Het antisynthetasesyndroom: spierziekte en tevens multisysteemaandoening

Klinische praktijk
G.J.D. Hengstman
W.J. van Venrooij
F.H.J. van den Hoogen
B.G.M. van Engelen
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2003;147:1485-9
Abstract
Download PDF

artikel

Dames en Heren,

Patiënten met het zogenaamde antisynthetasesyndroom kunnen zich bij verschillende specialisten presenteren: internisten, reumatologen, longartsen, neurologen en dermatologen, afhankelijk van de aard van de eerste klachten. Het stellen van de juiste diagnose en kennis van het ziektebeeld zijn van groot belang, onder andere om oog te hebben voor uitingen van het syndroom welke niet op het directe eigen werkterrein liggen van de geconsulteerde specialist. Wij willen u het klinische beeld van het antisynthetasesyndroom demonstreren aan de hand van drie casussen.

Patiënt A is een 60-jarige vrouw. Zij kreeg een jaar voor consultatie op het Neuromusculair Centrum Nijmegen last van dyspnée d'effort nadat zij een grieperige periode had doorgemaakt. Bij patiënte werd elders de diagnose ‘bronchiolitis obliterans’ gesteld, waarna behandeling werd ingesteld met prednison 60 mg per dag. Na een initiële verbetering kreeg patiënte een aantal maanden later weer toenemend last van dyspnée d'effort, klaagde zij over perioden van ‘vluchtige’ koorts en was bij haar het fenomeen van Raynaud aanwezig. Patiënte gebruikte op dat moment prednison 30 mg per dag. Er waren geen klachten van het bewegingsapparaat, hoewel zij ten gevolge van de ernstige dyspnoe niet meer in staat was om te fietsen en slechts met moeite kon traplopen. Verwijzing naar ons ziekenhuis volgde.

Teneinde een goede indruk te krijgen van het klinische beeld besloten wij de prednison af te bouwen. Na staken van de prednison trad er geen duidelijke toename op van de dyspnoe. Wel ontstond er een symmetrische proximale zwakte van armen en benen, die gepaard ging met spierpijnen. Deze waren ook in rust aanwezig. Daarnaast klaagde patiënte over pijn in meerdere grote gewrichten. Bij lichamelijk onderzoek vonden wij een evidente zwakte van de nekflexoren en een symmetrische zwakte van de proximale arm- en beenmusculatuur. Er bestond een sterke spieratrofie van de proximale spieren. Onderzoek van de huid toonde een vlak erytheem over de strekzijde van de distale en de proximale interfalangeale gewrichten. Aan de gewrichten werden geen afwijkingen gevonden. Bij auscultatie van de longen werden beiderzijds basale eind-inspiratoire crepitaties gehoord. Laboratoriumonderzoek toonde een verhoogde waarde van creatinekinase (CK): 357 E/l (referentie:

Longfunctieonderzoek toonde een licht restrictief beeld en een gestoorde diffusie (de waarde van CO-transferfactor bedroeg 1,10 mmol/min/kPa/l; referentie: 1,40-1,60). Op de thoraxfoto was een versterkte interstitiële tekening zichtbaar in met name het rechter longveld met kenmerken van fibrose. Een hoge-resolutie-CT-scan van de thorax toonde het beeld van een honingraatlong, het uitgesprokenst in de basale longvelden (figuur 1). Bij patiënte werd de diagnose ‘antisynthetasesyndroom’ gesteld met als kenmerken myositis (waarbij geen onderscheid gemaakt kon worden tussen dermatomyositis of polymyositis), interstitiële longfibrose, fenomeen van Raynaud en artralgieën van de grote gewrichten zonder aanwijzingen voor artritis. Behandeling met prednison 40 mg en azathioprine 125 mg werd gestart, waarna de spierkracht zich geleidelijk herstelde, de CK-serumwaarde normaliseerde, patiënte zich beduidend beter ging voelen en de klachten van dyspnoe grotendeels verdwenen.

Twee jaar na consultatie gaat het klinisch zeer goed met patiënte met uitzondering van een symmetrische proximale restzwakte, waardoor de loopafstand nog steeds beperkt is.

Patiënt B is een 45-jarige vrouw. Zij consulteerde voor het eerst op 36-jarige leeftijd een medisch specialist in verband met pijnlijke vingers en polsen, gepaard gaande met een ochtendstijfheid. Zij werd hiervoor behandeld met een niet-steroïd anti-inflammatoir geneesmiddel (NSAID). Haar medische voorgeschiedenis vermeldde een euthyreoot struma en het fenomeen van Raynaud. Enkele maanden later kreeg zij geleidelijk last van een rode schilferende huid over de strekzijde van de kleine handgewrichten, polsen en knieën. Daarnaast voelde zij zich sneller vermoeid in de schouder- en heupgordel zonder dat zij krachtsverlies kon aangeven en had zij last gekregen van pijn in de knieën. Bij lichamelijk onderzoek werd een verheven paarskleurig erytheem gezien over de extensorzijden van de metacarpofalangeale en proximale interfalangeale gewrichten, de knieën en de polsen. Tevens bestond er een nagelriemerytheem met enkele micro-infarcten en teleangiectasieën. Bij gewrichtsonderzoek viel op dat bewegingen van schouders, ellebogen, polsen, knieën en enkels pijnlijk waren zonder duidelijke tekenen van artritis. Er bestond een lichte proximale spierzwakte aan armen en benen.

Laboratoriumonderzoek toonde een verhoogde serum-CK-activiteit (360 E/l) en de aanwezigheid van anti-Jo-1-autoantilichamen. Elektromyografisch onderzoek toonde een myopathisch beeld zonder spontane activiteit. Een spierbiopt van de M. deltoideus liet een klassiek beeld zien van dermatomyositis met perivasculaire ontstekingsinfiltraten en perifasciculaire atrofie (figuur 2). Longfunctieonderzoek toonde een restrictieve stoornis met een ongestoorde diffusie (CO-transferfactor: 1,61 mmol/min/kPa/l). Een thoraxfoto toonde basaal fibrotische en reticulonodulaire afwijkingen (figuur 3). De diagnose luidde ‘antisynthetasesyndroom’ met als kenmerken dermatomyositis, mogelijke idiopathische longfibrose, polyartralgie en het fenomeen van Raynaud. Behandeling met prednison in een dosering van 1 mg/kg werd gestart, waarop de pijnklachten van de gewrichten verdwenen, de huid rustiger werd en de kracht in de proximale musculatuur geleidelijk terugkeerde. De prednison kon twee maanden na start van de behandeling succesvol afgebouwd worden onder controle van het klinische beeld, de CK-waarde en de longfunctie.

Zeven jaar na het volledig staken van de prednison vergaat het patiënte nog immer voorspoedig.

Patiënt C is een 38-jarige vrouw die vier maanden vóór consultatie op het Neuromusculair Centrum Nijmegen gedurende enkele dagen griepachtige verschijnselen had doorgemaakt die bestonden uit algehele malaise, lichte koorts en anorexie. Zij herstelde hier voorspoedig van, maar bleef nadien last houden van symmetrische artralgieën, in eerste instantie van de distale en proximale interfalangeale gewrichten en later ook van knieën en schouders. Twee maanden na het ontstaan van de eerste klachten kreeg zij last van algehele malaise, koortsende episoden en anorexie. Na twee weken trad er een spontane verbetering op. Patiënte bemerkte echter spierpijnen in de proximale arm- en beenmusculatuur, in het begin alleen optredend bij inspanning, later ook in rust. De gewrichtspijnen waren nog steeds aanwezig en zij bleef last houden van een hinderlijke niet-productieve hoest, die ontstaan was gedurende de tweede grieperige periode. Geleidelijk bemerkte zij dat de kracht van de proximale musculatuur verminderde.

Bij lichamelijk onderzoek werden over de longen basale crepitaties gehoord en toonde het onderzoek van de gewrichten een geringe artritis van de knieën. Er bestond een ernstige parese van de nekflexoren en van de heup- en schoudergordelmusculatuur. Laboratoriumonderzoek toonde een sterk verhoogde serumwaarde van CK (3905 E/l) en de aanwezigheid van anti-Jo-1-autoantilichamen. Elektromyografisch onderzoek toonde een myopathisch beeld met spontane activiteit in de proximale en distale musculatuur. Een spierbiopt van de M. quadriceps liet het beeld zien van myositis met een diffuus endomysiaal en perifasciculair ontstekingsinfiltraat, necrotische vezels en HLA-ABC-positiviteit van het sarcolemma. Longfunctieonderzoek toonde een gestoorde diffusie met een CO-transferfactor van 1,11 mmol/min/kPa/l en een hoge-resolutie-CT-scan van de thorax liet het beeld zien van longfibrose met, met name in de ondervelden, duidelijk versterkte interstitiële tekening, matglasaspect en enkele verdikte septa.

De diagnose luidde ‘antisynthetasesyndroom’, gekenmerkt door myositis (differentiatie tussen dermatomyositis en polymyositis was niet mogelijk), interstitiële longfibrose en artritis. Patiënte werd behandeld met immuunsuppressieve therapie waarna een sterke daling gezien werd van de serum-CK-waarde, de spierkracht nagenoeg normaliseerde en de longfunctie aanmerkelijk verbeterde. Momenteel (een halfjaar na start van de behandeling) gebruikt patiënte nog prednison 10 mg en methotrexaat 15 mg.

De idiopathische inflammatoire myopathieën vormen een groep van heterogene ziektebeelden die gekenmerkt worden door een verworven, veelal proximaal gelokaliseerde spierzwakte, verhoogde waarden van het serum-CK, elektromyografische afwijkingen en de aanwezigheid van ontstekingsinfiltraten in skeletspierweefsel.1 2 Tot de voornaamste ziektebeelden binnen deze groep behoren dermatomyositis en polymyositis.1 2 De geschatte prevalentie van dermatomyositis en polymyositis is 1 per 100.000.2

Myositisspecifieke autoantilichamen

In de sera van een subgroep patiënten met idiopathische inflammatoire myopathie werden autoantistoffen gevonden die specifiek zijn voor myositis.3-11 De meeste van deze myositisspecifieke autoantilichamen zijn gericht tegen cytoplasmatische ribonucleoproteïnen welke betrokken zijn bij de eiwitsynthese.3 7 8 De frequentst voorkomende myositisspecifieke autoantilichamen zijn gericht tegen aminoacyl-tRNA-synthetasen.4-7 9-11 Binnen de groep van anti-aminoacyl-tRNA-synthetasen komt het anti-Jo-1-autoantilichaam, gericht tegen het histidine-tRNA-synthetase, het frequentst voor.4-7 9-11 Dit autoantilichaam wordt bij ongeveer 20 van de dermatomyositis- en polymyositispatiënten gevonden.6 9-11 Diverse studies hebben aangetoond dat de aanwezigheid van autoantistoffen tegen aminoacyl-tRNA-synthetasen is gekoppeld aan een specifiek klinisch syndroom: het antisynthetasesyndroom. Dit ziektebeeld wordt gekenmerkt door myositis, idiopathisch interstitieel longlijden, polyartritis, het fenomeen van Raynaud en aanwezigheid van autoantistoffen tegen aminoacyl-tRNA-synthetasen. De verschillende aspecten van dit syndroom zullen wij nu bespreken.

Myositis

Bij bijna alle patiënten is er myositis, waarbij het even vaak gaat om polymyositis als om dermatomyositis.4-7 9 Meestal is het klinische beeld duidelijk met een proximale spierzwakte, myalgie, een verhoogde serum-CK-activiteit, een elektromyografisch beeld met myopathische afwijkingen en spontane activiteit, en de aanwezigheid van ontstekingsinfiltraten in skeletspierweefsel.1 2

Het komt echter regelmatig voor dat dit beeld minder uitgesproken is. Een aantal patiënten klaagt niet over spierzwakte. Dit kan onder andere het gevolg zijn van dyspnée d'effort, waardoor een mindere belastbaarheid bestaat en spierkrachtverlies niet bemerkt wordt (patiënt A). Daarnaast is het mogelijk dat patiënten om andere redenen immuunsuppressieve medicatie gebruiken, waardoor het serum-CK-niveau niet opvallend verhoogd is, de spierzwakte minder uitgesproken is en in het spierbiopt ontstekingsinfiltraten ontbreken (patiënt A).

De myositis bij het antisynthetasesyndroom reageert over het algemeen goed op immuunsuppressieve therapie (die veelal bestaat uit prednison in een dosering van 1 mg/kg in de acute fase, gevolgd door azathioprine of methotrexaat voor de langdurigere behandeling). Echter, het komt frequent voor dat er recidieven ontstaan bij verlagen van de immuunsuppressie (veelal volstaat dan het tijdelijk verhogen van de prednisondosering, eventueel gecombineerd met het starten van azathioprine of methotrexaat (patiënt A).4 6 7 9

Interstitieel longlijden

Bij 33-96 van de patiënten met het antisynthetasesyndroom wordt het beeld van een interstitiële alveolitis of longfibrose gezien.4-6 9 De klinische presentatie hiervan varieert van een fulminant beeld met een subacuut ontstaande respiratoire insufficiëntie tot een subklinisch beeld met alleen een afwijkende thoraxfoto.12 De meeste patiënten klagen over dyspnée d’effort; deze gaat veelal gepaard met een niet-productieve hoest. Bij auscultatie van de longen worden eind-inspiratoire basale crepitaties gehoord. Bij longfunctieonderzoek wordt een restrictieve stoornis gevonden, met veelal een gestoorde diffusie. De thoraxfoto toont fibrotische en reticulonodulaire afwijkingen met een voorkeurslokalisatie voor de basale longvelden. In een aantal gevallen bestaat er een honingraat- of matglasaspect. Een vergelijkbaar beeld kan op een hoge-resolutie-CT-scan van de thorax gezien worden.

Een deel van de patiënten met het antisynthetasesyndroom en interstitieel longlijden heeft geen dyspnoeklachten (patiënten B en C). Veelal betreft dit patiënten met ernstige spierzwakte die door hun verminderde mobiliteit een eventuele dyspnée d'effort niet opmerken (patiënt C). Een ander praktisch probleem bij de diagnose ‘interstitieel longlijden’ bij het antisynthetasesyndroom is dat een restrictief gestoorde longfunctie niet altijd een uiting is van een primair longlijden, maar ook een gevolg kan zijn van de myositis, waardoor er zwakte ontstaan is van de ademhalingsmusculatuur.

De reactie van het interstitiële longbeeld op immuunsuppressieve therapie kan sterk variëren.12 Er zijn patiënten bij wie het beeld volledig in remissie gaat, maar ook patiënten bij wie het beeld, ondanks adequate therapie, snel progressief is en tot de dood leidt.12

De uiteindelijke prognose van patiënten met het antisynthetasesyndroom wordt veelal bepaald door de respiratoire component, die nadelig beïnvloed kan worden door zowel het interstitieel longlijden als door de zwakte van de ademhalingsmusculatuur.1 De gemiddelde 5-jaarsoverleving ligt rond de 70 met een 10-jaarsoverleving in dezelfde orde van grootte.6

Polyartritis

Polyartritis wordt bij 69-100 van de patiënten met antisynthetasesyndroom gezien.4-6 9 Dit betreft veelal een lichte symmetrische niet-erosieve polyartritis van zowel proximale als distale gewrichten. Artralgieën in distale en proximale gewrichten komen nog frequenter voor. Soms kunnen de gewrichtsklachten zeer sterk op de voorgrond staan, waardoor een eventuele spierzwakte of een dyspnée d'effort, ten gevolge van de verminderde mobiliteit, niet opgemerkt wordt. Over het algemeen reageert de polyartritis bij het antisynthetasesyndroom goed op de immuunsuppressieve therapie. Bij een enkele patiënt is toevoeging van een NSAID nodig.

Fenomeen van Raynaud

Meer dan de helft van de patiënten met het antisynthetasesyndroom heeft het fenomeen van Raynaud. De cijfers in de literatuur hierover variëren van 53-62.4 6 9 Het is niet uitzonderlijk dat dit veelvoorkomende symptoom al jaren aanwezig is voordat de andere uitingen van het antisynthetasesyndroom zich openbaren.

Diagnose

De differentiaaldiagnose van het antisynthetasesyndroom is sterk afhankelijk van het symptomenbeeld. Over het algemeen zal men vooral kijken naar de differentiaaldiagnosen van een verworven symmetrische proximale spierzwakte en van inflammatoire bindweefselziekten (tabel).

Het bepalen van het anti-Jo-1-autoantilichaam, verreweg het frequentste anti-aminoacyl-tRNA-synthetaseautoantilichaam, is vrij eenvoudig en wordt aangeraden bij iedere patiënt met aanwijzingen voor antisynthetasesyndroom. In de literatuur wordt zelfs geadviseerd om bij iedere patiënt met een inflammatoire bindweefselziekte naar anti-Jo-1 te kijken.13 In de dagelijkse praktijk zal dit wellicht niet goed uitvoerbaar zijn en lijkt het aanvaardbaar om alleen patiënten te onderzoeken die van de 4 kernsymptomen (myositis, interstitieel longlijden, polyartritis en het fenomeen van Raynaud) er 1 hebben, of 2 symptomen als het eerste het fenomeen van Raynaud is.10 Indirecte immunofluorescentie met HEp2-cellen toont in aanwezigheid van anti-Jo-1-antistoffen een cytoplasmatisch patroon, waarbij soms ook een nucleair patroon gezien wordt.14 Indien de uitslag van deze test positief is, dient verder onderzoek met een commercieel verkrijgbare ELISA-test of cytoplasmatische immunoblot te volgen. Bij patiënten bij wie er onduidelijkheid bestaat of aanvullende bepalingen gewenst zijn (bijvoorbeeld onderzoek naar de andere anti-aminoacyl-tRNA-synthaseautoantilichamen) kan men een beroep doen op onderzoekslaboratoria zoals het onze.

Dames en Heren, het antisynthetasesyndroom is een aparte ziekte-entiteit die, zoals vermeld, wordt gekenmerkt door myositis, interstitieel longlijden, polyartritis en het fenomeen van Raynaud. De diverse uitingen van het ziektebeeld ontstaan niet synchroon en niet in een vaste volgorde, waardoor patiënten bij artsen van diverse specialismen terecht kunnen komen. Een goede kennis van het ziektebeeld is van belang om te kunnen anticiperen op eventuele bijkomende verschijnselen die in een aantal gevallen gemaskeerd aanwezig zijn en niet altijd tot het directe aandachtsgebied behoren van de behandelend specialist.

Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: G.J.D. Hengstman wordt financieel ondersteund door MW-NWO, projectnummer 940-37-009.

Literatuur
  1. Amato AA, Barohn RJ. Idiopathic inflammatory myopathies.Neurol Clin 1997;15:615-48.

  2. Dalakas MC. Polymyositis, dermatomyositis, andinclusion-body myositis. N Engl J Med 1991;325:1487-98.

  3. Dalakas MC. lmmunopathogenesis of inflammatory myopathies.Ann Neurol 1995;37:S74-86.

  4. Hausmanowa-Petrusewicz I, Kowalska-Oledzka E, Miller FW,Jarzabek-Chorzelska M, Targoff IN, Blaszczyk-Kostanecka M, et al. Clinical,serological, and immunogenetic features of Polish patients with idiopathicinflammatory myopathies. Arthritis Rheum 1997;40:1257-66.

  5. Hirakata M, Mimori T, Akizuki M, Craft J, Hardin JA, HommaM. Autoantibodies to small nuclear and cytoplasmic ribonucleoproteins inJapanese patients with inflammatory muscle disease. Arthritis Rheum1992;35:449-56.

  6. Love LA, Leff RL, Fraser DD, Targoff IN, Dalakas M, PlotzPH, et al. A new approach to the classification of idiopathic inflammatorymyopathy: myositis-specific autoantibodies define useful homogeneous patientgroups. Medicine 1991;70:360-74.

  7. Miller FW. Myositis specific autoantibodies, touchstonesfor understanding the inflammatory myopathies. JAMA1993;270:1846-9.

  8. Engelen BGM van, Venrooij WJ van. Autoantibody testing inthe evaluation of idiopathic inflammatory myopathies: myositis-specificautoantibodies. J Clin Neuromusc Dis 2000;2:1-2.

  9. Hengstman GJ, Brouwer R, Egberts WT, Seelig HP, Jongen PJ,Venrooij WJ van, et al. Clinical and serological characteristics of 125 Dutchmyositis patients. Myositis specific autoantibodies aid in the differentialdiagnosis of the idiopathic inflammatory myopathies. J Neurol2002;249:69-75.

  10. Hengstman GJD, Engelen BGM van, Vree Egberts WTM,Venrooij WJ van. Myositis-specific autoantibodies: overview and recentdevelopments. Curr Opin Rheumatol 2001;12:476-82.

  11. Brouwer R, Hengstman GJD, Vree Egberts W, Ehrfeld H,Bozic B, Ghirardello A, et al. Autoantibody profiles in the sera of Europeanpatients with myositis. Ann Rheum Dis 2001;60:116-23.

  12. Friedman AW, Targoff IN, Arnett FC. lnterstitial lungdisease with autoantibodies against aminoacyl-tRNA synthetases in the absenceof clinically apparent myositis. Semin Arthritis Rheum1996;26:459-67.

  13. Schmidt WA, Wetzel W, Friedländer R, SörensenHF, Lichey HJ, Genth E, et al. Clinical and serological aspects of patientswith anti-Jo-1 antibodies. Clin Rheumatol 2000;19:371-7.

  14. Vázquez-Abad D, Carson JH, Rothfield N.Localization of histidyl-tRNA synthetase (Jo-1) in human laryngeal epithelialcarcinoma cell line (HEp-2 cells). Cell Tissue Res1996;286:487-91.

Auteursinformatie

Universitair Medisch Centrum St Radboud, Postbus 9101, 6500 HB Nijmegen.

Neuromusculair Centrum Nijmegen, Instituut voor Neurologie: G.J.D.Hengstman, assistent-geneeskundige; dr.B.G.M.van Engelen, neuroloog.

Afd. Reumatologie: dr.F.H.J.van den Hoogen, reumatoloog.

Katholieke Universiteit Nijmegen, Centre for Molecular Life Sciences, sectie Auto-immuun Biochemie, Nijmegen.

Prof.dr.W.J.van Venrooij, biochemicus.

(g.hengstman@neuro.umcn.nl).

Contact G.J.D.Hengstman (g.hengstman@neuro.umcn.nl)

Gerelateerde artikelen

Reacties

G.D.M.
Beun

Groningen, augustus 2003,

In het tijdschriftnummer van 2 augustus jongstleden wordt in de korte beschrijving van het artikel over het antisynthetasesyndroom (2003:1485-9) onder de kop ‘Deze week in nr. 31 2 augustus 2003’ gesteld: ‘De aandoening wordt veroorzaakt door autoantistoffen tegen bepaalde cytoplasmatische enzymen (aminoacyl-tRNA-synthetasen)’. In het artikel zelf wordt over de pathogenese geen uitspraak gedaan. Voorzover mij bekend worden autoantistoffen tegen intracellulaire bestanddelen veeleer gezien als epifenomeen bij auto-immuunprocessen, gemedieerd door T-cellen. Ik ben benieuwd naar de mening van de auteurs.

G.D.M. Beun
G.J.D.
Hengstman

Nijmegen, augustus 2003,

Collega Beun zet terecht vraagtekens bij de zin ‘De aandoening wordt veroorzaakt door autoantistoffen tegen bepaalde cytoplasmatische enzymen (aminoacyl-tRNA-synthetasen)’ .

In de eerste plaats willen wij graag een formele reactie geven op zijn commentaar. Zijn vraagtekens betreffen niet het door ons geschreven artikel (2003:1485-9), maar gaan over een door de redactie van het Tijdschrift toegevoegde tekst bij de inhoudsopgave die niet door ons geschreven is en die ons ook niet onder ogen gekomen is vóór publicatie.

In de tweede plaats stelt de vraag van Beun ons in staat de relatie tussen de autoantilichamen en de ziekteverschijnselen bij het antisynthetasesyndroom hier nader toe te lichten. De rol die de antiaminoacyl-tRNA-synthetaseautoantilichamen spelen in de pathogenese van het antisynthetasesyndroom is vooralsnog onbekend. Het is onwaarschijnlijk dat ze betrokken zijn bij het ontstaan van de ziekteverschijnselen. Het voornaamste argument hiervoor is dat ze niet gericht zijn tegen weefselspecifieke antigenen, maar tegen antigenen die in nagenoeg alle cellen aanwezig zijn. Het is weliswaar aangetoond dat sommige autoantilichamen intacte cellen kunnen binnendringen om mogelijk te binden met hun antigenen, maar dit fenomeen is nog te weinig onderzocht om als een serieus pathofysiologisch mechanisme te worden beschouwd. Naar alle waarschijnlijkheid zijn de antiaminoacyl-tRNA-synthetaseautoantilichamen een epifenomeen. Dit epifenomeen is nauw verbonden met het onderliggende pathofysiologische proces, aangezien de aanwezigheid van deze autoantilichamen ziektespecifiek is en verband houdt met specifieke klinische kenmerken. Een recente hypothese voor de vorming van deze autoantilichamen betreft de posttranslationele modificatie. Tijdens celdood (apoptose, necrose) worden diverse cellulaire eiwitten gemodificeerd, onder andere door klieving, (de)fosforylering en citrullinering. Normaliter komen deze modificaties niet in contact met het immuunsysteem omdat stervende cellen in een vroeg stadium worden verwijderd door fagocyterende cellen. Bij massale celdood kan dit proces echter tekortschieten, waardoor de modificaties wel in contact komen met het immuunsysteem. Hiermee wordt de tolerantie doorbroken en kunnen antilichamen tegen de modificatie gevormd worden. Daarna kan het immuunsysteem via epitoopspreiding ook antilichamen gaan maken tegen het niet-gemodificeerde deel van het antigeen, waarmee auto-immuniteit een feit is. Een voorbeeld van dit mechanisme betreft de citrullinering van autoantigenen bij reumatoïde artritis.1

G.J.D. Hengstman
W.J. van Venrooij
B.G.M. van Engelen
Literatuur
  1. Venrooij WJ van, Putte LBA van de. Vroegdiagnostiek van reumatoïde artritis met een test op basis van een specifiek antigeen: cyclisch gecitrullineerd peptide. [LITREF JAARGANG="2003" PAGINA="191-4"]Ned Tijdschr Geneeskd 2003;147:191-4.[/LITREF]