De oudere zwangere dient bijzondere informatie ook duidelijk geboden te worden

Perspectief
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1986;130:457
Download PDF

Het College voor de beslissing in Eerste Aanleg in zaken van het Medisch Tuchtrecht en Medische Geschillen te 's-Gravenhage heeft op woensdag 23 oktober 1985 de navolgende uitspraak gedaan inzake de klacht van: A, klaagster, wonende te W, tegen: B, gynaecoloog, wonende te X, de persoon over wie geklaagd wordt, hierna te noemen de arts.

Gezien de stukken;

Gehoord ter zitting van het College van woensdag 23 oktober 1985 partijen in persoon, klaagster bijgestaan door mr.C, advocaat te Y, de arts bijgestaan door mr.D, advocaat te Z.

Overwegende dat de klacht, kort en zakelijk samengevat, het navolgende behelst: Klaagster is op 43-jarige leeftijd zwanger geworden. Zij was onder controle bij de arts. Bij de geboorte bleek de baby te lijden aan het syndroom van Down. Klaagster verwijt de arts dat deze haar niet gewezen heeft op de risico's verbonden aan een zwangerschap op ‘hogere’ leeftijd en op de mogelijkheid een vruchtwaterpunctie te verrichten. De arts is naar de mening van klaagster ernstig te kort geschoten in zijn plicht om haar te informeren.

Overwegende dat de arts kort en zakelijk samengevat zich als volgt verweert: Het is de gewoonte van de arts om bij patiënten boven 36 à 37 jaar altijd de vraag te stellen of zij een vruchtwaterpunctie wensen. Of hij in het onderhavige geval zulks ook heeft gedaan kan hij zich niet meer concreet herinneren. Hij neemt aan van wel, aangezien hij dit altijd routinematig doet. Een aantekening heeft hij niet gemaakt. In voorkomende gevallen zegt hij tegen patiënten dat er gezien hun leeftijd meer kans is op aangeboren afwijkingen. Ook deelt hij mede dat twee van die afwijkingen via een vruchtwaterpunctie kunnen worden vastgesteld. Hij zegt niet routinematig dat bij die afwijkingen gedacht moet worden aan een ‘mongooltje’ en een ‘open rug’. Hij wijst de patiënten er op dat een vruchtwaterpunctie slechts zin heeft indien men, indien een der afwijkingen wordt geconstateerd, overgaat tot een abortus provocatus. In het onderhavige geval kan hij zich het antwoord van klaagster niet herinneren. Het is niet zijn gewoonte om de vraag of een vruchtwaterpunctie moet plaatsvinden meerdere malen te stellen.

Het College overweegt met betrekking tot deze klacht als volgt: Op de arts rust de plicht om de patiënten voldoende te informeren. Daarnaast dient de arts zich ervan te vergewissen dat de patiënte de informatie c.q. vraag ook in volle omvang heeft begrepen. Het College heeft in het onderhavige geval de indruk dat, zo devraag of patiënte een vruchtwaterpunctie wilde laten verrichten al is gesteld, de arts de informatie niet in voor klaagster ten volle begrijpbare vorm heeft gegoten. Van klaagster, die geen uitgebreide schoolopleiding heeft gevolgd, mag niet worden verwacht dat zij weet dat onder ‘afwijkingen’ moet worden verstaan een ‘mongooltje’ en een ‘open rug’. Van de arts kan worden verlangd dat hij in een dergelijk geval er de tijd voor neemt om de patiënt duidelijk te maken om welke afwijkingen het in concreto handelt en zich ervan vergewist, zo nodig door herhaling van de vraag bij een volgend bezoek, dat de patiënt een en ander goed heeft begrepen. Nu zulks in het onderhavige geval niet is geschied, acht het College de klacht gegrond en zal het de na te noemen maatregel opleggen. Het College acht publikatie van de uitspraak met het oog op het algemeen belang nuttig en zal bepalen dat zijn uitspraak wordt gepubliceerd met inachtneming van art. 13b van de Medische Tuchtwet.

Rechtdoende: Legt aan de arts de maatregel van waarschuwing op.

Beveelt bekendmaking, met inachtneming van artikel 13b van de Medische Tuchtwet, van deze beslissing door toezending aan het Ministerie van Volksgezondheid en Milieuhygiëne, afdeling Externe betrekkingen, ter plaatsing in de Nederlandse Staatscourant en door aanbieding ter plaatsing aan de redacties van Medisch Contact, Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde en het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht.

Bepaalt dat uit 's Rijks kas aan klager of aan de persoon over wie geklaagd is geen kosten voor hen voortvloeiend uit de behandeling van de zaak zullen worden vergoed.

Aldus gedaan op 23 oktober 1985 door: mr.S.F.Koote, voorzitter; H.Schrijver, dr.H.F.Heins, leden-geneeskundigen; E.W.Heerema, H.J.van Amerongen, plv. leden-geneeskundigen, en mr.P.Viersen-Kooiman, plv. secretaris.

Gerelateerde artikelen

Reacties