twee brieven van Frederik de Grote aan Wilhelmina van Pruisen

Troost na een trieste afloop van de zwangerschap

Perspectief
Frits B. Lammes
Henk C. Walvoort
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2009;153:A1196
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Prinses Wilhelmina van Pruisen, echtgenote van de Erfstadhouder prins Willem V, kreeg na haar noodlottig verlopen bevalling in het kraambed twee troostbrieven van haar geliefde peetoom koning Frederik de Grote. De brieven illustreren de bijzondere band die tussen hun beiden bestond. Nader wordt ingegaan op de wijze van troosten bij een zo herkenbare verdrietige gebeurtenis als perinatale sterfte.

Op 7 oktober 1767 werd in Berlijn het huwelijk gesloten tussen de erfstadhouder prins Willem V (1748-1806) en prinses Wilhelmina van Pruisen (1751-1820; figuur 1). Het zestienjarige meisje was al heel jong –evenals haar broers– weggehaald bij haar ouders om te worden opgevoed aan het hof van haar grootmoeder, die tevens moeder van koning Frederik II de Grote (1712-1786; figuur 2) was. Hij ging zich na haar twaalfde jaar steeds meer ontfermen over zijn nichtje.1

Figuur 1
Figuur 2

Het huwelijk met de vermogende prins van de Republiek der Verenigde Nederlanden had alle steun van de koning gekregen. Na haar vertrek uit Berlijn begon een geregelde briefwisseling tussen de koning en de prinses, die toenam in omvang en betekenis en die zonder onderbreking voort zou duren tot zijn dood. De koning wiens huwelijk kinderloos was, raakte steeds meer gesteld op zijn jonge nichtje. Zo vermeldde een Frans diplomaat: ‘Zij is de enige persoon op de wereld, die hij lief heeft’.2 Vlak voor de bruiloft schrijft hij aan Wilhelmina: ‘Mijn lieve kind, gij hebt vroeg uw vader verloren; het is nu aan mij om hem bij U te vervangen. Voeg daarbij mijn genegenheid voor U om Uw goed karakter en laat het U dan niet verwonderen dat ik treed in de plaats van hem, die u het leven schonk’.3 Wilhelmina adoreert haar oom en schrijft hem soms tweemaal per week. In haar latere memoires schrijft ze: ‘il ètait pour moi un second père’.4

De koning gaat na het huwelijk dan ook spoedig poolshoogte nemen door in juni 1768 het jonge echtpaar op te zoeken op hun jagtslot Het Loo. Uit de briefwisseling met zijn broer Hendrik [Heinrich von Pruisen 1726-1802] blijkt dat hij heel tevreden was met de manier waarop de prinses zich ontwikkelde, maar verder was het bezoek niet zo’n groot succes. Met name had de koning, die zelf een groot muziekliefhebber en een goed fluitspeler was, zich aan de Vlaamse opera geërgerd, die voor hem ten gehore was gebracht, en over de wijze waarop muziek door de hollanders werd uitgevoerd.2

In de brieven aan zijn nichtje komt ook naar voren dat hij hoopt dat ze hem spoedig peetoom zal maken en hij maant haar voorzichtig te zijn met paardrijden. De eerste zwangerschap laat echter nog even op zich wachten en aan het Haagse hof maakt men zich zorgen.5 Ten onrechte: aan het eind van 1768 wordt ze zwanger.

De graviditeit verloopt zonder problemen, tot de bevalling in maart 1769: deze stagneert, waarop de hulp wordt ingeroepen van de Amsterdamse vroedmeester Titsingh. In het uitvoerige verslag van de hofarts Gaubius van deze noodlottige geboorte, is beschreven hoe de vroedmeester uiteindelijk op 23 maart 1769 de geboorte beëindigd, maar het kind, een jongetje, blijkt dan al te zijn overleden. Dit verslag is nog niet zo lang geleden ontdekt en uitvoerig in dit Tijdschrift beschreven. 6,7

In het Koninklijk Huisarchief bevindt zich niet alleen dit baringsverslag, maar ook een tweetal brieven die door Frederik de Grote aan prinses Wilhelmina zijn geschreven vlak na haar bevalling. Wilhelmina moet Frederik al heel spoedig in het kraambed hebben geschreven. De juiste datum is niet bekend, omdat haar originele brieven in Berlijn tijdens de oorlog verloren zijn gegaan (Van de Pol L., schriftelijke mededeling). Vastgelegd is dat het kraambed heel voorspoedig verliep.8 Zo werd op 25 maart genoteerd: ‘Haere Koniklijke hoogheit, Mevrouw de Princesse van Orange, den dagh van gisteren en deze nacht zeer rustig hebbende doorgebragt, bevind zich heden verquikt, en enigszins in krachten toegenomen.’ Ze had waarschijnlijk alle gelegenheid om haar geliefde oom snel te schrijven, waarop hij direct heeft geantwoord.

De twee brieven

31 maart 1769

‘Lieve nicht,

Wat nu toch, mijn lieve kind? Denk je aan míj, vlak voordat je leven vreselijk gevaar liep? En stuur je me iets wat je zelf hebt gemaakt? Dat zal, mijn lieve kind, zo lang ik leef mijn huis niet verlaten, want het is het werk van je eigen handen en omdat ik het bij zulk een ernstige gebeurtenis heb gekregen, ben ik je er extra dankbaar voor. Ik heb gehuiverd toen ik hoorde van het gevaar waarin je zwangerschap je heeft gebracht en ik ben de hemel dankbaar dat je voor ons behouden bent gebleven. Je mag trots zijn op je geestkracht, je uithoudingsvermogen in de ellende en je kordaatheid. Ik zou wel willen, mijn lieve, lieve kind, dat het niet nodig was geweest dat je op deze wijze je moed moest tonen, maar je opgewekte geest maakt er weer het beste van – en bij al deze gelegenheden herken ik je weer, zoals ik het mocht verwachten van mijn bijzonder kind (als de hemel er mij nog een kon schenken) – ver weg als ik ben van de plaats waar jij bent, en ik kan niet meer laten weten dan steriele wensen voor je behoud en je snelle herstel.

Moge de hemel waken over je dagen en mij mijn adoptief kind bewaren, waarvan ik meer houd dan was ik haar eigen vader.

Stuur mij een antwoord, lieve, door de goede mevrouw Danquelman [haar gouvernante], en schrijf me niet voordat je gezondheid goed is hersteld en je het zonder risico kunt. Tot ziens, mijn geliefde en lieve kind, mijn hart is altijd dicht bij je en ik zal niet ophouden van je te houden dan wanneer ik ophoud met leven.

Zo blijf ik, mijn lieve nicht, je trouwe oom Frederic.’

Figuur 3

15 april 1769

‘Lieve nicht,

Godzijdank ben je aan een groot gevaar ontsnapt, waarop ik helemaal niet had gerekend, mijn lieve kind. De hemel heeft je op mijn wensen gered en ik hoop dat zij je nog lang zal bewaren om een oom te troosten die van je houdt.

Ik leef mee met het verdriet om het verlies van een zoon die je als moeder had moeten kunnen liefhebben en met de andere verliezen die dit met zich meebrengt. Maar, mijn lieve kind, we houden ons iets onwerkelijks voor ogen als we denken dat wat we wensen, ons ook ten deel zal vallen. Ik, die in deze wereld oud geworden ben, ik heb er meer moeiten en ontberingen gevonden dan genoegens. Toch moeten we ons neerleggen bij de zaken die we niet kunnen veranderen, en jij hebt door je uitmuntende karakter zoveel verstand dat ik er niet aan twijfel of je buigt niet onder een noodlot dat het hele universum beheerst.

Ik doe duizend geloften, mijn lieve kind, dat je in de toekomst gelukkiger mag zijn. Wees ervan verzekerd dat een vader voor zijn enige dochter niet meer belangstelling heeft dan mijn hart meeleeft met al wat jou overkomt. Deze gevoelens zal ik mijn hele leven hebben,

Zo blijf ik, mijn lieve nicht, je trouwe oom Frederic.’

Figuur 4

Beschouwing

In deze twee brieven reageert Frederik op de trieste gebeurtenis. Uit de data blijkt dat Wilhelmina hem reeds vroeg in het kraambed heeft geschreven, waarop hij haar per kerende post zijn medeleven betuigt en ook bedankt voor een handwerkje dat ze voor hem had geborduurd.

De eigenhandig geschreven brieven, zoals altijd bij Frederik de Grote in het Frans, tonen zijn precieze, goed leesbare handschrift. Uit niets blijkt dat we te maken hebben met brieven van de militante vorst, die enkele jaren daarvoor de 7-jarige Oorlog, ondanks ernstige verliezen, met succes heeft beëindigd en daarmee Pruisen tot een Europese grootmacht heeft gemaakt.9 De filosofische inslag van de schrijver is daarentegen geheel in overeenstemming met het beeld van Frederik de Grote zoals we dat kennen uit ondermeer zijn langdurige briefwisseling met Voltaire.

Het zijn persoonlijke, niet formele brieven, in directe stijl met dagelijks taalgebruik, zoals in die tijd gebruikelijk was in familiecorrespondentie aan hoven. Ze zijn opbeurend, meelevend en wars van sentimentele vroomheid. Pas in de tweede brief gaat Frederik wat verder, door te betogen dat niet alles gebeurt zoals een mens zich dat wenst. Over goddelijke voorzienigheid spreekt hij niet, hoogstens: ‘de hemel moge over je waken’, maar ook ‘over het noodlot dat het hele universum beheerst’. Geen uitzonderlijke taal voor een vorst die de ideeën van de Verlichting koesterde. Dit in grote tegenstelling met de troostende woorden van de hofpredikant Roijer. Wat hij met de prinses besproken heeft weten we niet, maar wel zijn de vrome woorden bekend die de predikant na de noodlottige bevalling richtte tot Prins Willem V, namelijk: ‘dat de Godheid in al haar handelingen met stervelingen te allen tijde wijze heilige oogmerken heeft, zelfs dan, wanneer deze niet overeenstemmen met de wensen en begeerten van de kortzichtige mens,…’.10 Deze ‘vertroostenden balsem van het christendom’ zoals de biograaf van Willem V omschrijft, vormt een treffend verschil met de verwerping van een persoonlijke goddelijke voorzienigheid die bij Frederik tot uiting komt, geheel in de lijn van de filosofen van de Verlichting.

Troosten

We weten niet of de hofarts Gaubius en de vroedmeester Titsingh de prinses hebben getroost met het verlies van haar eerstgeboren zoon. Troosten is voor een arts, ook heden ten dage, minder vanzelfsprekend dan men in eerste instantie veronderstelt.11 Direct betrokken bij het verdriet, wil de arts meestal niet trachten om het verdriet op te heffen met bemoedigende woorden. Spreken over de wisselvalligheid van het lot en het aansporen tot berusting zijn dan niet aan de orde. Samen weet hebben van het verdriet is het enige dat nodig is. De gynaecoloog of verloskundige zal in dit geval van een 17-jarige primipara weten dat de toekomst waarschijnlijk nieuwe mogelijkheden brengt, maar dat zal hij zeker niet op dat moment te berde willen brengen. De huisarts zal in het algemeen bij een dergelijk verlies later betrokken zijn en kan dan met argumenten komen die het verdriet temperen en daardoor troost kunnen geven, zodat aanvaarding misschien mogelijk wordt. Bremer heeft hieraan in zijn afscheidscollege uitvoerig aandacht gegeven.12

De brieven van Frederik maken duidelijk dat men voor compassie echter geen arts of pastor hoeft te zijn. Blijft de vraag bestaan of men compassie een vorm van troosten mag noemen en of men daarom in dit geval wel van ‘troostbrieven’ mag spreken. Vooral in de 18e en 19e eeuw bestond er een uitgebreide, meest stichtelijke literatuur in de vorm van gedichten en brieven die men omschrijft als ‘Consolatieliteratuur’.13 De moeilijke definiëring van het begrip ‘troosten’, maakt dat deze twee brieven passen in het kader van dit literaire genre. De brieven geven ook verdere diepte aan de historische beschrijving van deze bijzondere casus van perinatale sterfte.

Literatuur
  1. Van de Pol L. Het autobiografisch geheugen onder constructie. De herinneringen van Wilhelmina van Pruisen aan haar Berlijnse kinderjaren. Tijdschriftvoor Sociale en Economische Geschiedenis 2004;1:196-125.

  2. Volz G.B. Het huwelijk van prins Willem V. In: Krämer FJL et al.. Je Maintiendrai. Vol 2. Leiden: Sijthoff; 1905/’06. p. 215-28.

  3. Naber JWA. Prinses Wilhelmina. Amsterdam: Meulenhoff; 1908.

  4. Van Ditzhuysen R. Oranje Nassau, een biografisch woordenboek. Haarlem: Becht; 2004.

  5. Kramer FJL. Gedenkschriften van Gijsbert Jan van Hardenbroek (1747-1787). Amsterdam: Müller; 1901.

  6. Lammes FB. Het verslag van Gaubius inzake de eerste bevalling van Wilhelmina van Pruisen in 1769; ‘De ongelukkige kraem van de Princes mijne gemaelinne’ Ned Tijdschr Geneesk 2004;148:583-91.

  7. Lammes FB. Raadsels rond een verlostang van Albertus Titsingh (1714-1790). Ned Tijdschr Geneesk 2005;149:2910-20

  8. Koninklijk Huisarchief Inv Nr A32-63.

  9. Koninklijk Huisarchief Inv Nr N2887.

  10. Mitford N. Frederik de Grote. Amsterdam: Perscombinatie N.V.; 1971.

  11. Van der Aa C. Geschiedenis van het leven, character en lotgevallen van wijlen Willem den Vijfden. 5 delen. Amsterdam: Allart; 1806-1809.

  12. Hart W, Walvoort HC. ‘Troosten: altijd’; condoleancebetuigingen van artsen aan de nabestaanden van hun patiënten. Ned Tijdschr Geneesk 2001;145:2185-7.

  13. Bremer GJ. Troosten, in het bijzonder over de vraag of dokters moeten troosten. Afscheidcollege. Groningen; Particuliere uitgave: 1990.

  14. Cornelissen JDM. Over Consolatieliteratuur. In: De eendracht van het land. Amsterdam: De Bataafssche Leeuw; 1987.

Auteursinformatie

Prof.dr. F.B. Lammes, emeritus hoogleraar Verloskunde en Gynaecologie aan de Universiteit van Amsterdam.

Dr. H.C. Walvoort, hoofd eindredactie Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, Amsterdam.

Contact prof.dr. F.B. Lammes (fb.lammes@planet.nl)

Verantwoording

Charlotte J.M. Eymael, hoofdarchivaris van het Koninklijk Huisarchief attendeerde op het bestaan van deze twee brieven en gaf namens koningin Beatrix toestemming tot publicatie. Dr. Lotte van de Pol gaf suggesties inzake de historische context.
Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: geen gemeld.
Aanvaard op 24 september 2009

Gerelateerde artikelen

Reacties