Hoge sterfte van patiënten met idiopathische pulmonale fibrose op Nederlandse longtransplantatiewachtlijst

Onderzoek
Liesbeth ten Klooster
Coline H.M. van Moorsel
Peter Th.W. van Hal
Bernt van den Blink
George D. Nossent
Erik A.M. Verschuuren
Johanna M. Kwakkel-van Erp
Ed A. van de Graaf
Diana A. van Kessel
Jan C. Grutters
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2012;156:A3752
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Doel

Beschrijving van de patiënten met idiopathische pulmonale fibrose (IPF) aangemeld voor longtransplantatie en evaluatie van de toepassing van de huidige richtlijnen voor verwijzing voor longtransplantatie in Nederland.

Opzet

Retrospectieve studie.

Methode

Alle patiënten met een interstitiële longziekte die werden aangemeld voor longtransplantatie van september 1989-juni 2010, werden geïncludeerd in de studie. Patiënten met de diagnose ‘IPF’ volgens de ‘American Thoracic Society-European Respiratory Society’-criteria voor IPF werden geïncludeerd. Van deze patiënten werden klinische data op het moment van screening voor longtransplantatie en overlevingsdata verzameld.

Resultaten

289 patiënten met IPF werden aangemeld voor longtransplantatie. Na een eerste evaluatie voor contra-indicaties en een uitgebreide screening werden 90 patiënten op de wachtlijst geplaatst. Tijdens de wachtlijstperiode overleden 30 patiënten (33%), 7 werden van de wachtlijst gehaald vanwege nieuwe comorbiditeit of te sterke afname van de fysieke conditie, 51 werden getransplanteerd en 2 stonden nog op de wachtlijst bij het beëindigen van de dataverzameling. Op het moment van screening was de gemiddelde geforceerde vitale capaciteit (FVC) van deze patiënten 51% van de voorspelde waarde (SD: 19,0) en de gemiddelde diffusiecapaciteit 27% van de voorspelde waarde (SD: 9,3).

Conclusie

Een derde van de IPF-patiënten op de wachtlijst overleed voordat donorlongen beschikbaar waren. De gemiddelde diffusiecapaciteit van 27% van voorspeld op het moment van screening bleek aanzienlijk lager dan de internationale richtlijnen adviseren voor plaatsing op de wachtlijst. Deze studie laat daarom zien dat het moment van screening van IPF-patiënten voor longtransplantatie kan worden verbeterd in Nederland.

Inleiding

Idiopathische pulmonale fibrose (IPF) is een progressieve, fibroserende interstitiële longziekte met een mediane overleving vanaf het stellen van de diagnose van 2,5-5 jaar.1-3 De ziekte maakt deel uit van een subgroep van interstitiële longziekten en leidt tot diffuse remodellering en architecturale verandering van het longweefsel met een progressieve achteruitgang van de longfunctie. Het ontstaansmechanisme van IPF is onbekend, maar de huidige hypothese veronderstelt dat bij beschadiging van het alveolaire epitheel de gebruikelijke regeneratie uitblijft en dat proliferatie van fibroblasten zorgt voor een onherstelbare verlittekening van het longweefsel.4 De diagnose wordt, bij voorkeur multidisciplinair, gesteld op basis van een combinatie van radiologische en histopathologische kenmerken, die worden aangeduid als ‘usual interstitial pneumonia’ (UIP).5,6 IPF reageert niet op behandeling met immunosuppressiva en op dit moment is er geen enkele medicamenteuze therapie die het ziekteproces kan stoppen of vertragen. De enige behandeling voor IPF met een bewezen levensverlengend effect is longtransplantatie.7,8

In 1989 werd in Nederland de eerste longtransplantatie uitgevoerd. Van 1991-2001 werden deze operaties alleen gedaan in het UMC Groningen, maar gezien het stijgende aantal patiënten op de wachtlijst werd de capaciteit vanaf 2001 uitgebreid naar het UMC Utrecht, St. Antonius Ziekenhuis en Erasmus MC Rotterdam.9 Tevens werd in hetzelfde jaar een nieuw allocatiesysteem ingevoerd, waardoor het mogelijk werd om patiënten met een beperkte levensverwachting op een lijst met hoge urgentie, de zogenoemde ’high urgency’(HU)-lijst, te plaatsen en daarmee hun kans op een longtransplantatie te vergroten.

Van groot belang voor de overlevingskansen en kwaliteit van leven van de patiënt is het moment van verwijzing voor longtransplantatie. Om de verwijzend arts houvast te bieden, zijn internationale richtlijnen gepubliceerd voor verwijzing en screening van patiënten met IPF.10 Volgens deze richtlijnen dienen patiënten met een histologisch of radiologisch bewezen UIP verwezen te worden voor longtransplantatie, onafhankelijk van hun longcapaciteit. Voor bepaling van het moment van screening en het plaatsen op de wachtlijst worden de volgende criteria aanbevolen: een histologisch of radiologisch bewezen UIP én minstens 1 van de volgende kenmerken: (a) diffusiecapaciteit van de long voor koolmonoxide (DLCO)

In dit artikel volgt een beschrijving van alle IPF-patiënten die waren aangemeld voor transplantatie in Nederland sinds de start van het longtransplantatieprogramma in 1989. Het doel van deze studie is om een beter inzicht te krijgen in het aantal IPF-patiënten in de verschillende fasen van het longtransplantatietraject in Nederland. Daarbij is de mate van uitval gedurende dit traject onderzocht. De verwachting is dat deze gegevens een aanzet zijn voor verbetering van het verwijspatroon van IPF-patiënten voor longtransplantatie in Nederland.

Methode

Selectie van patiënten

Retrospectief zijn gegevens verzameld van alle patiënten met een interstitiële longziekte die in de periode september 1989-juni 2010 werden aangemeld voor longtransplantatie in Nederland. Hiervoor werd gebruikt gemaakt van de verschillende databases voor longtransplantatie in het St. Antonius Ziekenhuis Nieuwegein, UMC Utrecht, UMC Groningen en Erasmus MC Rotterdam. Patiënten met de diagnose ‘IPF’ werden geïncludeerd na revisie van de diagnose aan de hand van de criteria opgesteld door de American Thoracic Society (ATS) en European Respiratory Society (ERS).11 Klinische data op het moment van screening voor longtransplantatie en overlevingsdata werden verzameld.

Statistiek

Patiëntkarakteristieken werden beschreven aan de hand van gemiddelden en standaarddeviaties of medianen en uitersten. χ2-toetsen werden gebruikt om eventuele verschillen tussen de groepen te kwantificeren. De statistische analyses en de overlevingscurves, volgens de kaplan-meiermethode, werden gemaakt met behulp van het programma SPSS (IBM-SPSS, Armonk, NY, VS). Voor de overlevingscurve vond censurering van data plaats wanneer een patiënt een transplantatie had ondergaan, om een andere reden van de wachtlijst werd gehaald of nog op de wachtlijst stond bij het beëindigen van de dataverzameling. Deze censurering was geheel random. De kans op het verlaten van de wachtlijst was onafhankelijk van de duur van de plaatsing op de wachtlijst, onder de aanname dat alle patiënten die een transplantatie ondergingen een gelijke kans hadden op het krijgen van geschikte donorlongen. In alle analyses werden verschillen met een p-waarde

Resultaten

Patiëntkarakteristieken

In totaal werden 122 patiënten die voldeden aan de diagnose ‘IPF’ gescreend voor longtransplantatie: 56 in het UMC Groningen, 44 in het UMC Utrecht en St. Antonius Ziekenhuis en 22 in het Erasmus MC.

Van alle gescreende IPF-patiënten was 75% man. De gemiddelde leeftijd op het moment van screening was 53,9 jaar (SD: 8,5). 71% van de patiënten gebruikte zuurstof, waarvan het merendeel (88%) continue zuurstoftherapie kreeg. Op het moment van screening werden 102 patiënten (84%) behandeld met prednison, met een gemiddelde dosering van 23 mg per dag (SD: 15,3). 66% had in het verleden gerookt, met een mediaan van 18,6 pakjaren per persoon (uitersten: 1-75). Longfunctietesten lieten een ernstig restrictieve longfunctie zien met een gemiddelde totale longcapaciteit (TLC) van 53% van de voorspelde waarde (SD: 16,9) en een gemiddelde DLCO van 27% van de voorspelde waarde (SD: 9,3). De karakteristieken van deze patiënten op het moment van screening zijn weergegeven in de tabel.

Figuur 1

Van de 51 patiënten die getransplanteerd werden, was 76% man en had 71% een rookverleden. Deze 51 patiënten hadden een gemiddelde TLC van 52% van de voorspelde waarde en een gemiddelde DLCO van 26% van de voorspelde waarde op het moment van screening.

Traject van aanmelding tot transplantatie

Binnen Nederland werden in de onderzochte periode in totaal 688 patiënten met een interstitiële longziekte aangemeld voor longtransplantatie, van wie 289 (42%) met de diagnose ‘IPF’ (figuur 1). Gedurende het totale traject van aanmelding tot longtransplantatie overleden 71 IPF-patiënten (25% van de 289 IPF-patiënten aangemeld voor transplantatie). Het longtransplantatietraject is samengevat in figuur 2.

Figuur 2
Figuur 3

Vóór het starten van de screeningsfase overleden 36 IPF-patiënten, 3 patiënten werden in België gescreend en 122 patiënten werden afgewezen voor screening (zie figuur 2). Redenen voor afwijzing waren hart- en vaatlijden in de voorgeschiedenis (27%), comorbiditeit (16%), niet voldoen aan screeningscriteria (IPF niet ernstig genoeg) (13%) en andere, relatief minder vaak vóórkomende redenen, zoals een maligniteit in de voorgeschiedenis of een BMI > 30 kg/m2.

Tijdens de screening werden nog 27 patiënten afgewezen voor longtransplantatie in verband met contra-indicaties, bijvoorbeeld coronairlijden gevonden bij links-catheterisatie; 5 patiënten overleden vóór het afronden van de screeningsfase. Ten tijde van de dataverzameling hadden 122 IPF-patiënten de screening voor longtransplantatie volledig afgerond en waren nog 6 patiënten in de screeningsfase. Uiteindelijk konden 90 IPF-patiënten op de wachtlijst worden geplaatst.

Gedurende de wachtlijstperiode werden 31 patiënten (34%) op de high urgency-lijst geplaatst. Uiteindelijk werden 51 van de 90 patiënten (57%) getransplanteerd; iets minder dan de helft van hen had een hoge urgentie (45%). De overleving na longtransplantatie is weergegeven in de overlevingscurve (figuur 3). De mediane overleving na longtransplantatie bedroeg 120 maanden. Het aantal patiënten ‘at risk’ nam af in de loop van de tijd. Het 95%-betrouwbaarheidsinterval neemt dan vanzelfsprekend toe, maar vanwege de kleine aantallen patiënten berekenden we dit niet. Vanaf 48 maanden dient de curve met grote voorzichtigheid te worden geïnterpreteerd, omdat het aantal patiënten ‘at risk’ te klein is om conclusies te kunnen trekken.

Figuur 4

Er waren enkele significante verschillen tussen de patiënten met IPF en patiënten met een andere interstitiële longziekte die waren aangemeld voor longtransplantatie. Ten eerste waren in de fase van aanmelding 36 van de 289 (13%) IPF-patiënten en 20 van de 399 (5%) overige patiënten met interstitiële longziekte overleden (p

Sterfte op de wachtlijst

Van de 90 op de wachtlijst geplaatste IPF-patiënten is de overleving op de wachtlijst weergegeven in de overlevingscurve (figuur 4). Voor 30 patiënten (33%) was er niet op tijd een donorlong beschikbaar; zij stierven terwijl ze op de wachtlijst stonden. De mediane overleving op de wachtlijst bedroeg 22 maanden. Ook hier nam door censurering het aantal patiënten ‘at risk’ sterk af in de loop van de tijd. Vanaf 10 maanden dient de curve dan ook met grote voorzichtigheid te worden geïnterpreteerd, omdat het aantal patiënten ‘at risk’ te klein is om conclusies te kunnen trekken.

Figuur 5

Van de 30 wachtlijstpatiënten die vroegtijdig waren overleden, was circa 25% na 1 maand, 50% na 3 maanden en 75% na 13,5 maanden overleden. De mediane duur tot overlijden op de wachtlijst was 3,0 maanden (uitersten: 0-53).

Beschouwing

Deze studie geeft een overzicht van alle patiënten met idiopathische pulmonale fibrose aangemeld voor longtransplantatie in Nederland van september 1989-juni 2010. Door de ernstige prognose en het ontbreken van een effectieve medicamenteuze behandeling komen patiënten met IPF in principe in aanmerking voor longtransplantatie. De gescreende patiënten waren voornamelijk mannen (75%), wat overeenkomt met de man-vrouwverhouding uit eerder beschreven IPF-cohorten in Nederland en andere westerse landen.3,12 Binnen het Nederlandse IPF-cohort was de gemiddelde leeftijd op het moment van de diagnose 61,9 jaar,3 terwijl onze studie een gemiddelde leeftijd op het moment van screening voor longtransplantatie van 53,9 jaar toont. Dit laat zien dat met name de relatief jongere IPF-patiënten werden gescreend voor longtransplantatie. Een mogelijke reden hiervoor is dat jongere patiënten vaker geschikt worden bevonden voor longtransplantatie dan oudere patiënten. Een leeftijd > 65 jaar is namelijk gerelateerd aan een slechtere uitkomst na transplantatie.13

Idealiter wordt een patiënt op de wachtlijst geplaatst wanneer zijn of haar levensverwachting sterk is afgenomen, maar toch nog langer is dan de verwachte wachttijd op de wachtlijst voor longtransplantatie. Het wisselende ziektebeloop van IPF maakt de timing van plaatsing op de wachtlijst moeilijk. Het merendeel van de patiënten vertoont een geleidelijk progressief beloop over enkele jaren, andere patiënten blijven enige tijd stabiel en weer andere maken juist een geaccelereerde achteruitgang door. Ongeveer 5-10% van de IPF-patiënten heeft zulke plotselinge exacerbaties, die vaak fataal zijn.14-17

De internationale richtlijnen adviseren om iedereen met een histologische of radiologische ‘usual interstitial pneumonia’ te verwijzen voor transplantatie.13 Dit betekent dat de verwijzend arts in een vroeg stadium van de ziekte de mogelijkheid van longtransplantatie met de patiënt zal moeten bespreken, indien er geen sprake is van duidelijke contra-indicaties. Uit deze studie blijkt dat patiënten zich echter vaak al in een vergevorderd stadium van de ziekte bevinden wanneer ze verwezen worden voor longtransplantatie. Dit komt tot uitdrukking in de ernstige longfunctiestoornis die werd gemeten tijdens screening. Het meest in het oog springend hierbij was een gemiddelde diffusiecapaciteit van slechts 27% van voorspeld. Dit gemiddelde is mogelijk zelfs een overschatting van de werkelijke gemiddelde DLCO, omdat ruim 40% van de patiënten op het moment van screening te slecht was om een diffusiemeting te ondergaan.

Van alle IPF-patiënten die op de wachtlijst werden geplaatst, overleed een derde voordat er een long beschikbaar was. Van alle patiënten die zijn overleden op de wachtlijst, was 25% binnen 1 maand en 50% binnen 3 maanden overleden. Ter vergelijking analyseerden wij de sterfte op de wachtlijst onder patiënten met COPD en taaislijmziekte (cystic fibrosis; CF). Deze liet zien dat 16,3% van de COPD-patiënten en 13,8% van de CF-patiënten stierven op de wachtlijst (data niet getoond).

Naast het onvoorspelbare beloop van IPF en de moeilijkheid van het bepalen wanneer een patiënt in aanmerking komt voor screening en plaatsing op de wachtlijst, spelen het orgaandonorentekort in Nederland en het allocatiesysteem dat werd gebruikt vóór 2001 een belangrijke rol in deze hoge sterfte op de wachtlijst.

De laatste jaren worden er in Nederland ongeveer 60 longtransplantaties per jaar gedaan. Eind 2010 stonden er ruim 200 patiënten op de wachtlijst voor longtransplantatie, een stijging van 16% ten opzichte van het voorgaande jaar. De vraag naar orgaandonoren voor longtransplantatie blijft toenemen en de gemiddelde wachttijd is inmiddels opgelopen tot meer dan 3 jaar.

In Nederland wordt voor donorregistratie een toestemmingsysteem gebruikt, wat wil zeggen dat de persoon zelf, dan wel de partner of familie toestemming moet geven voor donatie. In landen als België en Frankrijk wordt het ‘geen bezwaarsysteem’ gehanteerd, waarbij iedereen in principe donor is, tenzij men hier schriftelijk bezwaar tegen maakt. In vergelijking met Nederland is in deze landen de wachtlijstproblematiek minder groot. Zo bedraagt de gemiddelde wachttijd tot aan longtransplantatie in België 190 dagen. Dit zou een reden kunnen zijn om de huidige donorregistratie in Nederland opnieuw ter discussie te stellen.

De laatste jaren is er onderzoek gedaan naar het gebruik van longen van ‘non-heart-beating’-donoren om op deze manier de donorpool mogelijk te vergroten.18 Studies tonen een vergelijkbare klinische uitkomst op korte termijn na transplantatie bij ‘heart-beating’- en non-heart-beating-donoren. Dit pleit voor een betere bewustwording van de beschikbaarheid van longen van non-heart-beating-donoren, samen met een beter inzicht in het donormanagementsysteem en betere communicatie tussen donorziekenhuis en transplantatieteam met betrekking tot het gebruik van deze organen.19-21

Van de IPF-patiënten die getransplanteerd werden, had 45% een high urgency-status. Een van de criteria voor het verkrijgen van een HU-status is een levensverwachting van enkele weken en deze patiënten waren zonder HU-status hoogstwaarschijnlijk overleden op de wachtlijst. De invoering van het nieuwe allocatiesysteem in 2001, waardoor de mogelijkheid ontstond om een HU-status toe te kennen, is dan ook van invloed geweest op het aantal patiënten dat overleed op de wachtlijst. Deze daalde van 42 naar 30% (data niet getoond). Voor plaatsing op de HU-lijst gold tot kort geleden een maximale leeftijdsgrens van 60 jaar. Sinds half oktober 2011 is landelijk besloten dat de harde leeftijdgrens van 60 jaar wordt afgeschaft, maar dat een kritische klinische beoordeling van patiënten ouder dan 60 jaar gewenst blijft. De gemiddelde leeftijd van onze IPF-patiënten was hoog, maar dit is niet van invloed geweest op de sterfte op de wachtlijst. Echter, het gevaar bestaat dat de HU-lijst door het orgaantekort gaat functioneren als een ‘alternatieve’ wachtlijst en patiënten op de reguliere wachtlijst nog langer moeten wachten. Zo werd in 2010 al meer dan de helft van de longtransplantaties bij een patiënt met een HU-status uitgevoerd.

In de Verenigde Staten is sinds mei 2005 het ‘Lung allocation score’(LAS)-systeem ingevoerd met als voornaamste doel vermindering van de wachtlijstmortaliteit. Het LAS-systeem is een multivariabel model dat bestaat uit een gewogen score van het verwachte risico van overlijden op de wachtlijst en de verwachte overleving in het 1e jaar na transplantatie. Sinds de invoering van het LAS-systeem is het aantal patiënten op de wachtlijst daar met 54% afgenomen en de gemiddelde wachttijd van > 2 jaar is teruggelopen naar 134 dagen.22 Tevens vond er een verandering in de distributie van de indicaties voor longtransplantatie plaats en werden er meer IPF-patiënten getransplanteerd. Uit onderzoek blijkt daarentegen dat de 1 jaarsoverleving op de wachtlijst onveranderd is gebleven als deze gecorrigeerd wordt voor diagnose en leeftijd.23,24 Eurotransplant zorgt onder andere in Nederland voor de verdeling van orgaandonoren en hanteert nog geen criteria voor het bevoordelen van specifieke patiëntengroepen. Er wordt momenteel bekeken of het invoeren van het LAS-systeem of een vergelijkbaar scoresysteem ook in Nederland mogelijk is.

Onze studie toonde een gemiddelde DLCO van 27% op het moment van screening en ligt daarmee ruim onder de grens van 39% die in de internationale criteria voor screening en plaatsing op de wachtlijst voor longtransplantatie wordt geadviseerd.13 Dit suggereert dat IPF-patiënten binnen Nederland eerder kunnen worden gescreend voor transplantatie. Hierdoor kan er, ondanks het tekort aan orgaandonoren, mogelijk nog tijdwinst worden behaald in het longtransplantatietraject voor IPF-patiënten.

Conclusie

De resultaten van deze studie pleiten voor een grotere algemene bekendheid van de richtlijnen voor longtransplantatie bij IPF-patiënten. Dit kan bijvoorbeeld door het opzetten van Nederlandse richtlijnen voor longartsen, met hierin een uiteenzetting van de criteria voor verwijzing voor longtransplantatie per diagnose. Waarschijnlijk zal dit leiden tot eerdere verwijzing naar een transplantatiecentrum. Daarnaast kan de mogelijkheid voor longtransplantatie bij de patiënten zelf onder de aandacht worden gebracht, bijvoorbeeld door het informeren van de Belangenvereniging Longfibrosepatiënten Nederland over de mogelijkheid van longtransplantatie.

Toekomstig onderzoek zal gericht moeten zijn op het verder toespitsen van de internationale richtlijnen voor verwijzing en screening van IPF-patiënten voor longtransplantatie op de Nederlandse situatie en het vinden van prognostische markers, om patiënten die uiteindelijk een longtransplantatie nodig zullen hebben te kunnen identificeren.

Leerpunten

  • Idiopathische pulmonale fibrose (IPF) is een snel progressieve, parenchymale ziekte met een mediane overleving van 2,5-5 jaar.

  • Longtransplantatie is de enige behandeling voor IPF met een bewezen levensverlengend effect.

  • IPF-patiënten die in Nederland werden gescreend voor longtransplantatie hadden een diffusiecapaciteit van 27% van de voorspelde waarde, wat veel lager is dan aanbevolen in de internationale richtlijnen voor plaatsing op de wachtlijst voor longtransplantatie.

  • Een derde van de IPF-patiënten overleed op de wachtlijst voor longtransplantatie.

  • Het moment van screening van IPF-patiënten voor longtransplantatie kan worden verbeterd in Nederland.

Literatuur
  1. Caminati A, Harari S. IPF: New insight in diagnosis and prognosis. Respir Med. 2010;104(Suppl 1):S2-10 Medline. doi:10.1016/j.rmed.2010.03.012

  2. Bjoraker JA, Ryu JH, Edwin MK, et al. Prognostic significance of histopathologic subsets in idiopathic pulmonary fibrosis. Am J Respir Crit Care Med. 1998;157:199-203 Medline.

  3. Barlo NP, van Moorsel CH, van den Bosch JM, van de Graaf EA, Kwakkel-van Erp JM, Grutters JC. Idiopathische pulmonale fibrose; beschrijving van een Nederlands cohort. Ned Tijdschr Geneeskd. 2009;153:B425 Medline. NTvG

  4. Harari S, Caminati A. IPF: new insight on pathogenesis and treatment. Allergy. 2010;65:537-53 Medline. doi:10.1111/j.1398-9995.2009.02305.x

  5. American Thoracic Society/European Respiratory Society International Multidisciplinary Consensus Classification of the Idiopathic Interstitial Pneumonias. This joint statement of the American Thoracic Society (ATS), and the European Respiratory Society (ERS) was adopted by the ATS board of directors, June 2001 and by the ERS Executive Committee, June 2001. Am J Respir Crit Care Med. 2002;165:277-304 Medline.

  6. Hunninghake GW, Zimmerman MB, Schwartz DA, King TE Jr, Lynch J, Hegele R, et al. Utility of a lung biopsy for the diagnosis of idiopathic pulmonary fibrosis. Am J Respir Crit Care Med. 2001;164:193-6 Medline.

  7. Hosenpud JD, Bennett LE, Keck BM, Edwards EB, Novick RJ. Effect of diagnosis on survival benefit of lung transplantation for end-stage lung disease. Lancet. 1998;351:24-7 Medline. doi:10.1016/S0140-6736(97)06405-2

  8. Thabut G, Mal H, Castier Y, et al. Survival benefit of lung transplantation for patients with idiopathic pulmonary fibrosis. J Thorac Cardiovasc Surg. 2003;126:469-75 Medline. doi:10.1016/S0022-5223(03)00600-7

  9. Geertsma A, Ten Vergert EM, de Boer WJ, van der Bij W. The need for lung transplantation in The Netherlands. Transpl Int. 1997;10:457-61 Medline. doi:10.1111/j.1432-2277.1997.tb00724.x

  10. Orens JB, Estenne M, Arcasoy S, et al. International guidelines for the selection of lung transplant candidates: 2006 update--a consensus report from the Pulmonary Scientific Council of the International Society for Heart and Lung Transplantation. J Heart Lung Transplant. 2006;25:745-55 Medline. doi:10.1016/j.healun.2006.03.011

  11. Raghu G, Collard HR, Egan JJ, et al. An Official ATS/ERS/JRS/ALAT Statement: Idiopathic Pulmonary Fibrosis: Evidence-based Guidelines for Diagnosis and Management. Am J Respir Crit Care Med. 2011;183:788-824 Medline. doi:10.1164/rccm.2009-040GL

  12. Demedts M, Wells AU, Anto JM, et al. Interstitial lung diseases: an epidemiological overview. Eur Respir J Suppl. 2001;32:2s-16s Medline.

  13. Christie JD, Edwards LB, Kucheryavaya AY, et al. The Registry of the International Society for Heart and Lung Transplantation: twenty-seventh official adult lung and heart-lung transplant report--2010. J Heart Lung Transplant. 2010;29:1104-18 Medline. doi:10.1016/j.healun.2010.08.004

  14. Selman M, Carrillo G, Estrada A, et al. Accelerated variant of idiopathic pulmonary fibrosis: clinical behavior and gene expression pattern. PLoS ONE. 2007;2:e482 Medline. doi:10.1371/journal.pone.0000482

  15. Hyzy R, Huang S, Myers J, Flaherty K, Martinez F. Acute exacerbation of idiopathic pulmonary fibrosis. Chest. 2007;132:1652-8 Medline. doi:10.1378/chest.07-0299

  16. Collard HR, Moore BB, Flaherty KR, Brown KK, Kaner RJ, King TE Jr, et al. Acute exacerbations of idiopathic pulmonary fibrosis. Am J Respir Crit Care Med. 2007;176:636-43 Medline. doi:10.1164/rccm.200703-463PP

  17. Ley B, Collard HR, King TE Jr. Clinical Course and Prediction of Survival in Idiopathic Pulmonary Fibrosis. Am J Respir Crit Care Med. 2011;183:431-40 Medline. doi:10.1164/rccm.201006-0894CI

  18. Nijkamp DM, van der Bij W, Verschuuren EA, Heemskerk MB, de Buijzer E, Erasmus ME. Non-heart-beating lung donation: how big is the pool? J Heart Lung Transplant. 2008;27:1040-2 Medline. doi:10.1016/j.healun.2008.05.027

  19. De Vleeschauwer S, Van Raemdonck D, Vanaudenaerde B, et al. Early outcome after lung transplantation from non-heart-beating donors is comparable to heart-beating donors. J Heart Lung Transplant. 2009;28:380-7 Medline. doi:10.1016/j.healun.2009.01.010

  20. Dark JH. Lung transplantation from the non-heart beating donor. Transplantation. 2008;86:200-1 Medline. doi:10.1097/TP.0b013e31817c87b6

  21. Van De Wauwer C, Verschuuren EA, van der Bij W, Nossent GD, Erasmus ME. The use of non-heart-beating lung donors category III can increase the donor pool. Eur J Cardiothorac Surg. 2011;39:e175-80 Medline.

  22. Eberlein M, Garrity ER, Orens JB. Lung allocation in the United States. Clin Chest Med. 2011;32:213-22 Medline. doi:10.1016/j.ccm.2011.02.004

  23. Gries CJ, Mulligan MS, Edelman JD, Raghu G, Curtis JR, Goss CH. Lung allocation score for lung transplantation: impact on disease severity and survival. Chest. 2007;132:1954-61 Medline. doi:10.1378/chest.07-1160

  24. Merlo CA, Weiss ES, Orens JB, et al. Impact of U.S. Lung Allocation Score on survival after lung transplantation. J Heart Lung Transplant. 2009;28:769-75 Medline. doi:10.1016/j.healun.2009.04.024

Auteursinformatie

St. Antonius Ziekenhuis, Centrum voor Interstitiële Longziekten, afd. Longziekten, Nieuwegein.

Erasmus MC, afd. Longziekten, Rotterdam.

Dr. P.Th.W. van Hal en dr. B. van den Blink, longartsen.

Universitair Medisch Centrum Groningen, afd. Longtransplantatie, Groningen.

Drs. G.D. Nossent, longarts; dr. E.A.M. Verschuuren, internist.

Universitair Medisch Centrum Utrecht, divisie Hart & Longen, Utrecht.

Dr. J.M. Kwakkel-van Erp en dr. E.A. van de Graaf, longartsen.

Contact prof.dr. J.C. Grutters (j.grutters@antoniusziekenhuis.nl)

Verantwoording

Wijlen Jules M.M. van den Bosch heeft gezorgd voor de totstandkoming van de multidisciplinaire samenwerking die de basis vormde voor dit onderzoek. Wim van der Bij, Bart Luijk en Rogier Hoek leverden commentaar op een eerdere versie van dit artikel.
Belangenconflict: G.D. Nossent ontving gelden voor lezingen voor het Bronkhorst colloquium en de longartsendagen (Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose). Financiële ondersteuning voor dit artikel: geen gemeld.

Gerelateerde artikelen

Reacties

Susan
Marks

 

Graag zou ik willen reageren op het artikel "Hoge sterfte van patiënten met idiopathische pulmonale fibrose op Nederlandse longtransplantatielijst” geschreven door L. ten Klooster et al. In dit artikel worden enkele beweringen gedaan die enige uitdieping vergen wat betreft de werkwijze van Eurotransplant International Foundation (ETI).

 

Ten eerste wordt het volgende aangegeven: “Eurotransplant zorgt onder andere in Nederland voor de verdeling van orgaandonoren en hanteert nog geen criteria voor het bevoordelen van specifieke patiëntengroepen”.  Sinds 2000 gebruikt Eurotransplant de internationale status “Hoog Urgent” (HU), waarbij zeer zieke patiënten internationaal prioriteit krijgen over patiënten met de status “transplantabel” (T).

 

De internationale HU-status werd toegewezen aan de hand van specifieke criteria. Deze criteria zijn afgestemd met alle lidstaten van ETI in 2000. Tevens heeft elke lidstaat de mogelijkheid om patiënten de nationale HU-status toe te wijzen, waarbij deze patiënten prioriteit krijgen voor een transplantatie, op nationaal niveau. Patiënten met de internationale HU-status, konden beschouwd worden als één groep. Eén van de diagnoses die in aanmerking kwam voor de internationale HU-status was Idiopathische Pulmonale Fibrose (IPF), mist dat de patiënt aan bepaalde criteria voldeden.  Deze patiënten konden dus wel degelijk prioriteit krijgen boven andere patiënten.

 

Het artikel geeft aan dat de wachttijd tot longtransplantatie in Nederland drie jaar bedraagt. De mediane wachttijd  van HU patiënten in Nederland in 2011 bedroeg 47 dagen en voor de T-status patiënten 594 dagen (data hier niet getoond).

 

Per december 2011 worden longen in Duitsland toegewezen volgens het Lung Allocation Score (LAS)-model. Dit model zou een oplossing kunnen bieden voor de IPF patiënten, aangezien in de berekening deze score rekening houdt met de diagnose van de patiënt. In Nederland wordt aan de implementatie van dit model gewerkt. Ongeacht het model dat wordt toegepast blijft het een feit dat Nederland (helaas) een relatieve lage donoropbrengst heeft in vergelijking met andere ETI lidstaten. Tevens een mogelijke oorzaak van de verlengde wachttijd in vergelijking tot andere landen in de Eurotransplant regio.

 

Susan Y. Marks

Joris J. Blok

Erwin de Vries

Axel Rahmel