandeling voor patiënten met IPF. Er is echter sprake van een hoge sterfte onder deze patiëntengroep op de Nederlandse transplantatiewachtlijst. In een retrospectieve Nederlandse studie werd aangetoond dat in de periode 1989-2010 ongeveer 30% van de patiënten met IPF op de wachtlijst overleed.4 Sinds april 2014 is een nieuw donorlongtoewijzingssysteem ingevoerd op basis van de longallocatiescore. Hierdoor wordt een hogere prioriteit gegeven aan kandidaten die het dringendst behoefte hebben aan longtransplantatie. Er is echter nog steeds een groot tekort aan donororganen. In het buitenland is dit systeem al langer ingevoerd en wordt een lagere wachtlijststerfte onder patiënten met IPF gezien.16

Ondersteunende therapie Dyspneu, hoesten en vermoeidheid zijn belangrijke beperkende factoren bij patiënten met IPF en deze klachten zijn vaak moeilijk te behandelen. Hiervoor bestaan geen goede, wetenschappelijk onderbouwde therapieën. Longrevalidatie bij IPF-patiënten toont verbeteringen in kwaliteit van leven en de 6-minutenlooptest.17 Vrijwel alle patiënten met IPF hebben uiteindelijk zuurstoftherapie nodig, aanvankelijk eerst bij inspanning maar later ook in rust. Tot nu toe is overigens nog niet wetenschappelijk aangetoond dat zuurstof de inspanningstolerantie en overleving bij deze patiënten verbetert, zoals wel gebeurt bij COPD-patiënten. Een retrospectieve studie laat zien dat chronische zuurstoftherapie bij patiënten met interstitiële longziekten een verbetering geeft van de 6-minutenlooptest en dyspneuscore.18

Daarnaast is goede voorlichting essentieel, gezien de onbekendheid van de ziekte in combinatie met de slechte prognose. Een onderzoek onder 1448 patiënten met IPF toonde dat de meerderheid van hen zich slecht geïnformeerd voelt over de ziekte.19 Ook geven patiënten aan in een vroeg stadium van de ziekte met hun behandelend arts over het levenseinde te willen spreken.

Toekomstige ontwikkelingen

Daarnaast worden nieuwe diagnostische mogelijkheden en therapieën ontwikkeld.

Protonpompremmers Gastro-oesofageale reflux is vaak asymptomatisch en komt relatief veel voor bij patiënten met IPF. Schade van het longweefsel door microaspiratie bij reflux draagt mogelijk bij aan de ontwikkeling van fibrose. Retrospectieve onderzoeken tonen een betere overleving en verminderde achteruitgang in longfunctie bij medicamenteuze of chirurgische antirefluxtherapie.20 Nader prospectief gecontroleerd onderzoek zal moeten uitwijzen of antirefluxtherapie bij IPF-patiënten zonder reflux zinvol is.

Genetica Genetisch onderzoek bij IPF heeft laten zien dat verschillende genmutaties een rol kunnen spelen. Het meest beschreven zijn mutaties in het SFTPC-gen (SFTPC staat voor ‘surfactant, pulmonary-associated protein C’), dat is gerelateerd aan een gestoorde surfactantproductie, en in het TERT-gen (TERT staat voor ‘telomerase reverse transcriptase’), die mogelijk leiden tot vroegtijdige veroudering van alveolaire cellen type II.21 Verschillende genetische mutaties zijn gerelateerd aan verschillen in de prognose.22 Genetisch onderzoek bij IPF-patiënten wordt in Nederland alleen in onderzoeksverband gedaan.

Nieuwe therapieën De combinatie van nieuwe inzichten in de pathogenese van IPF en de positieve resultaten van behandeling met nieuwe middelen heeft geleid tot een verschuiving in het onderzoek naar aangrijpingspunten voor therapie. Naast therapieën gericht op het remmen van fibroblastproliferatie spitsen meerdere studies zich toe op de rol van de extracellulaire matrix in longfibrose. Experimentele therapieën richten zich onder andere op het remmen van het vrijkomen van transformerende groeifactor(TGF)-β, een profibrotische cytokine, uit de extracellulaire matrix. Voorbeelden hiervan zijn het enzym ‘lysyl oxidase homolog 2’ (LOXL2) en het monoklonale antilichaam STX-100.23

Een andere veelbelovende nieuwe richting ligt in het bevorderen van wondgenezing met bijvoorbeeld recombinant pentraxine-2 (rPTX-2), een lichaamseigen eiwit. In een eerste studie bij een IPF-patiënt bleek rPTX-2 veilig en goed te worden verdragen.24 Mogelijk is er ook nog een rol voor stamceltherapie: in enkele preklinische studies werd aangetoond dat pluripotente embryonale of volwassen stamcellen kunnen differentiëren in longepitheel- of endotheelcellen, met als gevolg herstel van het longepitheel en vermindering van fibrose.25

Conclusie

Idiopathische pulmonale fibrose is een progressieve longziekte met een gemiddelde levensverwachting van 2-5 jaar na het stellen van de diagnose. Met de komst van nieuwe geneesmiddelen, die de achteruitgang in longfunctie vertragen en de overleving lijken te verbeteren, is tijdige en juiste diagnostiek nog essentiëler geworden.

Literatuur
  1. Raghu G, Collard HR, Egan JJ, Martinez FJ, Behr J, Brown KK, et al. An official ATS/ERS/JRS/ALAT statement: idiopathic pulmonary fibrosis: evidence-based guidelines for diagnosis and management. Am J Respir Crit Care Med. 2011;183:788-824. Medline

  2. Barlo NP, van Moorsel CH, van den Bosch JM, van de Graaf EA, Kwakkel-van Erp JM, Grutters JC. Idiopathische pulmonale fibrose; beschrijving van een Nederlands cohort. Ned Tijdschr Geneeskd. 2009;153:B425 Medline.

  3. Gribbin J, Hubbard RB, Le Jeune I, Smith CJ, West J, Tata LJ. Incidence and mortality of idiopathic pulmonary fibrosis and sarcoidosis in the UK. Thorax. 2006;61:980-5. doi:10.1136/thx.2006.062836Medline

  4. Ten Klooster L, van Moorsel CH, van Hal PT, et al. Hoge sterfte van patiënten met idiopathische pulmonale fibrose op Nederlandse longtransplantatiewachtlijst. Ned Tijdschr Geneeskd. 2012;156:A3752 Medline.

  5. Raghu G, Anstrom KJ, King TE Jr, Lasky JA, Martinez FJ; Idiopathic Pulmonary Fibrosis Clinical Research Network. Prednisone, azathioprine, and N-acetylcysteine for pulmonary fibrosis. N Engl J Med. 2012;366:1968-77. doi:10.1056/NEJMoa1113354Medline

  6. King TE Jr, Bradford WZ, Castro-Bernardini S, et al; ASCEND Study Group. A phase 3 trial of pirfenidone in patients with idiopathic pulmonary fibrosis. N Engl J Med. 2014;370:2083-92. doi:10.1056/NEJMoa1402582Medline

  7. Richeldi L, du Bois RM, Raghu G, et al; INPULSIS Trial Investigators. Efficacy and safety of nintedanib in idiopathic pulmonary fibrosis. N Engl J Med. 2014;370:2071-82. doi:10.1056/NEJMoa1402584Medline

  8. King TE Jr, Tooze JA, Schwarz MI, Brown KR, Cherniack RM. Predicting survival in idiopathic pulmonary fibrosis: scoring system and survival model. Am J Respir Crit Care Med. 2001;164:1171-81. doi:10.1164/ajrccm.164.7.2003140Medline

  9. Wolters PJ, Collard HR, Jones KD. Pathogenesis of idiopathic pulmonary fibrosis. Annu Rev Pathol. 2014;9:157-79. doi:10.1146/annurev-pathol-012513-104706Medline

  10. Castelino FV, Goldberg H, Dellaripa PF. The impact of rheumatological evaluation in the management of patients with interstitial lung disease. Rheumatology (Oxford). 2011;50:489-93. doi:10.1093/rheumatology/keq233Medline

  11. Demedts M, Behr J, Buhl R, et al; IFIGENIA Study Group. High-dose acetylcysteine in idiopathic pulmonary fibrosis. N Engl J Med. 2005;353:2229-42. doi:10.1056/NEJMoa042976Medline

  12. Richeldi L, Davies HR, Ferrara G, Franco F. Corticosteroids for idiopathic pulmonary fibrosis. Cochrane Database Syst Rev. 2003;(3):CD002880 Medline.

  13. Idiopathic Pulmonary Fibrosis Clinical Research Network, Martinez FJ, de Andrade JA, Anstrom KJ, King TE Jr, Raghu G. Randomized trial of acetylcysteine in idiopathic pulmonary fibrosis. N Engl J Med. 2014;370:2093-101. Medline

  14. Noble PW, Albera C, Bradford WZ, Costabel U, Glassberg MK, Kardatzke D, et al. Pirfenidone in patients with idiopathic pulmonary fibrosis (CAPACITY): two randomised trials. Lancet. 2011;377:1760-9. Medline

  15. Du Bois RM, Weycker D, Albera C, et al. Forced vital capacity in patients with idiopathic pulmonary fibrosis: test properties and minimal clinically important difference. Am J Respir Crit Care Med. 2011;184:1382-9. doi:10.1164/rccm.201105-0840OCMedline

  16. George TJ, Arnaoutakis GJ, Shah AS. Lung transplant in idiopathic pulmonary fibrosis. Arch Surg. 2011;146:1204-9. doi:10.1001/archsurg.2011.239Medline

  17. Ryerson CJ, Cayou C, Topp F, et al. Pulmonary rehabilitation improves long-term outcomes in interstitial lung disease: a prospective cohort study. Respir Med. 2014;108:203-10. doi:10.1016/j.rmed.2013.11.016Medline

  18. Visca D, Montgomery A, de Lauretis A, et al. Ambulatory oxygen in interstitial lung disease. Eur Respir J. 2011;38:987-90. doi:10.1183/09031936.00190710Medline

  19. Collard HR, Tino G, Noble PW, et al. Patient experiences with pulmonary fibrosis. Respir Med. 2007;101:1350-4. doi:10.1016/j.rmed.2006.10.002Medline

  20. Lee JS, Collard HR, Anstrom KJ, et al; IPFnet Investigators. Anti-acid treatment and disease progression in idiopathic pulmonary fibrosis: an analysis of data from three randomised controlled trials. Lancet Respir Med. 2013;1:369-76. doi:10.1016/S2213-2600(13)70105-XMedline

  21. Van Moorsel CH, van Oosterhout MF, Barlo NP, et al. Surfactant protein C mutations are the basis of a significant portion of adult familial pulmonary fibrosis in a Dutch cohort. Am J Respir Crit Care Med. 2010;182:1419-25. doi:10.1164/rccm.200906-0953OCMedline

  22. Stuart BD, Lee JS, Kozlitina J, et al. Effect of telomere length on survival in patients with idiopathic pulmonary fibrosis: an observational cohort study with independent validation. Lancet Respir Med. 2014;2:557-65. doi:10.1016/S2213-2600(14)70124-9Medline

  23. Rafii R, Juarez MM, Albertson TE, Chan AL. A review of current and novel therapies for idiopathic pulmonary fibrosis. J Thorac Dis. 2013;5:48-73 Medline.

  24. Dillingh MR, van den Blink B, Moerland M, et al. Recombinant human serum amyloid P in healthy volunteers and patients with pulmonary fibrosis. Pulm Pharmacol Ther. 2013;26:672-6. doi:10.1016/j.pupt.2013.01.008Medline

  25. Toonkel RL, Hare JM, Matthay MA, Glassberg MK; Potential for Clinical Testing. Mesenchymal stem cells and idiopathic pulmonary fibrosis. Potential for clinical testing. Am J Respir Crit Care Med. 2013;188:133-40. doi:10.1164/rccm.201207-1204PPMedline

Auteursinformatie

Erasmus MC, afd. Longziekten, Rotterdam.

Drs. J.W. Kraan, arts-onderzoeker (thans: huisarts in opleiding, VUmc, Amsterdam); dr. B. van den Blink, dr. L.M. van den Toorn en dr. M.S. Wijsenbeek, longartsen.

OLVG, afd. Longziekten, Amsterdam.

Dr. P. Bresser, longarts.

St. Antonius Ziekenhuis, afd. Longziekten, Nieuwegein.

Drs. F.T. van Beek, longarts; prof.dr. J.C. Grutters, longarts (tevens: UMC Utrecht, divisie Hart en longen, Utrecht).

Contact dr. M.S. Wijsenbeek (m.wijsenbeek-lourens@erasmusmc.nl)

Belangenverstrengeling

Belangenconflict en financiële ondersteuning: ICMJE-formulieren zijn online beschikbaar bij dit artikel.

Auteur Belangenverstrengeling
Jitske W. Kraan ICMJE-formulier
Bernt van den Blink ICMJE-formulier
Leon M. van den Toorn ICMJE-formulier
Paul Bresser ICMJE-formulier
Frouke T. van Beek ICMJE-formulier
Jan C. Grutters ICMJE-formulier
Marlies S. Wijsenbeek ICMJE-formulier

Gerelateerde artikelen

Reacties