Het registreren van complicaties van geneeskundige behandeling

Opinie
D.J. Gouma
H. Obertop
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2003;147:1252-5
Abstract
Download PDF

Zie ook het artikel op bl. 1273.

Een chirurg weet dat de kwaliteit van zijn of haar handelen wordt afgemeten aan het succes van de behandeling, vaak een operatie. Voorbeelden van het meten van de uitkomst van zorg, de uitkomstmaten, zijn langetermijnoverleving na curatieve chirurgie voor kwaadaardige aandoeningen, recidiefpercentage na liesbreukchirurgie, incidentie van amputaties en lengte van de loopafstand na perifere vaatchirurgie, functie van een gewricht na een osteosynthese of kwaliteit van leven na palliatieve chirurgie, en vele andere. Voor het meten van dergelijke uitkomsten is langdurig en meestal prospectief opgezet onderzoek nodig, dat voor vele chirurgische behandelingen in het algemeen uitgevoerd is en in publicaties ter beschikking staat. Gegevens over de uitkomst van het eigen chirurgisch handelen ontbreken meestal en desgevraagd worden patiënten en collega's verwezen naar onderzoeksresultaten van anderen uit de medische literatuur. Deze resultaten kunnen echter nogal van de eigen prestaties verschillen.

Naast deze uitkomst van zorg bestaat vooral bij invasieve ingrepen het risico van complicaties, hetgeen men al enige tijd onder ogen ziet.1

Registratie van deze complicaties, ook wel ‘ongewenste uitkomsten van zorg genoemd’, levert een maat van eigen kwaliteit: complicatiepercentage. Beter is het wellicht van een surrogaatuitkomstmaat te spreken. Een laag complicatiepercentage is niet altijd een afspiegeling van hoge kwaliteit en andersom. Immers, een grote, radicale ingreep met de hoop op een goede uitkomst (bijvoorbeeld langetermijnoverleving) kan tot meer complicaties leiden, terwijl een beperkte of zelfs onvolledige of niet-radicale ingreep vaak minder kans op complicaties heeft.

Balans tussen uitkomsten

De balans tussen gewenste en ongewenste uitkomsten van zorg zal altijd een belangrijke rol spelen in de keuze van therapie. Zo had na een prospectief gerandomiseerde studie de uitgebreide resectie wegens maagcarcinoom (D2, dat wil zeggen met additionele lymfklierdissectie) niet de voorkeur boven de beperkte maagresectie (D1, dat wil zeggen zonder de additionele resectie), omdat bleek dat het hogere complicatierisico niet gecompenseerd werd door eventuele betere uitkomst (overleving).2 3 De lagere kans op lokaal recidief na rectumresectie met totale resectie van het mesorectum (TME) en na voorbestraling, in vergelijking met TME alleen, is reden om voorbestraling bij deze chirurgische techniek te adviseren, hoewel het risico op complicaties groter is na voorbestraling.4 5 Belangrijk is ook bij deze behandeling dat de meerderheid (> 90) van de patiënten ook zonder voorbestraling geen lokaal recidief krijgt, maar wel wordt getroffen door de complicaties van bestraling. Meer onderzoek is nodig om de juiste afwegingen te kunnen maken.

Complicatieregistratie

Vooralsnog is registratie van complicaties de enige wijze om de kwaliteit van de zorg continu en vrij volledig te bewaken binnen een chirurgische afdeling, en wanneer wij aannemen dat het chirurgisch tableau niet al te sterk verandert over de jaren, geeft het ook een beeld van de verbetering van de kwaliteit. Bijna alle chirurgische afdelingen hebben een eigen registratiesysteem ontwikkeld, waaraan een regelmatige complicatiebespreking is gekoppeld. Uniformiteit en definities ontbreken echter.

Het is goed dat door de Vereniging voor Heelkunde sedert 1992 initiatieven zijn genomen voor een uniforme landelijke registratie van complicaties.

Elders in dit tijdschrift worden de eerste ervaringen, knelpunten en vooruitgang van de introductie van deze Landelijke Heelkundige ComplicatieRegistratie (LHCR) beschreven.6 De auteurs komen tot de conclusie dat eind 2003 potentieel in 55-80 van de opleidingsziekenhuizen en 60-86 van de niet-opleidingsziekenhuizen het LHCR operationeel zal zijn en ze zijn optimistisch dit streefdoel te halen. Het LHCR is een goed initiatief en de stuurgroep verdient veel waardering voor hun doorzettingsvermogen. Toch zijn er bij deze als succesvol geachte implementatie van het complicatieregistratiesysteem en de enquête over de introductie nog wel enkele kanttekeningen te maken. Wellicht zijn deze ook nuttig voor andere disciplines, die dit initiatief, met steun van de Orde van Medisch Specialisten, zullen volgen.

Het zal de kritische lezer niet ontgaan dat het LHCR na vele jaren (het project van de orde dateert uit 1998, maar de organisatie ervan binnen de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde is veel langer geleden gestart) slechts volledig operationeel is bij 25 afdelingen (18,7).6 Dit is relatief laag aangezien 92,5 van alle ziekenhuizen zelf reeds een eigen complicatieregistratiesysteem gebruikt waarmee veelal goede ervaring bestaat. Dit verklaart ten dele de zeer trage implementatie van het LHCR, maar duidt misschien ook op tekortkomingen in het nog niet gebruikersvriendelijke systeem. Wij hebben vanaf 1977 gewerkt met verschillende complicatieregistratiesystemen in verschillende ziekenhuizen. De laatste 9 jaar wordt in het Academisch Medisch Centrum (AMC), Amsterdam, het systeem gebruikt dat werd geïntroduceerd door de chirurgen van het St. Elisabeth Ziekenhuis te Tilburg, waarover in dit tijdschrift eerder werd bericht.7 Ondanks ons enthousiasme voor een uniforme registratie zijn wij er pas recent in geslaagd het LHCR operationeel te maken.

Verschillende Nederlandse chirurgische afdelingen die een complicatieregistratiesysteem gebruiken, getuigen hiervan in het openbaar via hun jaarverslagen. De bereidheid tot participatie aan het LHCR moet dus groot zijn. Er zullen aspecten als gebruikersonvriendelijkheid van het systeem bij zowel de installatie als het dagelijks gebruik zijn, die een belangrijke rol spelen bij de trage implementatie.

Terecht ook wordt in het artikel van Marang-van de Mheen en Kievit reeds aangegeven dat goede standaardkoppelingen aan bestaande ziekenhuisinformatiesystemen cruciaal zijn om participatie te verkrijgen.

Bij de implementatie van een landelijk complicatieregistratiesysteem blijft er een aantal vragen.

Hoe betrouwbaar is het systeem?

Er is een aantal onderzoeken verricht waaruit blijkt dat een deel van de complicaties (10-30) niet geregistreerd wordt.8 Vaak betreft dit vooral de minder ernstige complicaties. Er is gesuggereerd om slechts een beperkte groep complicaties/patiënten te registreren, wat zou kunnen leiden tot een hogere betrouwbaarheid en motivatie van degenen die registreren. In tegenstelling tot de registratie van andere prestatie-indicatoren wordt bij complicatieregistratie slordigheid ‘beloond’, namelijk: hoe minder complicaties worden geregistreerd, hoe beter lijkt de zorg te zijn.

Het gebruik van de term ‘ongewenste uitkomst’ in plaats van ‘complicatie’ heeft in een aantal ziekenhuizen geleid tot een twee- tot drievoudige toename van het aantal registraties.

Het is nog niet duidelijk of de zeer uitgebreide continue LHCR meer invloed op verbetering van de kwaliteit van zorg zal hebben dan een selectieve, eventueel periodieke, registratie van een aantal kernparameters van ongewenste uitkomsten (bijvoorbeeld naadlekkage na een darmresectie). Toetsing van de validiteit van de dataset zal regelmatig moeten geschieden. Ook over de wijze van registratie en invoer van de complicaties in het systeem is veel te zeggen. Bij het in het AMC gebruikte Tilburgse systeem worden eventuele complicaties in een plenaire bijeenkomst van alle artsen op de dag van ontslag van de patiënten genoemd. Hierdoor bestaat een eigen controle waardoor over- en onderregistratie worden vermeden.

Een recent gepubliceerd onderzoek uit Zweden over registratie en validiteit van registratie van complicaties na colorectale chirurgie,9 maakt de in het verleden reeds gevoerde discussie over validiteit van registratie actueel. De onderregistratie in die studie was opvallend hoog. In dat onderzoek blijkt ook dat het lokale ziekenhuiskwaliteitregistratiesysteem (Uppsala University Hospital) nauwkeuriger registreert dan het landelijke systeem van de National Board of Health and Welfare (figuur a). Tevens blijkt dat ernstige complicaties (leidend tot heroperatie) nauwkeuriger worden geregistreerd dan minder ernstige complicaties (zie figuur b).

Hoe kunnen wij de complicatieregistratie nuttig gebruiken?

Door registratie van vooral de complicaties met ernstige consequenties voor de patiënt kan één aspect van de kwaliteit van de uitgevoerde behandeling worden geëvalueerd en zo mogelijk worden verbeterd. Daartoe moet aan de complicatieregistratie een regelmatige (bijvoorbeeld maandelijkse) complicatiebespreking worden gekoppeld. Deze bespreking kan ook worden gebruikt om de mogelijke oorzaak van de complicaties te classificeren, bijvoorbeeld als ‘technische fout’ of ‘ziekte en morbiditeit van de patiënt’. Dit is in het belang van de patiëntenzorg en geldt ook als een voortdurende training of opleiding voor chirurgen en assistent-geneeskundigen in opleiding.

In een in het Universitair Medisch Centrum te Utrecht uitgevoerd onderzoek werd aangetoond dat het moeilijk is het risico op een postoperatieve complicatie vóór de ingreep goed in te schatten.10 Identificatie van risicogroepen en risico-operaties via een adequaat complicatieregistratiesysteem zou nuttig kunnen zijn bij de indicatiestelling en informatie aan de patiënt.

Landelijke registratie biedt uiteraard een mogelijkheid om de eigen resultaten te toetsen aan de gemiddelde landelijk behaalde resultaten. Dit lijkt nuttig om kwaliteit van eigen handelen te evalueren en zou kunnen leiden tot verbetering van kwaliteit van de chirurgische behandelingen in Nederland.

Een vergelijking van de incidentie van complicatie in verschillende ziekenhuizen is echter sterk afhankelijk van de samenstelling van de patiëntenpopulatie (zwaarte van de ziekten van de betrokken patiënten, comorbiditeit en zwaarte van de ingrepen). Een voorbeeld van complicatieregistratie in het AMC toont enorme verschillen in het vóórkomen van complicaties in de verschillende leeftijdscategorieën van de patiënten en de zwaarteklasse van de operaties (tabel). Ook om deze redenen dient het gebruik van de gegevens van landelijk behaalde resultaten met veel zorg te gebeuren.

Heeft complicatieregistratie directe consequenties voor de chirurgische zorg?

Wanneer moeten maatregelen genomen worden? Wanneer zijn de complicaties onaanvaardbaar hoog, wat doen wij dan en wie neemt de maatregelen? Bij hoogrisicochirurgie, zoals pancreas- en oesofagusresecties, is postoperatieve sterfte de ernstigste ongewenste uitkomst, die niet zeldzaam is. Als uitkomstmaat is sterfte relatief eenvoudig te meten. Deze wordt namelijk al jaren geregistreerd bij SIG Zorginformatie te Utrecht voor de Landelijke Medische Registratie. Voor pancreas- en oesofagusresecties is geconstateerd dat de postoperatieve sterfte in de Nederlandse ziekenhuizen een duidelijke omgekeerde relatie vertoont met het ziekenhuisvolume (dat is het aantal van deze operaties per jaar in het ziekenhuis): van een sterfte van 15 of meer in ziekenhuizen met gering volume tot 0-5 in ziekenhuizen met groot volume.11 12 Publicatie van deze gegevens heeft echter slechts een beperkte invloed gehad op het medisch handelen. Er heeft geringe verschuiving plaatsgevonden van patiënten naar ziekenhuizen met groot volume en de landelijke sterfte is een weinig gedaald.13 Het is in dit voorbeeld duidelijk dat de weg van registratie naar veranderingen in beleid zeer lang en moeizaam, maar zeker niet onbegaanbaar is. Overigens geeft dit voorbeeld ook aan dat interpretatie van deze gegevens potentieel gevaarlijk is. Immers, in de genoemde studies bestaat maar een beperkt inzicht in de samenstelling van de patiëntenpopulaties in de verschillende ziekenhuizen.

Is registratie voor andere disciplines ook zinvol?

Hoewel het voor ons moeilijk is een oordeel uit te spreken over het nut van complicatieregistratie voor andere disciplines, is het merkwaardig dat registratie van complicaties wel wenselijk geacht wordt na operaties (en dat deze gegevens ook vaak door verwijzende specialisten mee worden gewogen in hun beslissing tot deze verwijzing), terwijl deze specialisten zelf nauwelijks de complicaties van hun vaak invasieve diagnostische en therapeutische handelingen registreren. Het optreden van ernstige complicaties (bloedingen, perforaties, pancreatitis) na endoscopische retrograde cholangiopancreaticografie en sfincterotomie is hiervan een goed voorbeeld. Het lijkt daarom zeer wenselijk dat ook andere specialisten, en vooral diegenen die invasieve diagnostische en therapeutische technieken toepassen (en dat zijn er tegenwoordig velen), een vorm van complicatieregistratie toepassen. De LHCR lijkt een goede basis en het initiatief van de orde dit proces te ondersteunen verdient alle lof.

Door voortdurend, uniform en nauwkeurig, de ongewenste uitkomsten van onze zorg te registreren, verkrijgen de Nederlandse specialisten een belangrijk instrument waarmee zij, ondanks alle bezwaren en tekortkomingen, een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan kwaliteitsverbeteringen van de chirurgische en andere invasieve zorg. De toekomst zal leren of een dergelijke registratie ook bij andere, bijvoorbeeld medicamenteuze, interventies is te gebruiken.

Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: geen gemeld.

Literatuur
  1. Obertop H, Gouma DJ. Complications in surgery –let's face them. Dig Surg 2002;19:83-5.

  2. Bonenkamp JJ, Hermans J, Sasako M, Velde CJ van de.Extended lymph-node dissection for gastric cancer. Dutch Gastric CancerGroup. N Engl J Med 1999;340:908-14.

  3. Bonenkamp JJ, Hermans J, Sasako M, Welvaart K, Meyer S,Plukker JTM, et al. Geen betere prognose door uitgebreide lymfklierdissectiebij maagresectie wegens maagkanker; een prospectief, gerandomiseerdNederlands onderzoek. Ned TijdschrGeneeskd 1999;143:1523-9.

  4. Kapiteijn E, Marijnen CA, Nagtegaal ID, Putter H, SteupWH, Wiggers T, et al. Preoperative radiotherapy combined with totalmesorectal excision for resectable rectal cancer. N Engl J Med2001;345:638-46.

  5. Kapiteijn E, Marijnen CA, Nagtegaal ID, Putter H, SteupWH, Wiggers T, et al. Betere lokale controle na preoperatieve radiotherapiebij patiënten met een resectabel rectumcarcinoom en totale mesorectaleexcisie; een gerandomiseerd multicentraonderzoek.Ned Tijdschr Geneeskd2001;145:2272-80.

  6. Marang-van de Mheen PJ, Kievit J. Geautomatiseerderegistratie van complicaties door heelkundige afdelingen in Nederland:huidige stand van zaken. Ned TijdschrGeneeskd 2003;147:1273-7.

  7. Roukema JA, Werken Chr van der, Leenen LPH. Registratievan postoperatieve complicaties om de resultaten van chirurgie te verbeteren.Ned Tijdschr Geneeskd1996;140:781-4.

  8. Dalen T van, Ruth S van, Dijk Y van, Leguit P. Defrequentie van postoperatieve wondinfecties: een ongeschikte parameter omziekenhuizen te vergelijken. NedTijdschr Geneeskd 2000;144:476-9.

  9. Gunnarsson U, Seligsohn E, Jestin P, Påhlman L.Registration and validity of surgical complications in colorectal cancersurgery. Br J Surg 2003;90:454-9.

  10. Veltkamp SC, Kemmeren JM, Graaf Y van der, Edlinger M,Werken C van der. Prediction of serious complications in patients admitted toa surgical ward. Br J Surg 2002;89:94-102.

  11. Gouma DJ, Wit LTh de, Berge Henegouwen MI van, Gulik ThMvan, Obertop H. Ziekenhuiservaring en ziekenhuissterfte na partiëlepancreaticoduodenectomie in Nederland.Ned Tijdschr Geneeskd1997;141:1738-41.

  12. Lanschot JJ van, Hulscher JB, Buskens CJ, Tilanus HW,Kate FJ ten, Obertop H. Hospital volume and hospital mortality foresophagectomy. Cancer 2001;91:1574-8.

  13. Gouma DJ, Geenen RC van, Gulik TM van, Haan RJ de, Wit LTde, Busch OR, et al. Rates of complications and death afterpancreaticoduodenectomy: risk factors and the impact of hospital volume. AnnSurg 2000;232:786-95.

Auteursinformatie

Academisch Medisch Centrum/Universiteit van Amsterdam, afd. Chirurgie, Meibergdreef 9, 1105 AZ Amsterdam.

Prof.dr.D.J.Gouma en prof.dr.H.Obertop, chirurgen.

Contact prof.dr.D.J.Gouma (d.j.gouma@amc.nl)

Gerelateerde artikelen

Reacties

J.
Kievit

Leiden, juli 2003,

Wij danken collegae Gouma en Obertop (2003:1252-5) voor hun positief kritische commentaar op onze tussentijdse rapportage over de Landelijke Heelkundige ComplicatieRegistratie (LHCR). Hun artikel nodigt uit tot een reactie, en het kort aangeven van het toekomstperspectief.

Allereerst het argument dat in 92,5% van de ziekenhuizen chirurgen complicaties registreren. Uit onze enquête bleek dat 37% van alle (134) maatschappen complicaties alleen op papier registreerde, 27% hier de LHCR voor gebruikte (eventueel in combinatie met een formulier), 4,5% rechtstreeks in ziekenhuisinformatiesysteem (ZIS) of elektronisch patiëntendossier (EPD) registreerde, 22% een eigen systeem gebruikte en 2% op andere wijze registreerde (totaal: 92,5%). Voor dat percentage verdient de beroepsgroep zonder meer een compliment. Echter, men dient zich wel te realiseren dat ‘registratiesysteem’ in dit verband varieert van sophisticated geautomatiseerde kwaliteitsverbetersystemen aan de ene kant, tot een paar velletjes onder in een bureaula als simpelste andere uiterste. Ook zijn er grote verschillen in wat men verstaat onder een complicatie, wat men registreert en bij wie, hoe men die complicaties analyseert en welke terugkoppeling er naar de kliniek plaatsvindt. De LHCR had en heeft nu juist als doel om daar verbetering in te brengen.

Dan de registratiebetrouwbaarheid. Die is van veel (logistieke) factoren afhankelijk, waaronder lokale administratieve en automatiseringsondersteuning, en motivatie, alertheid en bereidheid van chirurgen en assistent-geneeskundigen. Dat zaken worden gemist, is bijna onvermijdelijk, ook in de beschreven dagelijkse mondelinge rapportage. Dat zou te ondervangen zijn met aparte registratiedeskundigen, maar dat heeft naast de hoge kosten weer als ongewenst effect dat de beoogde kritische reflectie van dokters op hun eigen handelen daardoor zal afnemen.

En als laatste het nuttig gebruik. De LHCR is inderdaad niet alleen een informatiebron, maar ook een verbeterinitiatief, maar om dat waar te maken moet er meer gebeuren dan registratie alleen. Welke oplossingen staan ons, op grond van onze ervaringen, voor ogen voor de genoemde problemen?

- Omdat de LHCR-ZIS-koppeling hét knelpunt is, verdient dat implementatieaspect topprioriteit. Ondersteuning ter plaatse, zodanig dat lokale communicatiestoornissen tussen chirurg en automatiseringsdeskundige worden doorbroken, heeft tot nu toe op alle bezochte locaties de problemen opgelost en geleid tot een geslaagde koppeling. Een andere oplossing is het inbouwen van LHCR-registratie en -rapportage in het lokale ZIS, waarbij men zich overigens wel dient te realiseren dat dat voor ongeveer 30 verschillende systemen opnieuw zal moeten gebeuren.

- Voor het verbeteren van de betrouwbaarheid zijn meerdere zaken van belang. Betrouwbaarheid vereist motivatie van registreerders en bepalend daarvoor is een zinvolle terugkoppeling. Daarom is veel energie gestoken in lokale rapportagemodules. Een andere belangrijke terugkoppeling van registratie is een periodieke complicatiebespreking, met aandacht voor wat men kan leren van het gebeurde, om zo op simpele wijze een kwaliteitsverbetercyclus tot stand te brengen. Landelijk heeft de geplande spiegelinformatie een vergelijkbaar verbeteringsdoel. De registratiebereidheid, en daarmee -betrouwbaarheid, zijn te verbeteren door beloning in financiële zin. Nu de financiering van de zorg aan een herziening toe is, pleiten wij bij dezen er krachtig voor dat niet alleen verrichtingen, maar ook kwaliteitsinspanningen worden beloond, bijvoorbeeld via een ‘diagnose-behandelcombinatie(DBC)-plus’-tarifering. En wel meer naarmate het aantoonbare kwaliteitscommittent groter is. Daarmee kunnen dokters worden gemotiveerd of kan menskracht worden ingehuurd waar dat nodig is. Verder beseffen wij dat in minder optimale registratieomstandigheden het volledige LHCR-systeem een (te) zware belasting kan betekenen. Daarom is het plan de registratie flexibeler te maken door middel van een modulaire opbouw, zodanig dat eventueel kan worden gekozen voor een selectie van de belangrijkste patiënten, verrichtingen of uitkomsten. Beter een beperktere betrouwbare registratie, dan een onbetrouwbaar allesomvattend systeem.

- Tenslotte het gebruik. Gegevens uit de landelijke database zullen in geanonimiseerde vorm algemeen beschikbaar komen, zo mogelijk gecontroleerd voor onderrapportage. Belangrijker dan informatie alleen is echter de verbetercyclus, die het logisch gevolg is van spiegelinformatie. Daartoe zal de vermijdbaarheid van belangrijke complicaties moeten worden geïnterpreteerd en geanalyseerd, en zullen interventies zoals doorbraakprojecten de kwaliteit op een hoger plan moeten brengen. In dit alles is het LHCR-project voor de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde een eerste stap, en zijn belangrijke vervolgstappen in voorbereiding voor 2004 en later, met als thema ‘van complicatieregistratie naar kwaliteitsverbetering’. Daarvoor dient financiering te worden gerealiseerd, omdat anders de LHCR als landelijk initiatief per 1 januari 2004 eindigt. Maar daarnaast is een succesvol vervolg ook afhankelijk van kritische inhoudelijke inbreng van velen, niet alleen van (potentiële) deelnemende collegae als Gouma en Obertop, maar ook van andere partijen zoals de Orde van Medisch Specialisten, het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO en patiëntenbelangenorganisaties.

J. Kievit
P.J. Marang-van de Mheen
C.D. van Duyn
H.P.
Muller

Utrecht, juli 2003,

De artikelen van Marang-van de Mheen en Kievit (2003:1273-7) en van Gouma en Obertop (2003:1252-5) over de complicatieregistratie van de heelkunde laten zien dat langzaam maar zeker alle inzet die de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde heeft gepleegd als pionier op het terrein van de complicatieregistratie volgens de landelijke standaarden van de Orde van Medisch Specialisten haar vruchten begint af te werpen. Voortschrijdende inzichten van de verschillende chirurgen zal beslist leiden tot verdergaande verbeteringen voor de gebruikers van de geautomatiseerde complicatieregistratie en ook tot verbeteringen in de heelkundige zorg.

In aanvulling op de artikelen van de chirurgen volgt hier een korte schets van de stand van zaken van alle wetenschappelijke verenigingen wat betreft de ontwikkeling van een complicatieregistratie volgens de landelijke standaarden van de Orde van Medisch Specialisten. Inmiddels zijn 17 wetenschappelijke verenigingen gestart met de ontwikkeling van een dergelijke complicatieregistratie. Van die wetenschappelijke verenigingen hebben er 5 de eerste fase van ontwikkeling voltooid. Dat betekent het realiseren van een complicatielijst en de conversie daarvan naar de overkoepelende classificafie. Dat zijn naast de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde de Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie, de Nederlandse Vereniging voor KNO-Heelkunde, de Nederlandsche Internisten Vereeniging en de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde.

In de tabel vatten wij de verwachtingen samen voor de ontwikkelingen van de wetenschappelijke verenigingen in de nabije toekomst. Hierbij wordt uitgegaan van een continuering van de financiering van het Project Complicatieregistraties van de Orde van Medisch Specialisten door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

H.P. Muller
M.C. Stadlander
D.J.
Gouma

Amsterdam, juli 2003,

De door collegae Kievit et al. en Muller en Stadlander ingezonden brieven bevestigen nogmaals dat er vele activiteiten zijn binnen het thema complicatieregistratie en kwaliteitsverbetering. Allen tonen zich terecht bezorgd over de continuering van financiering van het project ComplicatieRegistratie.

Deze financiering lijkt noodzakelijk om de volgende stappen, zoals reeds in de brief van Kievit et al. beschreven, te kunnen uitvoeren. Om de door hen zo gewenste inbreng en participatie van andere groepen te stimuleren zou subsidie van projecten via een open financiering aan actieve klinische groepen die reeds onderzoek op dit gebied verrichten, zonder meer de voorkeur hebben en garantie bieden voor een succesvolle implementatie en de hieraan te koppelen kwaliteitsbewaking.

D.J. Gouma
H. Obertop