Raadsels rond een verlostang van Albertus Titsingh (1714-1790)

Perspectief
F.B. Lammes
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2005;149:2910-20
Abstract
Download PDF

Samenvatting

In de verzamelingen van de Vereniging Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde bevindt zich een doosje met daarin een kleine verlostang naar het ontwerp van de Britse arts Smellie en tevens enkele documenten die iets vertellen over de herkomst. Het instrument heeft toebehoord aan de Amsterdamse chirurgijn-vroedmeester Albertus Titsingh en zou volgens de documentatie gebruikt zijn bij de geboorte in 1772 van de latere koning Willem I (1772-1843). Historisch onderzoek maakt dit echter zeer onwaarschijnlijk: het staat vast dat de geboorte van Willem I snel en voorspoedig verliep, en Albertus Titsingh was een gezaghebbend vroedmeester in een ‘verloskundig klimaat’ van afwachten en pas ingrijpen als de natuurlijke krachten falen.

Ned Tijdschr Geneeskd. 2005;149:2910-20

artikel

In de verzamelingen van de Vereniging Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde bevindt zich een doosje met daarin een kleine verlostang naar het ontwerp van de Britse arts Smellie (figuur 1). Het bevat tevens enkele documenten die iets vertellen over de herkomst van deze forceps. Het instrument heeft toebehoord aan de Amsterdamse chirurgijn-vroedmeester Albertus Titsingh en zou gebruikt zijn bij de geboorte van de latere koning Willem I (1772-1843), zoon van prinses Wilhelmina van Pruisen en erfstadhouder Willem V. In het Koninklijk Huisarchief is van deze geboorte in 1772 geen verslag bekend, maar wel van een eerdere bevalling van Wilhelmina van Pruisen in 1769, die was geëindigd met de geboorte van een dood prinsje. Dit uitgebreide, eigenhandig geschreven verslag van de hofarts prof. Gaubius werd door prins Willem V bewaard bij zijn ‘Sekreete Stukken’ geheime archieven.1 Uit dit verslag blijkt dat Titsingh bij deze noodlottige bevalling verloskundige hulp heeft verleend, evenwel niet met een Smellie-forceps, maar met de hefboom van Van Roonhuysen. De vondst van dit baringsverslag maakte de vraag dringender of de verlostang misschien toch was gebruikt bij de bevalling van de prinses in 1772. In dit artikel beschrijf ik de resultaten van historische naspeuring, onder andere met medewerking van het Koninklijk Huisarchief, om op deze vraag een antwoord te vinden.

de verlostang

Het gaat om een kleine, rechte verlostang van gesmeed donker ijzer met de afmetingen en vorm zoals Smellie die had ontworpen (tabel). De handvatten zijn bekleed met dun leer (figuur 2). Er wordt meestal gesproken over een bekleding van de handvatten met hondenleer, terwijl de lepels bedekt werden met stroken genaaid zeem- of hertenleer, waarbij de vensters open bleven. Soms koos men voor een doorlopend stuk zeemleer ‘dat de oogen afsloot alsdat het gemakkelijk vervangen kon worden indien het teveel bemorst’ was, of men gebruikte ‘baaij’, een ruwe soort katoen die meer houvast gaf.2 Petrus Camper (1722-1789), die als eerste deze forceps in de Republiek introduceerde, gaf een nauwkeurige beschrijving van dit type verlostang. Camper had in 1748 en 1752 een bezoek gebracht aan Londen;3 hij had lessen van Smellie gevolgd en had zelfs op Smellies verzoek enkele van de tekeningen voor diens boek vervaardigd (figuur 3).4

Voor een betere verificatie werden detailfoto’s en gegevens van de tang opgestuurd naar Bryan M.Hibbard, curator van het museum van het Royal College of Obstetricians and Gynaecologists in Londen.5 Deze bevestigde dat dit exemplaar overeenkomt met de eerste verlostangen van Smellie met het kenmerkende ‘Engelse schuifslot’ (zie figuur 2b), die zich daar in de verzameling bevinden. Er zijn altijd kleine verschillen, zo schreef hij, omdat elke tang afzonderlijk werd gesmeed, doch echt afwijkend was het ontbreken van de inkepingen (‘notches’) aan het einde van de handgrepen (zie figuur 2a). Waren deze wellicht verborgen onder het dunne leer? Op een röntgenfoto van de tang is duidelijk te zien dat het smeedijzer de kern vormde van houten handvatten (figuur 4). Met MRI-onderzoek werden zelfs de jaarringen van het hout zichtbaar, maar de kenmerkende inkepingen waren ook onder het leer niet aanwezig.

Het ontbreken van de bekkenbocht hoeft niet te betekenen dat er sprake is van een zeer vroege versie van de verlostang, want de handige kleine, rechte tang werd nog vele jaren gebruikt voor uitgangsproblemen, terwijl de lange tang met de bocht werd toegepast als het hoofd hoog was ‘ingeklemd’.6 De inkepingen, die het mogelijk maakten om met een windsel de handvatten langdurig tegen elkaar te binden, waren bij de kleine tang niet nodig. De handvatten waren ook doelbewust kort gehouden opdat ‘men er geen groot geweld mede doen zal, en de vrouw daar door een ongeluk toebrengen’.2 Beide verlostangen hadden hun indicatiegebied en bevonden zich dan ook heel lang in het instrumentarium van vroedmeesters.7 We weten daarom ook niet precies wanneer de hier beschreven tang vervaardigd is.

de documenten en de omzwervingen van de tang

In het doosje bevinden zich 6 documenten die iets vertellen over de herkomst van deze forceps. Op het oudste, van geschept dun papier (19,5 × 7,5 cm), is geschreven (figuur 5): ‘Dit is het Intrument sic, waar mede Mevrouw de Princes van Orange – vrouw van Willem de Vijfde, door den vroedmeester Titsing is verlost. – . Dien vroedmeester was niet aangenomen, maar de verlossing niet natuurlijk zijnde, werd gezegde vroedmeester per courier na Den Haag ontboden, en heeft toen deeze verlossing met dit Instrument gedaan.’

Het tweede document is een soort gevouwen envelop bij het eerste. Aan de buitenkant staat in handschrift: ‘Aanteekening betrekkelijk de verloskundige tang catalogus van het armamentarium No 246. Nagelaten door wijlen den verloskundige Titsing, waarmee hij den 24 Augustus 1772 HDH Princes Willem V verlost heeft van eenen zoon – later Willem I Koning der Nederlanden enz enz enz.’

Het derde, veel grotere, document (32 × 20,5 cm) is van dubbelgevouwen, stevig papier. Het is in 1840 ondertekend door de heel- en vroedmeester H.Krieger Schumer,8 die in een keurig, nu vrijwel verbleekt handschrift vermeldt: ‘Om de meerdere identiteit aan te toonen der onder mij berustende forceps waarmede mevrouw de Princes van Oranje, echtgenoot van Willem de Vijfde door den Vroedmeester Titsingh is verlost diene het volgende. De beroemde Heel en Verloskundige Titsing had een leerling bij zich, den Heer Van Hussem, later voornaam Heelmeester te Amsterdam aan wien bij testamentaire dispositie was gelegateerd het geheele armementarium van eerstgenoemde, waarin de boven vermelde forceps werd bewaard;9 10 na den dood van den Heer Van Hussem werd op nieuw het geheele armementarium bij testamentaire dispositie gelegateerd aan den heelmeester J.C.Albrecht, die vroeger den hoog geschatten leerling van Van Hussem was. Als blijk van erkentenis voor bewezene diensten, schonk den Heer J.C.Albrecht aan den ondergetekende, de bewuste forceps als curiositeit, H.Krieger Schumer Amsterdam, Heel en Vroedmeester, 14 Maart 1840.’ In de kantlijn is later door P.Donk Johzn, chirurg, geschreven dat hij na het overlijden van Krieger Schumer in 1864 de tang in zijn bezit kreeg. Enkele jaren later heeft H.Pek, ‘president’, daaraan toegevoegd dat Donk de verlostang afstond aan het armamentarium van het Genootschap ter bevordering van Heel- en Verloskunde in juli 1871, waarbij het instrument in de catalogus werd opgenomen onder nummer 246. In het notulenboek 1857-1897 van dit genootschap wordt in de notulen van de 87e vergadering op 7 juli 1871 deze schenking vermeld, maar nu voor het eerst met de toevoeging: ‘waaraan historische herinneringen verbonden zijn, naardien aangezien Neêrlands eersten Koning uit het Vorstenhuis van Oranje door dit instrument, gevoerd door den bekwamen Verloskundigen Titzing, het levenslicht aanschouwde.’11

Voorts zitten er in het doosje 3 kaartjes waarop met de schrijfmachine ten onrechte is vermeld dat deze forceps in het bezit is geweest van Abraham (sic) Titsingh (zie verder; de identieke voorletters van beide Titsinghs hebben vaker tot vergissingen geleid). Waarschijnlijk hebben deze kaartjes naast de tang in de vitrine gelegen bij verschillende tentoonstellingen.

Na de dood van Pek in 1882 verdwijnt in het genootschap de belangstelling voor deze grote verzameling instrumenten en rond 1902 wordt de collectie opgeheven, waarbij onduidelijk is waar uiteindelijk de historische exemplaren naartoe zijn gegaan. Zo wordt nog in 1988 door Van Lieburg, die de geschiedenis van het genootschap beschrijft, met duidelijke teleurstelling vermeld dat elk spoor van deze waardevolle tang ontbreekt.12

Bij de verhuizing in 1992 van het redactiekantoor van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde aan de Jan Luykenstraat naar de huidige locatie aan het Museumplein wordt het kleine doosje door de oud-hoofdredacteur-secretaris J.van der Heide gevonden, die zorgt voor expositie in een vitrine in de hal – de aanleiding tot dit onderzoek.

albertus titsingh (1714-1790)

Albertus Titsingh groeide op in het huis van zijn oom Abraham, die toen in Amsterdam een vooraanstaande rol speelde als chirurgijn-vroedmeester.13 In 1735 werd hij ingeschreven bij het chirurgijnsgilde. Albertus was een leerling van de vroedmeester Andries Boekelman en kocht van hem het zogenaamde ‘geheim van Van Roonhuysen’, een spatelvormige hefboom waarmee ‘het geklemde hoofd’ uit zijn benarde positie kon worden bevrijd. Zo verwierf hij met enkele andere collega’s een verloskundig monopolie dat pas aan het einde van de 18e eeuw definitief werd doorbroken.14 Albertus was ‘overman’, dat wil zeggen bestuurslid, en in de periode 1766-1769 ook deken van het chirurgijnsgilde; hij was direct betrokken bij de examinering van vroedvrouwen en chirurgijns. Hij assisteerde de hoogleraren Camper, Snip en Bonn van het Athenaeum Illustre bij hun anatomische oefeningen op het kadaver en bij hun lessen aan de vroedvrouwen. Vanwege zijn bekendheid bij de hofarts prof.Gaubius (1705-1780) als ‘de meest ervaren man, en de voorzichtigste in zijn kunst, die er in de Republiek ooit was geweest’,1 werd Titsingh in 1769 door Gaubius met spoed per koerier naar den Haag ontboden om hulp te bieden bij de stagnerende eerste bevalling van prinses Wilhelmina van Pruisen, de echtgenote van de erfstadhouder Willem V.

Albertus Titsingh zou zijn waarnemingen en bevindingen nauwkeurig hebben vastgelegd, doch het enige wat hierover bekend is, staat in zijn briefwisseling met Camper over de juiste toepassing van de hefboom.15 Albertus is ook bekend door het zogenaamde wurgcontract waarmee hij in 1750 het gebruik van kennis van de hefboom verkocht aan Porjeere en wederom in 1775 aan De Bree, met voor hen zeer discriminerende financiële voorwaarden. Zij moesten geheimhouding beloven en een zeer grote som geld betalen, maar waren ook verplicht om levenslang een deel van de jaarwinst aan Albertus af te dragen.16 17 Zijn instrumentarium heeft hij kennelijk nagelaten aan zijn leerling Van Hussem, maar daarover is verder niets bekend. In het laatste testament dat Albertus Titsingh in 1783 heeft laten opmaken, wordt hierover niet gesproken.18 Bij de afhandeling van zijn nalatenschap kwamen bankiers uit Londen en Parijs naar Amsterdam ter regulering van zijn bezittingen,19 maar een boedelbeschrijving is bij het doorzoeken van verschillende notariële archieven tot dusverre niet gevonden.

Albertus’ grote faam in die tijd blijkt uit het schilderij ‘De allegorie bij het overlijden van Albertus Titsingh’ (1791), dat na zijn dood werd vervaardigd door J.Andriessen (1742-1819) en dat zich nu bevindt in het Amsterdams Historisch Museum (figuur 6). Men ziet, naast de grafpiramide met de beeltenis van Titsingh, rechts een treurende zwangere afgebeeld die door de Amsterdamse maagd wordt aanbevolen aan Juno, de beschermster van huwelijk en geboorte, herkenbaar aan haar pauwen. Twee putti houden een schild vast met de lijfspreuk van Boerhaave: SIMPLEX SIGILLUM VERI eenvoud is het kenmerk van het ware. Een van dezen draagt een instrument dat herkenbaar is als de hefboom van Van Roonhuysen zoals die door Albertus werd gemodificeerd: hij bedacht het ringvormige handvat.

de bevalling van wilhelmina van pruisen in 1772

Prinses Wilhelmina van Pruisen (1751-1820) was na de ongelukkige bevalling in 1769 spoedig opnieuw zwanger geworden en was in 1770 bevallen van een dochtertje, Louise. In de Amsterdamsche Courant van 20 november 1770 lezen we dat de prinses tot ’s morgens 7 uur had geslapen en tussen half 8 en 8 uur voorspoedig en gelukkig bevallen was van een welgeschapen prinsesje, tot overgrote vreugde van het ganse hof. In het Koninklijk Huisarchief is geen verslag van deze baring gevonden, alleen een geschenkenlijst waaruit we kunnen opmaken dat Titsingh bij de partus betrokken was.20 Het was kennelijk een heel snelle baring, waardoor een bekkenvernauwing als mogelijke oorzaak van het noodlottige verloop van de eerste bevalling uiterst onwaarschijnlijk wordt.

In 1772 vond de derde bevalling plaats, waarbij de tang gebruikt zou zijn; erfprins Willem Frederik, de latere koning Willem I, werd geboren. Ook van deze baring ontbreekt in het Koninklijk Huisarchief een verslag. Er is echter wel een document bewaard gebleven waaruit duidelijk wordt dat de bevalling voorspoedig en snel is verlopen. Het betreft het ‘memorandum’ van het bericht dat door prins Willem V werd gestuurd aan Frederik II de Grote, de koning van Pruisen en de geliefde oom van de prinses.21 ‘Haere Koninklijke Hoogheit, gelogeert zijnde in het Vorstelijke Lusthuis d’Orangezael Huis ten Bosch bij ’s Gravenhage, gevoelde den 24en Aug: 1772, des morgens om half vier uuren, eenige pijn in het Lijf, en was reets om vijf uuren gelukkigh verlost van eenen welgeschaepen Prins, door den Vroetmeester Titsing . . .’ (figuur 7). Hierdoor weten we zeker dat deze derde bevalling zeer snel en zonder complicaties is verlopen. Reeds anderhalf uur nadat de ontsluitingsweeën voelbaar werden, was de uitdrijving voltooid.

Het staat ook vast dat Albertus Titsingh bij deze bevalling aanwezig is geweest, maar of hij daarbij een verlostang heeft gebruikt, is allerminst duidelijk. In afwachting van deze bevalling verbleef Titsingh al sinds enige weken met zijn vrouw aan het prinselijk hof. We weten dit van zijn kleinzoon J.P.van Rossum (1778-1856), die rijk was geworden in de suikerhandel. Op hoge leeftijd, in 1850, schreef hij in zijn memoires aan zijn kinderen iets over hun overgrootvader: ‘Albertus Titsingh die om zijne uitgestrekte praktijk nimmer Amsterdam verliet, gaf slechts gehoor aan het verzoek van den laatste stadhouder prins Willem den Vijfden, om eenige weken met zijn vrouw aan het hof te ’s-Gravenhage door te brengen, ten einde bij de bevalling te assisteren van de prinses zijne gemalin.’22 Gaubius, de lijfarts van het prinselijk paar, had kennelijk geen enkel risico willen nemen en herinnerde zich zonder twijfel nog hoe hij in 1769 Titsingh per koerier uit Amsterdam had moeten laten halen. Van Rossum vermeldde ook dat zijn grootvader voor de hulp bij deze baring van de erfprins ‘boven alle andere belooningen, eigenhandig van haar de prinses het portret van haar en haren gemaal in eene gouden medaille op eene doos ontving.’ Van deze ‘andere belooningen’, zoals het aandeel in de zogeheten pillegiften, de geschenken die verdeeld werden in de kraamkamer (figuur 8), is in het Koninklijk Huisarchief geen opgave bekend. Uit deze bekende feiten wordt niet duidelijk wanneer de zorgvuldig bewaarde en uitvoerig gedocumenteerde verlostang is gebruikt.

beschouwing

Het is zeer onwaarschijnlijk dat Titsingh bij deze snelle geboorte van koning Willem I de uitgangstang heeft gebruikt. Foetale nood als een indicatie daarvoor was in 1772 nog onbekend. We mogen aannemen dat Albertus goed op de hoogte was van de nadelen van snel instrumenteel ingrijpen. Van hemzelf zijn geen geschriften gevonden over zijn indicaties, maar wel is bekend hoe rond 1772 in Amsterdam de opvattingen waren bij het verloskundig onderwijs, waarbij hij zo nauw was betrokken. Het onderwijs werd gegeven door Petrus Camper, de Professor Anatomiae et Chirurgiae van het Athenaeum Illustre, waarbij de overman of deken van het chirurgijnsgilde vaak aanwezig was. We vinden Albertus’ handtekening dan ook frequent terug, niet alleen in het notulenboek van het chirurgijnsgilde (figuur 9),23 maar ook in het notulenboek van de vroedvrouwen, waarin uitvoerig verslag werd gedaan van de lessen. Van Camper zijn de dictaten bewaard gebleven die gemaakt werden van deze lessen aan de vroedvrouwen: ‘Als alle omstandigheden natuurlijk zijn en wel staan, zal hij degene die de vrouw bij de bevalling begeleidt de verlossing de natuur overlaten, en niets doen dan bij de vrouw te blijven haar aanmoedigen, dog niet om te persen of door te zetten, dit immers vermoeijt de vrouwe. Hij zal haar met vriendelijke woorden onderhouden en aanspreeken wanneer dan doorzet komt, oppassen, voornamelijk als zij op een kort bed of stoel afhangende of op een rustbed ligt, dat niet het kind schielijk doorschieten en vallen en zig bezeeren, of wel de navelstreng breeken.’24 Albertus was bij deze lessen vaak aanwezig en we weten dat Camper en Titsingh na afloop hun ervaringen uitwisselden terwijl ze samen thee dronken.15 Als Camper in 1761 naar Groningen vertrekt, bedankt hij Albertus persoonlijk voor zijn hulp bij de lessen, voordat hij zijn college afsluit met ‘een vermaenende toewensingh’ aan de vroedvrouwen.25

Pas enkele decennia later gaat de polypragmasie van vroedmeesters een probleem vormen: zij hanteren de forceps te pas en te onpas. In een rond 1772 veelgebruikt verloskundeleerboek wijst Van de Laar er herhaaldelijk op dat instrumenten alleen mogen worden toegepast als gebleken is dat de natuur een beklemming niet heeft weten op te lossen: ‘De natuur zelf schikt zig menigmaal op een verwonderlijke wijze als het kind wat groot of het bekken wat klein is, om de geboorte van het kind te bevorderen.’26

Albertus Titsingh kan daarom gezien worden als een gezaghebbend vroedmeester in een ‘verloskundig klimaat’ van afwachten en pas ingrijpen als de natuurlijke krachten falen. Heel duidelijk blijkt dat uit het verslag van Gaubius van de noodlottige bevalling van 1769, waarin hij beschrijft hoe Titsingh eerst de prinses laat slapen en wacht tot de contracties terugkeren, om dan uiteindelijk toch de hefboom te gebruiken.1 Dat verslag is het belangrijkste argument voor de veronderstelling dat Albertus niet bereid zal zijn geweest om zijn vak te verloochenen en een uitgangstang te gebruiken bij een zeer snelle uitdrijving. Iemand zou kunnen suggereren dat Albertus, die al weken in Huis ten Bosch had zitten wachten totdat de prinses zou bevallen, iets wilde doen om zijn aanwezigheid waar te maken toen het eindelijk zover was. Er zijn echter geen gronden voor een dergelijke veronderstelling van kwade trouw.

Het raadsel rond de verlostang wordt vergroot doordat in de documentjes bij de tang over verschillende bevallingen wordt gesproken. Het oudste briefje in het doosje vermeldt de toepassing van de verlostang bij de bevalling waarvoor Titsingh per koerier naar Den Haag werd ontboden (zie figuur 5). Deze bevalling was echter de noodlottige eerste bevalling in 1769, waarbij Titsingh volgens het nauwkeurige verslag van Gaubius niet een forceps, maar de hefboom van Van Roonhuysen gebruikte.1 Het documentje zal verscheidene jaren na het overlijden van Titsingh in 1790 zijn geschreven. Er was inmiddels van alles veranderd; zo was vanwege de Bataafse Revolutie het prinselijk gezin gevlucht naar het buitenland met het merendeel van hun archieven.27 De schrijver zal niet op de hoogte zijn geweest van de details van de tragisch verlopen eerste bevalling. Het baringsverslag werd door Willem V bij zijn ‘Sekreete Stukken’ bewaard en is pas in 2002 aan het licht gekomen.1 Voor de schrijver was duidelijk dat de verlostang afkomstig was van de vroedmeester Titsingh, die in Amsterdam legendarisch was geworden door het koeriersverhaal, waarbij werd verondersteld dat hij toen deze tang had gebruikt.28 Ook het schilderij van Andriessen maakt duidelijk welke vermaardheid Albertus Titsingh had verkregen.

Pas in 1871 wordt voor het eerst vermeld dat de forceps is gebruikt bij de geboorte van Nederlands eerste koning uit het vorstenhuis van Oranje, waarbij dus een verschuiving plaatsvindt naar een latere bevalling van de prinses. De gebeurtenissen behoren dan inmiddels tot een ver verleden. De erfprins, die in 1813 uit ballingschap terugkeerde, was tot koning Willem I uitgeroepen, waarna de monarchie stevig werd verankerd in het huis van Oranje. In de loop der jaren zal de forceps van de befaamde obstetricus bij de overlevering gemakkelijk gekoppeld kunnen zijn aan de geboorte van de eerste regerende koning, waarmee het aureool rond het instrument werd vergroot.

Men zou derhalve kunnen spreken van een historische relikwie. Het is niet zo geforceerd om te veronderstellen dat op deze wijze het object een eigen geschiedenis heeft verkregen. De toekenning van een historische gebeurtenis aan een voorwerp komt vaker voor; zo zijn er van het stokje waarmee Van Oldenbarnevelt het schavot betrad, minstens 3 exemplaren bekend.29

conclusie

De kleine, rechte verlostang naar Smellies ontwerp, die zich bevindt in de verzamelingen van de Vereniging Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, heeft behoord tot het armamentarium van Albertus Titsingh. Het is onwaarschijnlijk dat deze forceps gebruikt werd bij de geboorte van de latere koning Willem I, omdat met zekerheid kon worden vastgesteld dat deze bevalling zeer snel en voorspoedig is verlopen. Deze conclusie doet in zekere zin recht aan de prinses, die geen uitgangstang nodig had, maar op eigen kracht in korte tijd de toekomstige koning Willem I ter wereld bracht.

Op een gegeven moment heeft de tang zijn eigen verhaal verkregen, waardoor de forceps nu beschouwd moet worden als een historische relikwie. Mogelijk zal het aureool rond deze forceps hierdoor iets verbleken, maar onomstreden blijft dat we heden ten dage nog een echte Smellie-verlostang in de hand kunnen nemen die gebruikt werd door de befaamde vroedmeester Albertus Titsingh, een legendarisch instrument dat gedurende bijna honderd jaar door vererving van leermeester op leerling overging.

Mw.Ch.J.M.Eymael, hoofdarchivaris van het Koninklijk Huisarchief, was behulpzaam bij het zoeken naar gegevens inzake de geboorte van koning Willem I en gaf namens koningin Beatrix toestemming tot publicatie. Mw.drs.T.Rosa de Carvalho, conservator, maakte de publicatie mogelijk van de prent van de kraamkamer uit de collectie van het Paleis Het Loo Nationaal Museum, Apeldoorn. Prof.dr.M.J.van Lieburg gaf informatie inzake de verschillende eigenaren van de tang in de 19e eeuw. Dr.F.Lequin gaf aanwijzingen omtrent de vindplaats van het testament van Albertus Titsingh.

Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: geen gemeld.

Literatuur
  1. Lammes FB. Het verslag van Gaubius inzake de eerste bevalling van Wilhelmina van Pruisen in 1769; ‘De ongelukkige kraem van de Princes mijne gemaelinne’. Ned Tijdschr Geneeskd. 2004;148:583-91.

  2. Camper P. Vijfde verhandeling. In: Mauriceau F. Tractaat van de siekten der swangere vrouwen. Amsterdam: Groenewoud; 1783.

  3. Nuyens BWT. Petrus Camper (1722-1789) als verloskundige. Ned Tijdschr Geneeskd. 1930;74:38-60.

  4. Smellie W. Verzameling van vroedkundige gevallen en waarnemingen. Vertaald door M.van der Haage. Deel 3. Amsterdam: Jan Morterre; 1765.

  5. Hibbard BM. The obstetric forceps. A short history and descriptive catalogue of the forceps in the Museum of the Royal College of Obstetricians and Gynaecologists. 2nd ed. Londen: Royal College of Obstetricians and Gynaecologists; 1992.

  6. Radcliffe W. Milestones in midwifery. Bristol: Wright; 1967.

  7. Klaauw CJ van der. Het eertijds verplichte instrumentarium van den vroedmeester. Ned Tijdschr Geneeskd. 1940;84:4814-23.

  8. H.Krieger Schumer (1797-1864) was stedelijk heel- en vroedmeester en medeoprichter van het Amsterdams Genootschap ter bevordering van Heel- en Verloskunde in 1857. Tot dit nieuwe, niet-academische genootschap behoorden ook de anderen die in de kantlijn schreven: de stedelijke heel- en vroedmeester H.Pek (1801-1882) en de heelmeester P.Donk Johzn (1819-1890).

  9. Bernard (Barend) Hussem (1733-1808) behoorde tot de 5 heelmeesters die in 1790 in Amsterdam het Genootschap ter bevordering der Heelkunde oprichtten.

  10. Lieburg MJ van. Het Genootschap en de ontwikkeling van de genees-, heel- en verloskunde (1790-1890). In: Berkel K van, Lieburg MJ van, Snelders HAM. Spiegelbeeld der wetenschap. Het Genootschap ter bevordering van Natuur- Genees- en Heelkunde 1790-1990. Rotterdam: Erasmus Publishing; 1991.

  11. Gemeentearchief Amsterdam (nog te deponeren).

  12. Lieburg MJ van. ‘Bevorderlijk voor de kunst en nuttig voor de maatschappij’. De geschiedenis van het Genootschap ter bevordering van Heel- en Verloskunde (1857-1929) en van het Amsterdams Geneeskundig Genootschap (1925-1988). Amsterdam: Rodopi; 1988.

  13. Krul R. Abraham Titsingh. Harrewarrerijen en schermutselingen tusschen Amstels doctoren en chirurgen, in verband met het gildewezen. Ned Tijdschr Geneeskd. 1891;35II:429-48.

  14. Geijl A. De geschiedenis van het Roonhuysiaansch geheim. Rotterdam: Boogaerdt; 1905.

  15. Geijl A. Briefwisseling tusschen Petrus Camper en Albert Titsingh, over ‘regt’ en dwarsgeklemde hoofden. Ned Tijdschr Geneeskd. 1908;52:228-48.

  16. Nieuwenhuis T. Vroedmeesters, vroedvrouwen en verloskunde in Amsterdam, 1746-1805. Amsterdam: Het Spinhuis; 1995.

  17. Bree JCz de. Verhandeling over het gebruik van den Roonhuiziaanschen hefboom, in de verloskunde. Amsterdam: (uitgever niet vermeld); 1793.

  18. Gemeentearchief Amsterdam. NA 12768. Notaris Pool; d.d. 21 oct 1783. Nr 13968 N2 72.

  19. Lequin F. Isaac Titsingh (1745-1812). Alphen aan den Rijn: Canaletto; 2002.

  20. Lijst der pillegiften. Koninklijk Huisarchief: prins Willem V. Voorlopig inventarisnr 1815.

  21. Memorie Koninklijk Huisarchief. Inventaris A 35-I-1.

  22. Rossum JP van. Herinneringen uit mijn leven van vóór 70 jaren, tot nu. Particuliere uitgave 1853. Kopie in Gemeentearchief Amsterdam F 1534.

  23. Gemeentearchief Amsterdam. P.A. Nr 366. Nr 4. p. 109.

  24. Dictaat Camper 1765. Universiteitsbibliotheek Amsterdam. IIG 31. p. 128.

  25. Gemeentearchief Amsterdam: Notulenboek vroedvrouwen. P.A. 27. Nr 73 f 79, d.d. 21 maart 1761.

  26. Laar A van de. Schets der geheele verloskunde. ’s Gravenhage: Van Drecht; 1774.

  27. Eymael CJM. Inventaris van het archief van prinses Wilhelmina van Pruisen 1751-1820 (1821). Den Haag: Koninklijk Huisarchief; 1994.

  28. Bicker Raije J. Merkwaardige notities over het dagelijks leven in de jaren 1732-1772. Handschrift in Amsterdams Historisch Archief. B54; microfilm 3663.

  29. Janssen GH. Het stokje van Oldenbarnevelt. Hilversum: Verloren; 2001.

Auteursinformatie

Contact Hr.prof.dr.F.B.Lammes, emeritus hoogleraar Verloskunde en Gynaecologie aan de Universiteit van Amsterdam, Peppinghof 3, 1391 BA Abcoude (fb.lammes@planet.nl)

Gerelateerde artikelen

Reacties