Heeft afplatting van de schedel blijvende gevolgen voor de ontwikkeling van de hersenen?

Klinische praktijk
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1996;140:381
Download PDF

VRAAG 3. Is het juist dat scheefgroei door afplatting van de schedel (pariëtaal en occipitaal), bij de jonge zuigeling steeds vaker voorkomend, blijvende gevolgen kan hebben voor de ontwikkeling van de hersenen? Is het dan ook zo dat zuigelingen met een afplatting aan een zijde van het achterhoofd moeten worden verwezen naar neuroloog of kinderarts?

ANTWOORD VAN DE KINDERNEUROLOOG. Een- of dubbelzijdige afplatting van de schedel bij de jonge zuigeling kan 2 oorzaken hebben: synostose van een of meer schedelnaden of afplatting door het (bijna) voortdurend op de rug liggen. Het laatste komt veel vaker voor dan het eerste.

‘Plagiocefalie’ is de term die wordt gebruikt om een eenzijdige afplatting van de schedel aan de achterzijde weer te geven. Als de afplatting wordt veroorzaakt door eenzijdige craniosynostose, dan kan dit zowel de sutura coronaria als de sutura lambdoidea betreffen. In het eerste geval zal naast de afplatting aan de achterzijde ook een verkorting van de voorste schedelgroeve optreden, waarbij de orbita enigszins naar buiten en naar boven wordt verplaatst (‘harlekijns oog’). Bij een stenose van de sutura lambdoidea treedt juist vaak een vergroting op van het hemicranium aan de voorzijde van de aangetaste sutuur, zodat de schedel pariëtaal en frontaal iets kan gaan uitbollen. Dit is moeilijk te onderscheiden van de afplatting door te langdurige ligging, waarbij ook wordt gezien dat de ipsilaterale gelaatshelft gaat promineren.

Bij een liggingsafwijking zal asymmetrie ontstaan als er sprake is van een voorkeurshouding van het hoofd. Vaak ziet men daarbij dat de beharing op de plek van de afplatting sterk verminderd is. Een dergelijke voorkeurshouding kan ontstaan door verkeerde hanteringsmethoden van de ouders, die het kind steeds op dezelfde manier in bed neerleggen. Als de spijlen van het bed, het raam en de deur allemaal aan dezelfde kant zijn, kan het gebeuren dat het kind een voorkeurshouding van het hoofd voor die kant ontwikkelt. Daarnaast ontstaat een voorkeurs- of dwanghouding van het hoofd naar één kant door een hematoom in de M. sternocleidomastoideus, door afwijkingen aan de cervicale wervelkolom of door cerebrale aandoeningen met een déviation conjuguée als gevolg.

Noch afplatting door een verkeerde houding noch een synostose van een enkele schedelnaad zullen remmend of beschadigend werken op de ontwikkeling van de hersenen. Dit is dus ook geen reden voor een eventuele verwijzing. Men zou kunnen overwegen om het kind te verwijzen voor het stellen van de juiste diagnose en het vervolgens toepassen van de juiste behandeling. Die kan variëren van hanteringsadviezen aan de ouders, fysiotherapie om de hoofdbewegingen optimaal te maken en zo een symmetrische motorische ontwikkeling te bevorderen (vooral van belang bij een hematoom in de M. sternocleidomastoideus en bij al bestaande cerebrale afwijkingen), tot operatie van de vroegtijdig verbeende schedelnaad. Om dit laatste vast te stellen is een röntgenfoto nodig. Een indicatie voor operatie bestaat niet bij afplatting door een verkeerde houding: dit herstelt vanzelf na houdingscorrectie of als het kind zich verder ontwikkelt en niet meer steeds op de rug ligt. Zoals uit het bovenstaande volgt, bestaat er bij een synostose van één schedelnaad geen operatie-indicatie op basis van een bedreiging van de cerebrale ontwikkeling, maar hooguit op basis van de noodzaak de afwijkende vorm van de schedel te corrigeren. Daarbij moet men zich realiseren dat de resultaten van correctieve chirurgie veruit het beste zijn als de operatie plaatsvindt in de eerste 6 tot 8 levensmaanden.

ANTWOORD VAN DE KINDERARTS. Het meten van de schedelomvang, een maat voor hersenvolume en liquorhoeveelheid, is een van de meest eenvoudige en nuttige handelingen voor het beoordelen van het centrale zenuwstelsel in de neonatale periode. De schedelomvang hangt samen met de vorm van het hoofd. Een relatief grote occipitaal-frontale diameter geeft een grotere omvang dan een relatief grote bipariëtale diameter. Dus hoe ronder het hoofd, des te kleiner de schedelomvang.

Bij prematuren vindt in de eerste 2 à 3 levensmaanden een indrukwekkende verandering van de vorm van het hoofd plaats ten gevolge van een toename van de occipitale-frontale diameter ten opzichte van de bipariëtale diameter.

Bij een afwijkende vorm van het hoofd moet differentiaal-diagnostisch gedacht worden aan een craniosynostose (vervroegde sluiting van een of meerdere schedelnaden). Een asymmetrische schedelgroei kan optreden bij kinderen die een voorkeurshouding hebben van het hoofd, bijvoorbeeld ten gevolge van een torticollis of een gestoorde motorische ontwikkeling. Indien een craniosynostose of een gestoorde motorische ontwikkeling vermoed wordt, is verwijzing naar een kinderarts of kinderneuroloog aangewezen. Ouders van kinderen die als gevolg van rugligging een afgeplat achterhoofd, maar verder een normale neuromotoriek hebben, kunnen gerustgesteld worden.

Het is ons niet bekend dat scheefgroei door afplatting van de schedel steeds vaker zou voorkomen. Ook is het niet te verwachten dat dit blijvende gevolgen zou kunnen hebben voor de ontwikkeling van de hersenen.

Gerelateerde artikelen

Reacties