Het verslag van Gaubius inzake de eerste bevalling van Wilhelmina van Pruisen in 1769; 'De ongelukkige kraem van de Princes mijne gemaelinne'

Perspectief
F.B. Lammes
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2004;148:583-91
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Voor het originele Franse verslag klik hier.

In het Koninklijk Huisarchief bevindt zich een tot dusverre onbekend gebleven baringsverslag van de Leidse hofarts prof. H.D.Gaubius, waarin deze in het Frans een uitvoerige beschrijving heeft gegeven van de eerste, langdurige en ongelukkig verlopen bevalling in 1769 van Wilhelmina van Pruisen, de vrouw van de erfstadhouder Willem V. Er is kennelijk sprake geweest van een discrepantie tussen het voorliggend hoofd en het baringskanaal. In eerste instantie werd een afwachtend beleid gevoerd in de hoop dat een natuurlijk beloop zou zegevieren, maar uiteindelijk werd weloverwogen besloten tot beëindiging van de uitdrijving met de hefboom of vectis van Van Roonhuysen; deze ingreep werd uitgevoerd door de Amsterdamse vroedmeester Titsingh. Het kind bleek gedurende de partus te zijn overleden. De spontane geboorte van de placenta werd afgewacht, waarna het kraambed ongestoord verliep.

artikel

Op 23 maart 1769 wordt de Amsterdamse vroedmeester Albertus Titsingh per postkoets uit Amsterdam naar 's-Gravenhage gehaald om assistentie te verlenen bij de bevalling van Wilhelmina van Pruisen, de echtgenote van de erfprins Willem V (figuur 1).1 2 Het jonge paar – Wilhelmina (1751-1820) is pas 17 en Willem (1748-1806) net 21 jaar oud – is twee jaar eerder in Berlijn getrouwd en door velen in de Republiek wordt uitgezien naar de geboorte van een opvolger.3 Groot is het verdriet alom als blijkt dat de bevalling is geëindigd in de geboorte van een dood prinsje.

Over deze bevalling was tot dusverre nauwelijks iets bekend. In de uitvoerige biografie van Wilhelmina uit 1908, geschreven door Johanna Naber, wordt alleen vermeld: ‘In haar hoop moeder te zullen worden werd ze teleurgesteld.’4 In een recent essay van Schutte over Wilhelmina van Pruisen wordt de geboorte van een levenloos prinsje genoemd, zonder verdere details.5

Nu wil het toeval dat zich in de verzameling van de Vereniging Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde een verlostang bevindt met documenten waarin vermeld staat dat met deze forceps Wilhelmina van Pruisen in 1772 door de vroedmeester Titsingh verlost werd van de latere koning Willem I. Verdere naspeuringen leidden naar het Koninklijk Huisarchief. Er bleek daar een document te zijn betreffende een eerdere bevalling van Wilhelmina van Pruisen, namelijk de genoemde ongelukkig verlopen bevalling in maart 1769, geschreven door prof.H.D.Gaubius, de lijfarts van de prins. Dit verslag is voorzien van een verklaring van authenticiteit die door de prins zelf is geschreven en verzegeld ‘om onder de Sekreete Stukken de te Bewaeren’ (figuur 2). Kennelijk was er veel aan gelegen om de juiste gang van zaken bij deze ongunstig verlopen bevalling nauwkeurig en discreet vast te leggen. Mij werd alle medewerking verleend om dit stuk,6 dat tot dusverre niet bekend was, nader te onderzoeken en hierover te publiceren.

De waarde van het stuk is groot omdat het inzicht geeft in de begeleiding van de bevalling in die tijd en vooral ook omdat het verheldert hoe de vroedmeester Titsingh tot zijn indicatiestelling voor de kunstverlossing kwam. Over Albertus Titsingh zelf en de bewaarde forceps is een apart artikel in voorbereiding.

Hieronymus David Gaubius (1705-1780) was een van de opvolgers van Boerhaave in Leiden en werd in 1761 door de Staten-Generaal tot lijfarts van de prins-stadhouder benoemd (figuur 3).7 In de daaropvolgende jaren werd dikwijls zijn hulp gevraagd bij medische problemen van de prinselijke familie; zo vaak dat het ten koste zou zijn gegaan van zijn universitaire werkzaamheden.8 Hij hield zich in Leiden voornamelijk bezig met de chemie en de theoretische geneeskunde.9

Gaubius zal zelf als doctor medicinae zeker geen verloskundige hulp hebben verleend; in het verslag is ook meerdere keren sprake van een niet met name genoemde vroedvrouw. De lijfarts hield zich meestal bezig met de supervisie van de gezondheidstoestand aan het hof en was lang niet altijd direct betrokken bij de uitvoerende geneeskundige zorg.10 De details die Gaubius beschrijft zijn echter zodanig dat hij tijdens de bevalling in de buurt moet zijn geweest van het stadhouderlijk kwartier op het Binnenhof, waar de bevalling plaatsvond. Dat laatste is op te maken uit de Amsterdamsche Courant van 30 maart 1769, waar we lezen dat ‘het lijk van den jonggebooren prins, van voorgaanden vrijdagmiddag tot saturdagavond, op een paradebed in één der vertrekken van het stadhouderlijk kwartier voor een ieder te zien is geweest’. Ook was Gaubius goed op de hoogte van het probleem van ‘het geklemde hoofd’; er zijn hierover twee brieven van hem bekend uit 1751, gericht aan Paulus de Wind.11 12

gaubius' verslag van de bevalling

Het verslag van de bevalling is in het Frans geschreven, de taal die indertijd gebruikelijk was aan het hof en in hofkringen, en het handschrift ervan komt overeen met dat van andere brieven van Gaubius.8 De transcriptie van het handschrift was soms moeilijk, onder meer doordat met inkt op beide kanten van dun papier is geschreven (figuur 4). Er is in het Koninklijk Huisarchief een duplicaat aanwezig in hetzelfde handschrift met vrijwel identieke tekst, waardoor het ontcijferen van onleesbare passages soms werd vergemakkelijkt.

Het oorspronkelijke manuscript vangt aan met ‘Son Altesse Royale Madame la Princesse d’Orange ayant atteint le terme de sa grossesse . . .' Het kan als volgt worden vertaald, waarbij de stijl van lange, aaneengeschakelde zinnen zoveel mogelijk is behouden:

‘Hare Koninklijke Hoogheid Mevrouw de Prinses van Oranje, die de uitgerekende termijn bereikt had van haar zwangerschap, welke tot dusverre zo gelukkig was verlopen als men zich maar kon wensen, werd in de nacht van 21 op 22 Maart onrustig door lichte vlagen van lendenpijn, die echter niet zo gevoelig waren dat zij het nodig vond er iemand voor wakker te maken om hulp in te roepen.

Bovendien bracht een rustige slaap die tenslotte tegen de ochtend inviel de weeën tot bedaren en de Prinses stond als gewoonlijk op, met nog slechts lichte klachten van de voorbije pijn. Bemerkend dat het weer gunstig was, kreeg H.K.H.13 er zin in om, zoals haar gewoonte was, een tochtje met de koets te maken, 's middags om één uur. Er was weinig reden om haar daarvan af te houden; integendeel, men verwachtte er veel goeds van en men kon, mede gezien de aanbevolen voorzorgen, zich verlaten op de bekende volgzaamheid van H.K.H. en de wijze zorgen van Mw. van Dankelman,14 die haar zou gaan vergezellen.

Na terugkeer bleef de onduidelijke toestand voortduren zonder verdere klachten en de rest van de dag en de avond gingen voorbij zoals gewoonlijk. Omstreeks tien uur echter trok de Prinses zich terug uit haar gezelschap toen zij meer dan tevoren last kreeg van dezelfde weeën en zij volgde de raad op om een licht souper te gebruiken in haar appartement en kort daarna te gaan slapen. De aard van de terugkomende pijnscheuten was zodanig dat zij, uitgeput, de slaap niet kon vatten en alles maakte zich klaar voor de geboorte.

Om vier in de volgende ochtend was er een overvloedige stoelgang die verlichting gaf, waarna de vroedvrouw vaststelde dat de opening van de baarmoeder zich regulair had ontsloten met een weke ring en dat het water zich liet toucheren de vliezen stonden kennelijk; de positie van het kind was natuurlijk.15

Omstreeks zeven uur, toen bleek dat het water nauwelijks was gevormd noch was toegenomen, gaf men een lavement om het verloop van de baring te bevorderen. Het resultaat was dat met de stoelgang die erop volgde, het water tegelijkertijd wegliep. Daarna werden de weeën krachtiger en de vroedvrouw gaf goede hoop dat men uiterlijk tegen het middaguur de voltooiing van de baring kon verwachten.

Desalniettemin, tegen alle verwachting in, en ondanks de kracht van de weeën die ondersteund werden door de dappere pogingen van de goede Prinses, geholpen door allerlei gunstige posities en andere ondersteuningen, hadden wij het ongenoegen om vast te stellen dat de vooruitgang van het kind niet voldeed aan de verwachtingen en dat het middaguur verliep zonder dat er iets was gewonnen. Behalve dat de glibberigheid van de baringsweg ontbrak en de baring droog verliep nu het vruchtwater – zonder enig teken van bloedverlies – was afgelopen sinds verscheidene uren, stelde men vast dat het hoofd van het kind uitzonderlijk groot was en het bekken van de moeder erg nauw, zodat het hoofd zich zelfs nog niet had begeven voor de opening van het baringskanaal opdat het gevangen kon worden.

In deze verschrikkelijke omstandigheden was de natuur vermoeid geworden en de kracht van de weeën verminderde; ondertussen verklaarde de vroedvrouw dat het kind nog vol leven was, maar dat gezien bovengenoemde bijzonderheden een enkele handgreep zeker niet in staat zou zijn om de bevalling teweeg te brengen, des te meer omdat geheel rondom het baringskanaal de delen ernstig waren gezwollen. Men besloot om niet meer aan te dringen op voltooiing van de bevalling, maar de Prinses te laten rusten en haar de noodzaak duidelijk te maken om de hulp in te roepen van de vroedmeester die men ter beschikking had; men had hem uit Amsterdam laten komen, de meest ervaren man, en de voorzichtigste in zijn kunst, die er in de Republiek ooit was geweest.

De wil van H.K.H. bood nooit weerstand aan de rede;16 het voorstel werd meteen aangenomen. Toen de vroedmeester was toegelaten om de situatie te onderzoeken, verklaarde deze dat hij het kind in natuurlijke positie vond liggen; het hoofd was nog vrij, maar erg groot en de doorgang erg nauw. En omdat deze situatie dagelijks voorkwam bij primiparae, die toch met de tijd gelukkig baarden door de natuur alleen, was hij terecht van mening dat het in de actuele toestand niet nodig was om een kunstgreep toe te passen, aangezien men alles mocht verwachten van de inspanningen van de natuur, en dat, aangezien deze nu zeer vermoeid was, men er goed aan had gedaan om haar gedurende enkele uren te laten rusten; waarbij hij er niet aan twijfelde dat men haar na deze rust de weeën weer zou zien hernemen – trouwens, zonder deze zouden alle inspanningen van een kunstgreep nutteloos zijn en zelfs nadelig. Bovendien riskeerde men niets door te wachten, noch wat betreft de moeder, noch wat betreft het kind, dat niet leed omdat het nog niet was ingedaald.

Gerustgesteld door deze overwegingen volgde men deze raad op en inderdaad zag men dat omstreeks zeven uur 's avonds de weeën weer geleidelijk toenamen; de pols verdubbelde zelfs, met veel meer kracht dan gedurende de hele dag. Er voegde zich een koortsige verhitting aan toe, wat ons enerzijds duidelijk maakte hoe verbeten de natuur doende was om het probleem op te lossen, maar anderzijds niet naliet om ons tegelijk te doen vrezen voor de noodlottige gevolgen, hetzij vóór, hetzij na de geboorte. Men besloot daarom tot een aderlating aan de arm om gevrijwaard te zijn tegen de ziekteverschijnselen die de buitensporige inspanningen zouden kunnen veroorzaken men meende destijds dat er door een aderlating meer ademlucht ter beschikking kwam om mee te persen en dat de kans op nabloeding verminderd zou zijn.

Nadat deze voorzorgen waren genomen, liet men de natuur haar gang gaan om te zien of zij door haar activiteit, geholpen door de gebruikelijke assistentie, zou kunnen slagen. En men moet erkennen dat zij zich krachtig inspande, maar helaas zonder evenredig resultaat. Daarom besloot men na negen uur, uit vrees om opnieuw blootgesteld te worden aan een tekortschieten van de weeën wanneer deze nutteloze inspanningen nog langer werden volgehouden, om de natuur kunstmatig te helpen. En de vroedmeester stemde daar des te meer mee in omdat hij – zo verklaarde hij – de weeën absoluut nodig had om met succes het instrument aan te wenden, dat alleen in dit geval zodanig zou kunnen worden toegepast dat noch de Prinses zou worden beschadigd, noch het kind aanmerkelijk zou lijden ingeval het levend geboren zou worden.

Dit is het instrument dat enkele jaren geleden bekend en openbaar is gemaakt17 onder de naam “het geheim van Van Roonhuysen” en dat bestaat uit een soort gebogen spatel, waarvan de toepassing en werking die is van een hefboom, welke, bekleed met bombazijn een sterk weefsel van linnen, aan één zijde geruwd, kennelijk toegepast om afglijden van het instrument te voorkomen, zachtjes gevoerd wordt tussen het gevangen ingedaalde hoofd van het kind en de plaats van de te nauwe doorgang, en door een bekwame handeling het hoofd snel en zonder schade bevrijdt uit zijn beklemming.

De vroedmeester begon dus met zijn handgreep, bijgestaan door de natuurlijke weeën die werden aangespoord door de werkelijk heroïeke inspanningen van de Prinses, en toen hij veel weerstand ondervond door de nauwheid van de doorgang ten opzichte van de omvang van het hoofd en door de zwelling van de delen rondom, nam hij zijn maatregelen om kneuzing te voorkomen door langzaam te handelen en steeds met de vlagen van de weeën mee, en zo bracht hij tenslotte om kwart over elf de geboorte van het kind tot stand.

De nageboorte volgde vanzelf een half uur later, uitgedreven enkel en alleen door de kracht van de natuur, zonder dat men deze met de hand had losgemaakt, zelfs niet door trekken aan de navelstreng. De panische neiging waarmee men zich in het algemeen ongerust maakt wanneer deze massa niet meteen loskomt na de geboorte van het kind, begint onder ons18 te verdwijnen. En het is zeer opmerkelijk dat sinds men die angst kwijt is en dit werk geheel aan de natuur is gaan overlaten, de ziekten van de vrouwen in het kraambed aanzienlijk blijken te zijn verminderd.

De vreugde die men verwachtte bij het gelukkige moment van het einde der smarten van de zeer beminde Prinses en bij de geboorte van een Prins, werd onmiddellijk gevolgd door een bittere smart toen wij bemerkten dat het niet door een bezwijming, maar door de dood zelf kwam dat de pasgeborene zijn geboorte niet aankondigde met de gebruikelijke kreten; alle middelen om de levensgeest weer op te wekken bleken tevergeefs.

Het kind, van de eerste grootte van pasgeborenen, was bijna twee voet lang en weldoorvoed; het zwaar geproportioneerde hoofd toonde maar al te zeer de oorzaak van dit smartelijk gebeuren.

Onderworpen aan de Voorzienigheid “Soumis à la Providence” zegenen wij deze opdat zij zich mag verwaardigen om de bitterheid van dit verlies te verzachten door de Koninklijke Moeder te behouden, die, na zoveel smarten waarbij zij met haar moed, haar geduld en haar volgzaamheid al de aanwezigen tot bewondering bracht, zich nu verheugt in al de voorspoed waarmee het gelukkigste kraambed maar kan worden begunstigd.

Geschreven op de 31e maart 1769.’

epicrise

Kort gezegd vond hier een langdurige uitdrijving bij een primigravida plaats, welke veroorzaakt werd door een discrepantie tussen het voorliggend hoofd en het baringskanaal. Als oorzaak wordt de zeer grote omvang van het kinderhoofd genoemd. Aanvankelijk is er nog sprake van een hoogstaande schedel, maar indaling moet hebben plaatsgevonden, anders was het niet mogelijk geweest om het hoofd met behulp van de hefboom van Van Roonhuysen geboren te laten worden. De vroedmeester Albertus Titsingh (figuur 5), die per diligence uit Amsterdam is gehaald voor een consult, wacht in eerste instantie af en hoopt op een natuurlijk beloop, waarbij hij zich beroept op zijn ervaring bij primigravidae. Uiteindelijk besluit hij tot de kunstverlossing, die uitvoerig door Gaubius wordt beschreven. Het wordt niet duidelijk op welk moment het kind is overleden; de foetale harttonen worden pas in 1821 voor het eerst waargenomen (door Lejumeau, met behulp van de houten cilinder van Laënnec).

De dankbetuiging aan de Voorzienigheid geeft aan dat er grote zorg is geweest over het verdere kraambed; niet ten onrechte, gezien de duidelijk vergrote kans op de meestal letale kraamvrouwenkoorts. Het kraambed verliep echter geheel ongestoord. In het Koninklijk Huisarchief bevindt zich een in het Nederlands geschreven ‘Memorie’ waarin van dag tot dag wordt vermeld hoe goed het met de prinses gaat: ‘volkoomen vrij zijnde van koorts, avanceert zij gelukkigh in Hoogstderzelfder herstelling’.19 Uiteindelijk lezen we in de Amsterdamsche Courant van 25 april 1769 dat ‘de gemaalinne van den Prins Erfstadhouder van verscheidene aanzienlijke dames de complimenten heeft ontfangen, wegens derzelfer gelukkige herstellinge’ en dat zij op 2 mei tezamen met de prins in ‘de Groote Kerk, onder het gehoor van Do. dominee Serrurier, den godsdienst heeft bijgewoond’. Belle van Zuylen schrijft reeds op 31 maart 1769 aan haar vriend Constant d'Hermenches: ‘Van je zoon hoor je ongetwijfeld alle Haagse verhalen, ook over de miskraam van onze mooie prinses.’20

In het verslag is de defensieve opstelling van de lijfarts herkenbaar, bijvoorbeeld in zijn motivatie van het afwachtend beleid, zijn uitvoerige toelichting omtrent de voorzorgen bij de kunstverlossing en zijn verantwoording van de beslissing om de spontane expulsie van de placenta af te wachten. Het is niet zonder reden dat Gaubius zo uitvoerig ingaat op het gevoerde beleid bij de uiteindelijk ongelukkig afgelopen bevalling. Ook in die tijd was het al duidelijk dat er een verband kon bestaan tussen het obstetrisch beleid en het overlijden van het kind, de moeder of beiden. Er zijn meerdere gevallen bekend van gerechtelijk onderzoek naar het verband tussen verloskundige calamiteiten en de aanwezige vroedvrouw of vroedmeester. Zo wordt in de annalen van het Collegium Medicum Amstelaedamensi verscheidene malen verslag gedaan van onderzoek en rapportage aan de ‘Heeren Burgemeesteren’ inzake verlossingen die fataal waren geëindigd.21 Een dergelijke calamiteit vormde ook de aanleiding tot de zogenaamde ‘eerste vroedmeesters-kwestie’, die leidde tot regulering van het beroep en tot examens voor de Amsterdamse vroedmeesters. Vooral gezien de staatkundige belangen die er op het spel stonden, kon Gaubius verwachten dat sommigen de schuld van het overlijden van het prinsje zouden willen terugvoeren op het verloskundige handelen. Het verslag en de kopie werden door Gaubius zelf geschreven en door prins Willem V met zijn zegel gewaarmerkt, waarna de documenten in het geheime archief werden opgeslagen.

De vraag rijst waarom Gaubius de vroedmeester helemaal uit Amsterdam liet komen. De relatie van het hof met de Haagse chirurgische school in dat jaar is niet duidelijk. Eén van de Haagse professoren, Thomas Schwencke, die zich uitvoerig met verloskundig onderricht had beziggehouden en die hofarts was geweest van prins Willem IV, was kort daarvoor, in 1767, overleden.22 In Leiden wijdde Gaubius zich vooral aan de scheikundige fysiologie en doceerde F.B.Albinus de theoretische verloskunde.9 23 Pas met de benoeming van Du Puy in 1791 kreeg het Leidse universitaire onderwijs een eigen hoogleraar in de praktische verloskunde.24

Juist in de tweede helft van de 18e eeuw veranderde de beoefening van de praktische verloskunde sterk. De zogenoemde tang van Smellie was in 1749 door Petrus Camper (1722-1789) in Holland geïntroduceerd, maar in 1753 was ook ‘het geheim van Van Roonhuysen’, de hefboom, aan de openbaarheid prijsgegeven (figuur 6).25 26 Al in 1759 bracht Camper de discussie op gang inzake de keuze tussen hefboom en forceps.27 In dat jaar verzorgde hij de herdruk van een boek van Mauriceau: Tractaat van de siekten der swangere vrouwen. Aan het begin vindt men een addendum van Camper met een uitvoerig commentaar op het gebruik van de hefboom. Camper maakte ook de tekening (plaat nr. 37; zie figuur 6) van de speciale hefboom van Titsingh voor de door M.van der Haage verzorgde vertaling van het boek van de Britse arts William Smellie.26 Na het vertrek van Camper naar Groningen in 1761 verslechterde het verloskundig onderwijs in Amsterdam gedurende geruime tijd en trachtte Titsingh het geheim van Van Roonhuysen nog in stand te houden.28 Gaubius had zich eerder intensief beziggehouden met deze problematiek, zoals blijkt uit twee brieven aan Paulus de Wind.11 In de brief van 2 februari 1751 schrijft hij dat hij persoonlijk van gedachten heeft gewisseld met een van de ‘monopolieten’ van het Roonhuysiaanse geheim. Op dat moment zijn dat er hoogstens drie, onder wie Albertus Titsingh.

Het vorstelijke bezoek aan Amsterdam in 1768 heeft waarschijnlijk een goede gelegenheid geboden tot persoonlijk contact tussen Gaubius en Titsingh, wat zou kunnen verklaren waarom Gaubius ervoor koos Titsingh in 1769 in consult te roepen bij de bevalling van de prinses. In 1768 was de jonge prins met zijn echtgenote feestelijk ontvangen in Amsterdam.29 Van dit vier dagen durende staatsiebezoek is een uitvoerig verslag bekend.30 Nauwgezet wordt het bezoek beschreven, met alle feesten en de vele audiënties met burgemeesters, regenten en vertegenwoordigers van de burgerij. Van het vorstelijk gezelschap worden allen met naam en toenaam vermeld, onder anderen ‘de lijfmedicus van zijn Hoogheid prof. Gaubius’. Het kan wel als zeker worden beschouwd dat Gaubius gedurende zijn plichtmatige aanwezigheid de kennismaking met de Roonhuysianen heeft vernieuwd, met name met Titsingh, die op dat moment decaan was van het chirurgijnsgilde.31 Het lijkt daarom niet zo uitzonderlijk dat Gaubius een jaar later, bij de dreigende obstetrische calamiteit aan het hof, een beroep doet op vroedmeester Titsingh, ‘de meest ervaren man, en de voorzichtigste in zijn kunst, die er in de Republiek ooit was geweest’.

Titsingh was waarschijnlijk door Gaubius voor de zekerheid reeds aan het begin van de baring in consult geroepen (figuur 7). Amsterdam was niet snel te bereiken: met de reguliere dagelijkse postkoets-diligence duurde het via Lisse minstens 6 h en de reistijd zal met de snelle postkar via Alphen niet veel korter zijn geweest.32 Zeker is in ieder geval dat Gaubius in 1772 geen risico's nam en Titsingh drie weken aan het hof logeerde in afwachting van de derde bevalling van de prinses.33

Het is kennelijk nooit nodig geweest om dit baringsverslag aan de openbaarheid prijs te geven, maar we weten wel dat er discussie is geweest. Als de prinses namelijk een jaar later nog steeds niet opnieuw zwanger is, blijken er roddels te circuleren over een mogelijke samenhang met het doorgemaakte ‘kramen van H.K.H.’.34 Zowel het handelen van Gaubius als dat van de vroedmeester staat ter discussie. De hertog van Brunswijk bemoeit zich ermee en zelfs wordt de verwachting uitgesproken dat de prinses ‘in ’t vervolg niet wel wederom in staet soude geraken om te konnen verlossen'. Gelukkig wordt deze veronderstelling niet bewaarheid, zoals we weten, maar dit alles maakt wel duidelijk waarom Gaubius zo nauwgezet heeft vastgelegd wat er precies bij de bevalling is gebeurd. Aan het einde van 1769 krijgt de prinses een ernstige pokkeninfectie, maar daarna wordt ze toch opnieuw zwanger en bevalt in december 1770 voorspoedig van een prinsesje, Louise, en in 1772 van een prinsje, de latere koning Willem I. Van beide bevallingen is geen baringsverslag bekend, maar we weten uit andere bronnen dat Gaubius en Titsingh bij beide bevallingen betrokken zijn geweest.7 Zo bevindt zich in het Koninklijk Huisarchief een documentje met een opgave van de geschenken die prins Willem V aan Gaubius en Titsingh gaf naar aanleiding van de geboorte van prinses Louise in 1770: Gaubius kreeg 100 gouden rijders, een gouden snuifdoos en een gouden rottingknop met een gouden rottingbandje, door prinses Wilhelmina zelf vervaardigd; Titsingh kreeg 300 gouden dukaten en een gouden snuifdoos.35 Over de honorering die Titsingh ontving voor zijn hulp bij deze moeilijke bevalling heb ik geen gegevens gevonden, maar hij zal daarvoor ook ‘vorstelijk’ zijn beloond. Deze hulp van Titsingh heeft zijn faam vergroot en die reputatie werd bestendigd door zijn assistentie bij de volgende bevallingen van de prinses.

Prof.dr.M.J.van Lieburg gaf aanwijzingen voor de naspeuringen; dr.H.C.Walvoort was behulpzaam bij het ontwarren en vertalen van moeilijke passages in de Franse transcriptie; drs.B.Woelderink, directeur van het Koninklijk Huisarchief, maakte het mij mogelijk om het manuscript van Gaubius nader te bestuderen en gaf toestemming voor publicatie. J.van der Heide†, oud-hoofdredacteur-secretaris van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, bracht mij op het spoor van Titsingh.

Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: geen gemeld.

Literatuur
  1. Jacob Bicker Raye. Merkwaardige notities over hetdagelijks leven in de jaren 1732-1772 handschrift in het AmsterdamsGemeentearchief, B54; microfilm 3663.

  2. Beijerinck F, Boer MG de. Het dagboek van Jacob BickerRaije. Amsterdam: Paris; 1935.

  3. Frijhoff W. Prins Hendrik van Pruisen in de Republiek. DeAchttiende Eeuw 2002;342:77-125.

  4. Naber JWA. Prinses Wilhelmina. Amsterdam: Meulenhof; 1908.p. 32.

  5. Schutte GJ. Wilhelmina van Pruisen. In: Oranje in deachttiende eeuw. Amsterdam: Buijten & Schipperheijn; 1999.

  6. Koninklijk Huisarchief, A18/15C-5.

  7. Houtzager H. Hieronymus David Gaubius, lijfarts van PrinsWillem V ter perse.

  8. Hamers-van Duynen SW. Hieronymus David Gaubius 1705-1780proefschrift. Amsterdam: Vrije Universiteit; 1978.

  9. Barge JAJ. Het geneeskundig onderwijs aan de Leidscheuniversiteit in de 18e eeuw.Ned Tijdschr Geneeskd1934;78:47-68.

  10. Nutton V. Medicine at the courts of Europe 1500-1837.Londen: Routledge; 1990.

  11. Universiteitsbibliotheek Amsterdam, inventarisnummer EF185, 186.

  12. Bleker OP, Pel JZS. Paulus de Wind (1714-1771). Archief:Mededelingen Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen1998;80:57-80.

  13. Er staat ‘S.A.Rle’ = Son AltesseRoyale. Wilhelmina was van geboorte een koninklijke prinses van Pruisen enhad daarom recht op deze titel, in tegenstelling tot Willem, die in stukkenvan die tijd steeds wordt aangeduid als ‘Doorluchtige’.

  14. Freule van Dankelman (Sophie A. barones (Freiin) vonDanckelmann (1718-1790)) was Wilhelmina's belangrijkste en meestvertrouwde hofdame. Zij was met de prinses uit Berlijn meegekomen en wasvroeger haar gouvernante geweest (Fox J. Willem V en Wilhelmina vanPruisen's bezoek aan Amsterdam in 1768. Jaarboek VerenigingOranje-Nassau Museum 1980:49-84).

  15. Onder ‘natuurlijke positie’ wordt verstaan:het hoofd vooruit, in tegenstelling tot de positie bij een stuit- ofdwarsligging. Men maakte toen nog geen onderscheid tussen de verschillendestanden van het voorliggende hoofd.

  16. Door tijdgenoten wordt steeds heel waarderend gesprokenover de prinses, zowel over haar uiterlijk als over haar karakter; ook doorrelatieve buitenstaanders zoals De Huybert, spion in Oostenrijkse dienst aanhet prinselijk hof, in zijn rapportage in 1768 (Gabriëls AJCM. Het hofvan prins Willem V in 1768, een momentopname. Jaarboek VerenigingOranje-Nassau Museum 1985:94-128). Belle van Zuylen heeft de gelaatstrekkenen het sympathieke voorkomen van de prinses beeldend beschreven nadat zij in1767 door haar ouders aan de prinses was voorgesteld (Dubois S. Belle vanZuylen en Den Haag. Jaarboek Die Haghe 1984:111-33).

  17. De sluier over het geheimzinnige instrument van VanRoonhuysen was in 1753 enigszins opgelicht (Visscher J de, Poll H van de. Hetontdekt Roonhuisiaansch geheim in de vroedkunde. Leiden: Heyligert; 1753).Wisselend sprak men in die tijd van ‘hefboom’,‘spatel’, ‘hevel’ of ‘vectis’; de term‘hefboom’ past het best bij de wijze waarop het instrument werdgebruikt.

  18. Waarschijnlijk wordt met ‘onder ons’vakbroeders bedoeld. Aan het begin van de 18e eeuw was het de gewoonte om deplacenta meteen na de geboorte van het kind manueel te verwijderen. PetrusCamper, van 1755 tot 1761 hoogleraar Anatomie aan het Athenaeum Illustre teAmsterdam, was in de leer geweest bij Smellie en was mede daardoor eenvoorstander van een genuanceerder beleid, waarbij pas tot manueleverwijdering werd overgegaan als afwachten zonder resultaat was gebleven.Albertus Titsingh, stadsvroedmeester, had Camper geassisteerd bij zijnanatomische lessen en was daardoor goed op de hoogte van zijn inzichten(Nieuwenhuis T. Vroedmeesters, vroedvrouwen en verloskunde in Amsterdam,1746-1805. Amsterdam: Het Spinhuis; 1995).

  19. Koninklijk Huisarchief, nr 2887.

  20. Belle van Zuylen. Ik heb geen talent voorondergeschiktheid. Amsterdam: Van Oorschot; 1987. p. 628.

  21. Haver Droeze JJ. Het Collegium Medicum Amstelaedamensi.Haarlem: Bohn; 1921.

  22. Endtz LJ. De Hage-Professoren. Amsterdam: Specia;1972.

  23. Suringar GCN. Verval van het klinisch onderwijs na dendood van Boerhaave. NedTijdschr Geneeskd 1866;10:256-83.

  24. Lamens-van Malenstein MM. Oefening en bespiegeling. Hetverloskunde onderwijs van M.S.du Puy (1754-1834) te Leidenproefschrift. Leiden: Universiteit Leiden; 1997.

  25. Nuyens BWT. Petrus Camper (1722-1789) als verloskundige.Ned Tijdschr Geneeskd1930;74:38-60.

  26. Smellie W. Verzameling van vroedkundige gevallen enwaarnemingen. Vertaald door M.van der Haage. Deel 3. Amsterdam: Jan Morterre;1765.

  27. Geijl A. De geschiedenis van het Roonhuysiaans geheim.Rotterdam: Boogaerdt; 1905.

  28. Geijl A. Briefwisseling tusschen Petrus Camper en AlbertTitsingh, over ‘regt’ en dwarsgeklemde hoofden.Ned Tijdschr Geneeskd 1908;52:228-48.

  29. Fox J. Willem V en Wilhelmina van Pruisen's bezoekaan Amsterdam in 1768. Jaarboek Vereniging Oranje-Nassau Museum1980:49-84.

  30. Wagenaar J. Verheugd Amsterdam. Amsterdam: Yntema enTiboel; 1768.

  31. Amsterdams Gemeentearchief, P.A. 366, p. 109.

  32. Brink EABJ ten. De geschiedenis van het postvervoer.Bussum: Fibula-Van Dishoeck; 1969.

  33. Lequin F. Isaac Titsingh (1745-1812). Alphen aan denRijn: Canaletto; 2002.

  34. Kramer FJL. Gedenkschriften van Gijsbert Jan vanHardenbroek (1747-1787). Amsterdam: Müller; 1901. p. 338-9.

  35. Koninklijk Huisarchief, PWV-1815.

Auteursinformatie

Contact Hr.prof.dr.F.B.Lammes, emeritus hoogleraar Verloskunde en Gynaecologie aan de Universiteit van Amsterdam, Peppinghof 3, 1391 BA Abcoude (fb.lammes@planet.nl)

Gerelateerde artikelen

Reacties