Oogheelkundig onderzoek bij patiënten met diabetes mellitus

Perspectief
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1987;131:2040-1
Download PDF

Zie ook het artikel op bl. 2005-6.

Het college voor de beslissing in Eerste Aanleg in zaken van het Medisch Tuchtrecht en Medische Geschillen te 's-Gravenhage heeft op woensdag 15 april 1987 de navolgende uitspraak gedaan inzake de klacht van: A, wonende te W, klaagster, tegen B, wonende te X, de persoon over wie geklaagd wordt, hierna te noemen de arts.

Het College voor het Medisch Tuchtrecht in Eerste Aanleg te 's-Gravenhage;

Gezien de stukken, waaronder een proces-verbaal van het behandelde ter zitting van dit College van 11 februari 1987 in deze zaak;

Gehoord ter zitting van het College van woensdag 15 april 1987 de arts in persoon;

Overwegende:

1. De klacht behelst het volgende. Klaagster lijdt aan diabetes mellitus. In verband daarmee is zij al 10 jaar onder controle bij de arts. De arts vond controle om de 2 jaar voldoende. Omdat klaagster niet tevreden was over de wijze waarop de arts haar behandelde had zij in oktober 1985 een afspraak gemaakt voor controle in het Ziekenhuis te IJ. Wegens grote drukte kon zij daar pas in maart 1986 terecht. In december 1985 had klaagster van de ene op de andere dag last van beeldvervorming, waardoor zij genoodzaakt was om op 13 december 1985 nogmaals een bezoek te brengen aan de arts. Deze constateerde diabetische retinopathie aan het linker oog en verwees klaagster met spoed naar dr. C van het Oog

ziekenhuis te Z. Deze bevestigde de diagnose retinopathie. Dr. C deelde klaagster mede dat zij binnen 5 jaar blind zou zijn, wanneer zij niet met spoed geopereerd zou worden. Het linker oog was inmiddels zeer ernstig aangetast, terwijl ook het rechter oog behandeld moest worden. Hij vond het onbegrijpelijk dat het linker oog binnen 1 jaar zo ernstig aangetast was. Ook vond hij het onbegrijpelijk dat dit niet eerder was geconstateerd. Inmiddels heeft klaagster 3 laserstraalbehandelingen (2 aan het linker oog en 1 aan het rechter oog) moeten ondergaan. Onlangs heeft een algehele netvliesoperatie aan het linker oog plaatsgevonden. Afgewacht moet worden of en hoeveel klaagster in de toekomst met het linker oog zal kunnen zien.

Klaagster verwijt de arts grove nalatigheid door niet in een vroegtijdig stadium de retinopathie in het linker oog te constateren, terwijl de arts de retinopathie in het rechter oog in het geheel niet heeft onderkend. Voorts verwijt klaagster de arts dat hij geen enkel antwoord heeft gegeven op de brief, die zij hem op 14 januari 1986 zond.

2. De arts stelt dat klaagster sedert 1976 bij hem onder controle is in verband met haar diabetes mellitus. De controles vonden in beginsel eens per 2 jaar plaats. Na 1980 is klaagster 4 jaar weggebleven, ondanks mededeling van de arts dat zij na 2 jaar terug verwacht werd. Tot en met de voorlaatste controle, welke op 19 september 1984 plaatsvond, was er volgens de arts geen spoor van retinopathie te zien. Op 13 december 1985 constateerde de arts een zeer duidelijke afwijking aan beide ogen. Hij heeft klaagster vervolgens met spoed verwezen naar dr. C in het Oogziekenhuis te Z. Hij heeft aan patiënte niet medegedeeld dat hij ook het rechter oog verdacht vond. In de verwijsbrief heeft de arts vermeld dat verwijzing plaatsvond in verband met diabetische retinopathie, voornamelijk van het linker oog. Dit impliceert volgens de arts dat hij ook aan het rechter oog retinopathie had geconstateerd.

De uitspraken van dr. C laat de arts voor diens rekening. Dr. C heeft patiënte in 1984 niet gezien. Evenmin heeft hij in december 1985 contact met de arts opgenomen. De arts laat weten dat hij patiënte in al die jaren steeds correct heeft behandeld. Dat de arts niet op haar brief heeft geantwoord, komt door het feit dat die brief uitsluitend beschuldigingen bevatte.

3. Vast staat dat klaagster al sedert 1964 bekend was met diabetes mellitus. Eveneens staat vast dat de arts klaagster in beginsel om de 2 jaar controleerde. Het College is van oordeel dat bij een jarenlange bestaande diabetes mellitus een tijdsspanne van 2 jaar tussen de controles wel wat aan de lange kant is.

4. Ter zitting is door de arts bevestigd dat hij bij zijn onderzoeken slechts een oogspiegel gebruikte; een mydriaticum heeft hij bij het onderzoeken van klaagster niet gebruikt. Volgens de arts is er slechts een noodzaak om een mydriaticum te gebruiken wanneer de fundus niet goed te zien is. Bij klaagster was de fundus goed te zien, zodat volgens de arts een mydriaticum niet noodzakelijk was.

5. Het College is van oordeel dat de arts onder de gegeven omstandigheden wel een mydriaticum had behoren te gebruiken. Indien het onderzoek, zoals bij klaagster, alleen met behulp van een oogspiegel geschiedt, heeft de arts onvoldoende zekerheid dat hij inderdaad het oog goed heeft kunnen onderzoeken. Zeker bij een patiënte als klaagster, die al meer dan 20 jaar aan diabetes mellitus lijdt, dient de arts er rekening mee te houden dat er een gerede kans bestaat dat zij vroeger of later met een diabetische retinopathie te maken zal krijgen. Het College acht een onderzoek zonder gebruik te maken van een mydriaticum onder die omstandigheden onvoldoende.

6. Het tweede deel van de klacht betreft het niet reageren door de arts op de brief van klaagster. Het College ziet geen aanleiding om de arts hiervan een tuchtrechtelijk verwijt te maken.

7. Het College is van oordeel dat de arts op grond van het vorenstaande het vertrouwen in de stand der geneeskundigen heeft ondermijnd en dat na te melden maatregel op zijn plaats is.

Rechtdoende: Legt aan de arts de maatregel van waarschuwing op.

Beveelt bekendmaking, met inachtneming van artikel 13b van de Medische Tuchtwet, van deze beslissing door toezending aan het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, ter plaatsing in de Nederlandse Staatscourant en door aanbieding ter plaatsing aan de redactie van Medisch Contact, Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde en het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht.

Bepaalt dat uit 's Rijks kas aan klaagster of aan de persoon over wie geklaagd is geen kosten voor hen voortvloeiend uit de behandeling van de zaak zullen worden vergoed.

Aldus gewezen op 15 april 1987 door: mr.S.F.Kootte, voorzitter; J.K.Pameijer, dr.H.L.Kalsbeek, leden-geneeskundigen; H.Schrijver, H.L.van Amerongen, plv. leden-geneeskundigen, en mr.P.Viersen-Kooiman, secretaris.

Gerelateerde artikelen

Reacties