Huisarts berispt wegens het zich bemoeien met vonnis omtrent geestelijk gehandicapte

Perspectief
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1988;132:2332-3
Download PDF

Het College voor de beslissing in Eerste Aanleg in zaken van het Medisch Tuchtrecht en Medische Geschillen te 's-Gravenhage heeft op woensdag 11 mei 1988 de navolgende uitspraak gedaan inzake de klacht van: A, klager, wonende te S, tegen: B, huisarts, wonende te T, de persoon over wie geklaagd wordt, hierna te noemen de arts.

Het College voor het Medisch Tuchtrecht in Eerste Aanleg te 's-Gravenhage; gezien de stukken; gehoord ter zitting van woensdag 11 mei 1988 partijen in persoon; overwegende als volgt:

1. De klacht behelst, kort en zakelijk samengevat, het navolgende. Klager is curator van zijn (thans) 25-jarige zoon C, die geestelijk en lichamelijk gehandicapt is. Sedert 15 januari 1985 was C voor behandeling opgenomen in een centrum voor geestelijk gehandicapten in een afdeling voor sterk gedragsgestoorde licht geestelijk gehandicapten. De moeder van C, van wie de vader in 1978 gescheiden is, was het met die opname niet eens. Op 9 april 1987 is C onder begeleiding van een groepsleider op bezoek gegaan bij zijn moeder thuis te V. De moeder heeft verhinderd dat de begeleider C weer mee terug kon nemen naar de inrichting. Klager heeft op 27 april 1987 een kort geding tegen de moeder geëntameerd. De arts, huisarts van de moeder en – sedert 9 april 1987 – van C heeft op 25 april 1987 een brief aan de Rechtbank gezonden waarin hij adviseert de moeder de mogelijkheid te laten haar zoon te verzorgen. Bij vonnis d.d. 29 april 1987 heeft de President van de Rechtbank de moeder bevolen C naar de inrichting terug te brengen, met machtiging aan klager het bevel zonodig met behulp van de sterke arm van justitie en politie ten uitvoer te leggen. De arts heeft op 25 juni 1987 een brief aan de politie gezonden, waarin hij de politie verzoekt politioneel ingrijpen achterwege te laten. Op 11 november 1987 werd C in ontredderde toestand aangetroffen in een snackbar te W en daarna teruggebracht naar de inrichting. Klager verwijt de arts dat hij door middel van een brief aan de politie de moeder heeft geholpen zich aan het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis te onttrekken. Voorts verwijt klager de arts dat hij de medicatie van C heeft gestaakt.

2. Het verweer van de arts behelst, kort en zakelijk samengevat, het navolgende. Er bestaat volgens de arts een primair recht van de moeder haar kind te verzorgen. Volgens de arts was het niet noodzakelijk dat C in een inrichting verpleegd werd. Tegen het kort geding-vonnis was door de moeder hoger beroep ingesteld. Toen de arts door de moeder om hulp werd gevraagd, heeft hij gemeend deze hulp te moeten verlenen. De beslissing om zich aan het vonnis te onttrekken is door de moeder zelf genomen. De arts ontkent dat hij de medicatie gestaakt heeft. Deze beslissing is volgens de arts door de moeder genomen. Hierbij heeft de arts, naar zijn zeggen, geen enkele rol gespeeld.

3. Het eerste verwijt betreft de brief die de arts aan de politie heeft gezonden en waarin de arts het navolgende verklaart: ‘Alvorens over te gaan tot de uitvoering van uw taak, verzoek ik u beleefd kennis te nemen van de inhoud van dit schrijven: Onlangs heeft de rechter in kort geding beslist dat C, geboren 13-11-62, thans inwonende bij zijn moeder, teruggeplaatst zou moeten worden in de inrichting ... voor geestelijk gehandicapten. Tegen deze uitspraak is de moeder in hoger beroep. De memorie van grieven is momenteel in voorbereiding door haar advocaat, mevrouw mr. D te X. De moeder krijgt in haar streven haar zoon zelf te verzorgen de steun van ondergetekende en van dr. E, psychiater te IJ. De psychiater heeft ten behoeve van de rechtbank een rapportage gemaakt waarin hij een positief oordeel uitspreekt ten aanzien van de verzorging van C door zijn moeder. Bovendien wordt de moeder gesteund door de GG & GD afdeling huisvesting die hun volledige medewerking verlenen bij het toewijzen van een geschikte woonruimte voor moeder en zoon. Op voorspraak van dr. F, psychiater-arts GG & GD, zal C binnenkort aangemeld worden bij een stichting voor een arbeidstrainingsobservatie. U zult begrijpen dat onder deze omstandigheden een politioneel ingrijpen fnuikend zou kunnen zijn voor de toch zeer positieve ontwikkeling in deze. Als laatste zou ik u er op willen wijzen dat C niet opgenomen geweest is met een I.B.S.!! Met dank voor uw aandacht en er op vertrouwend dat u een politioneel ingrijpen in het kader van deze gegevens heroverweegt.’

4. Uit de brief blijkt dat de arts op de hoogte was van het kort geding-vonnis dat op 29 april 1987 door de President van de Rechtbank te Z is gewezen. In dat vonnis heeft de Rechtbank de moeder bevolen C terug te brengen. Dit vonnis was uitvoerbaar bij voorraad verklaard, hetgeen met zich brengt dat het hoger beroep geen schorsende werking heeft. In de brief aan de politie laat de arts zich in met een geschil tussen klager en zijn ex-echtgenote en vraagt hij de politie een rechterlijk bevel naast zich neer te leggen. Dit is op zichzelf al verwijtbaar. Overigens heeft de arts, die als huisarts onvoldoende psychiatrische kennis heeft – zoals hij heeft erkend – zich een oordeel aangemeten omtrent de toestand en de verzorging van C, een zwakzinnige jongeman, functionerend met een verstandelijke leeftijd van 6 jaar en 3 maanden, d.w.z. op een hoog imbeciel niveau, die bovendien nog aan een psychische stoornis leed. Het College is van oordeel dat de arts in redelijkheid niet tot het besluit heeft kunnen komen de brief te schrijven. Het verwijt is derhalve gegrond.

5. Het tweede verwijt betreft het staken van de medicatie door de arts. Toen de moeder met C bij de arts op het spreekuur kwam, waren de door de inrichting voorgeschreven medicijnen al enige tijd op. De arts was er niet van op de hoogte welke medicijnen C gebruikte. Hij heeft, zonder overleg met de behandelende specialisten, geoordeeld dat er geen noodzaak bestond nieuwe medicijnen voor te schrijven. Hier kan de arts terecht een verwijt van worden gemaakt. Van hem had op z'n minst mogen worden verwacht dat hij, alvorens als huisarts een dergelijk besluit te nemen, overlegt met de behandelende specialisten. Het niet voorschrijven van medicatie moet in dit geval gelijk gesteld worden met het staken van medicatie.

6. Het College is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de arts het vertrouwen in de stand der geneeskundigen heeft ondermijnd. Het College vindt de gegrond bevonden verwijten dermate ernstig dat niet met de lichtste maatregel kan worden volstaan.

Rechtdoende: Legt aan de arts de maatregel van berisping op.

Beveelt bekendmaking, met inachtneming van artikel 13b van de Medische Tuchtwet, van deze beslissing door toezending aan het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, ter plaatsing in de Nederlandse Staatscourant en door aanbieding ter plaatsing aan de redacties van Medisch Contact, Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde en het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht.

Bepaalt dat uit 's Rijks kas aan klager of aan de persoon over wie geklaagd is geen kosten voor hen voortvloeiend uit de behandeling van de zaak zullen worden vergoed.

Aldus gewezen op 11 mei 1988 door: mr.S.F.Kootte, voorzitter; dr.H.F.Heins, lid-geneeskundige; dr.J.E. Prinsen, S.van Dam-Horowitz, H.L.van Amerongen, plaatsvervangende leden-geneeskundigen, en mr.P.Viersen-Kooiman, secretaris.

Gerelateerde artikelen

Reacties