Voorkeurshouding bij zuigelingen; groot beroep op de gezondheidszorg
Open

Onderzoek
22-04-1997
M.M. Boere-Boonekamp, A.T. van der Linden-Kuiper en P. van Es

Doel.

Bepalen van de prevalentie van voorkeurshouding bij zuigelingen jonger dan 6 maanden; bepalen van het percentage verwijzingenbehandelingen en opsporen van risicofactoren voor voorkeurshouding.

Opzet.

Descriptief gecontroleerd onderzoek.

Plaats.

Consultatiebureaus (CB's) voor zuigelingen in Nederland.

Methoden.

Gedurende september 1995 werden door 167 CB-artsen 7609 zuigelingen onderzocht op de aanwezigheid van een voorkeurshouding. Van elk kind met voorkeurshouding (n = 623) en van een volgend kind zonder voorkeurshouding, van dezelfde leeftijd en hetzelfde geslacht, vond registratie plaats van gegevens uit lichamelijk onderzoek en van risicofactoren. Zes maanden nadien werden 468 kinderen met voorkeurshouding opnieuw onderzocht.

Resultaten.

De prevalentie van voorkeurshouding bedroeg 8,2 en was het hoogst bij zuigelingen jonger dan 16 weken. De verhouding jongens-meisjes bedroeg 3:2. Voorkeurshouding kwam frequenter voor bij eerstgeborenen, prematuren en kinderen met stuitligging bij de bevalling. De ligging van het kind na de eerste levensweek en de wijze van aanbieden van de voeding bleken significante risicofactoren. Op het moment van naonderzoek was 32 van de kinderen met voorkeurshouding verwezen voor nadere diagnostiek en eventueel behandeling.

Conclusie.

Voorkeurshouding kwam frequent voor en leidde tot verwijzing en (of) behandeling van 2,5 van alle kinderen jonger dan 6 maanden.