Heeft afplatting van de schedel blijvende gevolgen voor de ontwikkeling van de hersenen?

Klinische praktijk
J.M. Vaandrager
A.G.M.G.J. Mulders
Chr. Vermeij-Keers
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1996;140:1963
Download PDF

In de rubriek Vraag en antwoord wordt gediscussieerd over de vraag of afplatting van de schedel ofwel plagiocefalie blijvende gevolgen heeft voor de ontwikkeling van de hersenen (1996;381, 1090 en 1416). Aan deze discussie willen wij het volgende toevoegen. De term ‘plagiocefalie’ (Grieks: plagios = ‘scheef’ en kefalè = ‘schedel’) zegt uitsluitend iets over de schedelvorm, doch niets over de etiologie en pathogenese. In de literatuur wordt plagiocefalie echter overwegend gekoppeld aan synostosis van de corona- of de lambdanaad.1 Derhalve dient men onderscheid te maken tussen synostotische en non-synostotische plagiocefalie.

Sinds 1993 worden in het Centrum voor Craniofaciale Chirurgie van het Academisch Ziekenhuis Rotterdam in toenemende mate patiënten gezien met non-synostotische plagiocefalie (in totaal 76 patiënten). Hun schedelvorm komt vluchtig gezien overeen met die van de patiënten met uni- of bilaterale synostosis van de corona- of de lambdanaden, doch er zijn wezenlijke groeiverschillen. Om deze verschillen te kunnen analyseren hebben wij onder meer botscintigrafieopnamen gemaakt van 12 van de 76 patiënten. Deze opnamen laten alle een normale bilaterale symmetrische verdeling van botactiviteit zien ter plaatse van respectievelijk de corona- en de lambdanaden.

Betreffende de etiologie van de non-synostotische plagiocefalie bestaan er meerdere theorieën in de literatuur,2 waarvan die over ‘positional deformity’ op basis van rugligging het meest wordt aangehangen (1996;381).3 Geen van deze theorieën is tot nu toe wetenschappelijk bewezen.

Concluderend kan gesteld worden dat bij patiënten met non-synostotische plagiocefalie de groei van de schedelbeenderen niet beperkt is. Bovendien is er nooit van intracraniële drukverhoging gerept. Klinisch gezien bestaat er dus geen operatie-indicatie tot correctie van de schedelvorm. Er is alleen sprake van een afwijkende schedelvorm welke conservatief kan worden gecorrigeerd, afhankelijk van het tijdstip waarop de patiënt door de arts wordt gezien, met behulp van hanteringsadviezen, fysiotherapie (1996;381) of een helmbehandeling (1996;1416).23 In Rotterdam wordt tevens onderzoek verricht betreffende de etiologie en de pathogenese van de non-synostotische plagiocefalie.

De ingezonden brief van de collegae Vaandrager et al. is zeer welkom, omdat deze de handelwijze illustreert die in het grootste centrum voor craniofaciale chirurgie van Nederland wordt gehanteerd bij kinderen met een enkelzijdige afplatting van de achterzijde van de schedel, niet veroorzaakt door een synostosis van de sutura lambdoidea.

Geconstateerd kan worden dat het in Rotterdam gevoerde beleid, alsook de mening die men heeft over de pathogenese van de betreffende afwijking, geheel overeenstemt met hetgeen daarover in het antwoord op de oorspronkelijke vraag is geschreven.

Literatuur
  1. Cohen jr MM. History, terminology and classification ofcraniosynostosis. In: Cohen jr MM, editor. Craniosynostosis: diagnosis,evaluation, and management. New York: Raven Press, 1986:1-20.

  2. Ripley CE, Pomatto J, Beals SP, Joganic EF, Manwaring KH,Moss SD. Treatment of positional plagiocephaly with dynamic orthoticcranioplasty. J Craniofac Surg 1994;5:150-60.

  3. Argenta LC, David LR, Wilson JA, Bell WO. An increase ininfant cranial deformity with supine sleeping position. J Craniofac Surg1996;7:5-11.

Gerelateerde artikelen

Reacties