Gevolgen van uitstel van zwangerschap

Perspectief
E.R. te Velde
J.D.F. Habbema
C.G.J.M. Hilders
J.M.W.M. Merkus
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2007;151:1593-6
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Uitstel van zwangerschap is maatschappelijk bepaald en heeft te maken met het feit dat het voor vrouwen vaak moeilijk is om een opleiding, baan of carrière te combineren met het hebben van kinderen en het zorgen voor een gezin. Vooral gynaecologen worden steeds vaker geconfronteerd met vrouwen die de gevolgen van dit uitstel ondervinden. Het uitstellen van zwangerschap gaat gepaard met een toenemende kans op ongewenste kinderloosheid. Als het vrouwen wel lukt om op latere leeftijd zwanger te worden, zijn de risico’s op complicaties tijdens de zwangerschap en de bevalling groter. De kinderen hebben een grotere kans op chromosomale afwijkingen en op mentale of fysieke handicaps die samenhangen met de toename van vroeggeboorten en vruchtbaarheidsbehandelingen. Bij zwangerschap na het 30e levensjaar, maar met name na het 35e, nemen al deze problemen toe. Ook stijgt het risico op borstkanker als vrouwen hun eerste kind later krijgen of als zij afzien van het krijgen van kinderen.

Ned Tijdschr Geneeskd. 2007;151:1593-6

Sinds het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw is de gemiddelde leeftijd waarop een Nederlandse vrouw haar eerste kind krijgt gestegen van 24,5 tot 29,4 jaar (http://statline.cbs.nl/). Tegenwoordig is bijna 50 van de vrouwen die voor het eerst moeder worden 30 jaar of ouder; 13 is zelfs 35 jaar of ouder. In de jaren zeventig waren deze percentages 12 respectievelijk 2 (http://statline.cbs.nl/). Deze demografische aardverschuiving is een gevolg van maatschappelijke veranderingen die mogelijk werden toen de pil en andere vormen van anticonceptie eind jaren zestig beschikbaar kwamen.1-3 Voor het eerst in de geschiedenis waren vrouwen niet meer ‘overgeleverd aan het onontkoombare moederschap’.3 In de jaren zeventig zorgden zij ervoor dat zij minder kinderen kregen en vooral dat zij die minder laat kregen.4 Daarna gingen vrouwen hun eerste zwangerschap massaal uitstellen.

De periode van het 18e tot het 30e levensjaar, het ‘speelkwartier van het leven’ genoemd (A.L.Bovenberg. Nieuwe levensloopbenadering. http://uvtws1.uvt.nl:7779/pls/kubweb/kw3app.kw3_bin?id=00016240&mime=ap…), is tegenwoordig de beste tijd om een opleiding te volgen, voor het eerst een baan te hebben, geld te verdienen, van het leven te genieten en te experimenteren met relaties. Veel vrouwen zijn dan nog niet toe aan een kind en wachten met zwanger worden tot later, als het beter uitkomt. Door de beschikbaarheid van goede anticonceptiemethoden kan de zwangerschap moeiteloos en als vanzelfsprekend worden uitgesteld.3 Diezelfde periode is echter ook de beste tijd om voor het eerst zwanger te worden, omdat de vrouwelijke vruchtbaarheid boven de leeftijd van 30 jaar begint af te nemen. Vooral gynaecologen, maar ook huisartsen en neonatologen worden daarom steeds vaker geconfronteerd met de gevolgen van uitstel van zwangerschap tot na het 30e levensjaar.

de toename van ongewenste kinderloosheid op oudere leeftijd

Zwanger worden is een kwestie van kans die bepaald wordt door een combinatie van factoren, waarvan de kwaliteit van zaad en eicellen de belangrijkste is. Iedere maand ontstaat er opnieuw een kans tijdens de ongeveer 5 dagen durende vruchtbare periode van de vrouw. De maandelijkse kans op een zwangerschap die leidt tot de geboorte van een kind zonder aangeboren afwijkingen – hier ‘doorgaande zwangerschap’ genoemd – is op het 35e jaar de helft en op het 38e jaar een kwart van die van een 30-jarige of jongere vrouw.5

Wat betekent deze afname van de maandelijkse kansen voor een normaal vruchtbaar paar? De kans om binnen 1 jaar een doorgaande zwangerschap te realiseren is 85 à 90 wanneer de vrouw 30 jaar of jonger is, circa 65 als zij om en nabij de 35 jaar oud is en circa 40 op de leeftijd van 38 jaar (schattingen op grond van onderzoek).5-7 Als paren het kunnen opbrengen om langer door te gaan met proberen, worden die kansen een stuk groter: van de paren die binnen dat eerste jaar geen doorgaande zwangerschap hebben bereikt, slaagt bijna 50 daar het tweede jaar alsnog in.7 Ondanks de aanzienlijke maandelijkse daling van de kans op een doorgaande zwangerschap bij een vrouw die om en nabij de 38 jaar oud is, heeft een volhardend paar uiteindelijk toch nog een redelijke kans, al duurt het wel langer. Bij vrouwen ouder dan 38 jaar nemen de kansen op succes verder af en vanaf de leeftijd van 41 jaar is een ‘gemiddelde’ vrouw onvruchtbaar; zij heeft dan geen enkele kans meer op een doorgaande zwangerschap.8 Dit einde van de vruchtbaarheid blijft lang onopgemerkt, omdat de regelmaat van de cyclus pas na het 45e jaar begint af te nemen en er tot die tijd niets aan de hand lijkt te zijn.9

De vermindering van de vrouwelijke vruchtbaarheid heeft te maken met de exponentiële afname van de miljoenen eicellen die een meisje in haar foetale periode heeft meegekregen.4 Bij het begin van de puberteit zijn er nog maar een paar honderdduizend over en bij de menopauze is de voorraad uitgeput. De kwaliteit van de eicellen begint vanaf het 30e jaar af te nemen. Hierdoor neemt de kans op een zwangerschap af, terwijl het risico op spontane abortus en op een kind met aangeboren afwijkingen progressief toeneemt.4 Al de genoemde leeftijden en kansen zijn gemiddelden met grote variaties en zeggen weinig over de kansen van een individuele vrouw. Dit betekent dat bij sommige vrouwen de vruchtbaarheid nog sneller afneemt en eerder is afgelopen, terwijl bij anderen dit proces juist langzamer verloopt.10 Dit verklaart waardoor sommige vrouwen al op hun 36e onvruchtbaar zijn, terwijl anderen op hun 43e nog zwanger worden en bevallen van een gezonde baby.

De mannelijke vruchtbaarheid gaat ook achteruit met het toenemen van de leeftijd, maar dit gebeurt later; deze vruchtbaarheid kan tot op hoge leeftijd intact blijven.11 Omdat de meeste mannen gemiddeld 2-3 jaar ouder zijn dan hun partner (http://statline.cbs.nl/), is de leeftijdsafhankelijke afname van de vrouwelijke vruchtbaarheid veel belangrijker dan die van de mannelijke. Zo is het althans meestal in een eerste relatie; in tweede huwelijken is de man vaak een stuk ouder en dan kan zijn dalende vruchtbaarheid ook een rol van betekenis spelen.

Kunstmatige voortplanting

Kan de moderne voortplantingstechnologie (in-vitrofertilisatie (ivf) en intracytoplasmatische sperma-injectie (ICSI)) de afnemende vruchtbaarheid compenseren? Het aantal ivf/ICSI-cycli is in Nederland gestegen van ongeveer 1000 in 1985 tot bijna 15.000 in 2004 (www.nvog.nl; zoeken op ‘IVF-resultaten’). Bijna 4500 kinderen werden in 2004 na een ivf/ICSI-behandeling geboren: 2,4 van alle kinderen. Een aanzienlijk deel van hen was er zonder deze technieken nooit geweest. Toch is ivf/ICSI geen wondermiddel; slechts bij de helft van de paren die ermee zijn begonnen, leidt de behandeling na één of meerdere cycli tot het gewenste resultaat. Bij vrouwen ouder dan 35 jaar lukt het minder vaak, omdat ook de kans op zwangerschap na ivf/ICSI afneemt met het stijgen van de leeftijd.12 Er is dus geen compensatie voor de leeftijdsafhankelijke toename van onvruchtbaarheid, terwijl het geloof in het succes van ivf/ICSI waarschijnlijk bijdraagt tot het uitstelgedrag.13 ‘Als het vanzelf niet lukt, is er altijd nog ivf’, zo denkt men, met de impliciete veronderstelling dat het dan wel zal lukken.

Ivf/ICSI wordt gewoonlijk verricht met de eicellen van de vrouw zelf. De behandeling is echter ook mogelijk met eicellen van een donor die tijdens een ivf-cyclus zijn verkregen. De kans op succes wordt dan bepaald door de leeftijd van de donor.14 Als zij nog jong is, zijn deze kansen heel redelijk, ook wanneer de eicellen worden gedoneerd aan vrouwen van 50 jaar of ouder. In ons land vindt ivf/eiceldonatie alleen plaats bij vrouwen die vervroegd in de overgang zijn gekomen en een donor hebben gevonden die bereid is haar eicellen voor niets af te staan. Eiceldonatie wordt hier dientengevolge weinig toegepast. In de Verenigde Staten, waar de voortplantingstechnologie bijna volledig is gecommercialiseerd en waar eiceldonoren vorstelijk voor hun diensten betaald worden, vindt deze behandeling op grote schaal plaats bij vrouwen die op latere leeftijd een kind willen. Als in ons land deze trend gevolgd zou gaan worden, zoals nu al het geval is in een aantal Europese landen, is het denkbaar dat eiceldonatie met ivf/ICSI de afnemende vruchtbaarheid wel gedeeltelijk zal kunnen compenseren.

complicaties en risico’s voor de moeder

In 1975 was nog maar 23 van de vrouwen die een kind kregen 30 jaar of ouder. In 2005 was dit percentage gestegen tot 64; moeders van 40 jaar of ouder (3,5) waren geen uitzondering meer (http://statline.cbs.nl/). Deze stijging van de leeftijd waarop vrouwen moeder worden, is vooral toe te schrijven aan uitstel van de eerste zwangerschap. Bij vrouwen jonger dan 30 jaar eindigt 10-15 van alle zwangerschappen in een spontane abortus. Dit percentage bedraagt 20 omstreeks het 35e jaar en stijgt tot 50 bij vrouwen van 40 jaar of ouder.15

Boven de 30 jaar neemt ook de kans toe op ziekten en complicaties bij de zwangerschap en de bevalling, zoals afwijkingen die met hypertensie samenhangen, zwangerschapsdiabetes, cervixinsufficiëntie, voortijdig breken van de vliezen en overvloedig bloedverlies tijdens of na de bevalling. Deze kansen op complicaties nemen boven de 35 en 40 jaar duidelijk verder toe, gelden voor eenling- en meerlingzwangerschappen en zijn over het algemeen groter bij primiparae dan bij multiparae.16-18 Voor veel ziekten in de zwangerschap geldt dat ze goed kunnen worden behandeld als ze eenmaal onderkend zijn. Wel treden er dan meer complicaties bij de moeder op en de kans op een kunstverlossing neemt toe.

Het percentage keizersneden in Nederland steeg van 5 in 1983 naar 15 in 2003.18 Hoewel deze stijging mede door andere factoren verklaard kan worden, draagt de hogere leeftijd van de moeders daartoe bij. De kans op een keizersnede is voor een 37-jarige vrouw ongeveer 22; die kans is bijna 2 maal zo groot als voor een 23-jarige vrouw.18 De indicatie voor een sectio geldt vaak ook weer voor volgende zwangerschappen, maar de kans op complicaties is dan aanzienlijk groter dan de eerste keer.19

Het percentage meerlinggeboorten is in ons land gestegen van 1 in 1975 tot 1,8 in 2004.20 Deze toename is voor ongeveer de helft te verklaren door de grotere kans op een spontane meerlingzwangerschap op oudere leeftijd en voor de andere helft door de leeftijdsafhankelijke daling van de vruchtbaarheid met een groeiend aantal vruchtbaarheidsbehandelingen als gevolg.20 De tweelingfrequentie na ivf/ICSI was in 2005 18,5; er was een lichte daling ten opzichte van vorige jaren omdat er minder embryo’s werden teruggeplaatst (www.nvog.nl; zoeken op ‘IVF-resultaten’).

Een meerlingzwangerschap brengt voor moeder en kind extra risico’s met zich mee. De moeder heeft meer kans op ziekten als gevolg van de zwangerschap en deze ziekten hebben bovendien vaker een ernstig beloop.19-21 De zwangerschap eindigt veel vaker in een keizersnede; dit gebeurt bij 37 van de meerling- en bij 14 van de eenlingzwangerschappen.18 Na de geboorte van een tweeling komt de relatie tussen de ouders vaker onder druk te staan dan na een eenlinggeboorte.22 23

risico’s voor het kind

De perinatale sterfte, dat wil zeggen de foetale sterfte en de sterfte in de eerste 28 levensdagen, is bij moeders van 25-34 jaar circa 1 en bij moeders van 35 jaar en ouder 1,25.18 Bovendien is het bij oudere moeders tweemaal zo vaak nodig om in te grijpen in de zwangerschap of om door te verwijzen voor intensieve zorg.24 25

De zuigelingensterfte, dat wil zeggen de sterfte in het eerste levensjaar, is eveneens iets hoger bij moeders van 35 jaar of ouder dan bij moeders van 25-34 jaar1 en is meestal het gevolg van chromosomale afwijkingen, vroeggeboorten en meerlingzwangerschappen.

In ons land lijkt de frequentie van aangeboren afwijkingen, afgezien van de chromosomale afwijkingen, niet toe te nemen met de leeftijd van de moeder.26 De meest voorkomende chromosomale afwijking is het syndroom van Down; het risico op een kind met dit syndroom is voor een 35-jarige vrouw 4 maal zo hoog en voor een 40-jarige vrouw 15 maal zo hoog als voor een 25-jarige.27 Door vruchtwaterpunctie, prenatale diagnostiek en zwangerschapsafbreking kan de geboorte van een kind met chromosomale afwijkingen voorkomen worden. Van de vrouwen die voor prenatale diagnostiek in aanmerking komen, ziet echter bijna de helft af van dit onderzoek omdat zij de eventuele consequentie van de uitslag – de afbreking van een veelal met moeite tot stand gekomen, zeer gewenste zwangerschap – afwijzen. Van de vrouwen die wél op basis van prenataal onderzoek tot een zwangerschapsafbreking besluiten, heeft 1 op de 5 na vele jaren nog de symptomen van een posttraumatisch stresssyndroom.28 Het aantal ouders dat voor zulke moeilijke beslissingen komt te staan neemt dus eveneens toe naarmate de leeftijd stijgt waarop vrouwen zwanger worden.

De kans op vroeggeboorte neemt ook toe met de leeftijd van de vrouw. Dat risico is bij een eenlingzwangerschap al licht verhoogd, maar het wordt vooral bepaald door de toegenomen kans op een meerlingzwangerschap. Ongeveer de helft van alle tweelingzwangerschappen eindigt voor de 37e week, en 10 zelfs voor de 32e week van de zwangerschap. Voor eenlingzwangerschappen zijn deze percentages 6 respectievelijk 1,2.18 Dit heeft geleid tot een uitbreiding van het aantal bedden voor intensieve zorg voor pasgeborenen van 120 in 1989 tot 163 thans. Vooral voor de 32e zwangerschapsweek zijn de risico’s van vroeggeboorte groot. Door de toegenomen behandelingsmogelijkheden is de kans op overleving de laatste 15-20 jaar spectaculair gestegen, maar de late gevolgen voor de overlevende kinderen zijn aanzienlijk. Ongeveer een kwart van de te vroeg geboren kinderen heeft speciaal onderwijs nodig29 en bijna 13 heeft matige tot ernstige cognitieve of neurologische problemen.30

risico op mammacarcinoom

Mammacarcinoom is in de westerse wereld de meest voorkomende vorm van kanker van de vrouw en in ons land krijgt 1 op de 10 vrouwen vóór haar 75e jaar met deze ziekte te maken; er zijn ongeveer 12.000 nieuwe gevallen per jaar en van de betreffende vrouwen zullen er ongeveer 4500 aan de ziekte overlijden. De kans op borstkanker hangt mede samen met factoren die te maken hebben met de voortplanting: de leeftijd waarop een vrouw haar eerste kind krijgt en het aantal kinderen dat ze krijgt. Omdat vrouwen die hun eerste kind later krijgen gemiddeld ook minder kinderen krijgen, houden beide factoren verband met elkaar. De eerdergenoemde kans van 10 op mammacarcinoom is een gemiddelde en geldt daarom voor de ‘gemiddelde’ vrouw in ons land; die krijgt 1,7 kinderen, van wie het eerste geboren wordt als de moeder omstreeks 30 jaar oud is. Het risico stijgt met 3 voor ieder jaar dat een vrouw haar eerste kind later krijgt en daalt met 7 voor elk kind dat ze meer krijgt.31 Dit betekent dat sinds het begin van de jaren zeventig het risico op borstkanker met ongeveer 20 is toegenomen. De stijging van de leeftijd waarop vrouwen voor het eerst moeder worden verklaart het grootste deel van deze toename; een klein deel is het gevolg van het dalende kindertal. Het risico voor een kinderloze vrouw is even hoog als voor een vrouw die haar eerste kind krijgt als zij 37 jaar oud is.

conclusie

Uitstel van zwangerschap is het gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen; problemen doen zich vooral voor bij vrouwen die hun kinderwens tot na het 35e jaar uitstellen.1 2 32 Wij menen dat de oplossing van het geschetste probleem gezocht moet worden in de implementatie van een reeks samenhangende maatregelen die het beter mogelijk maken om het volgen van een opleiding en het hebben van een baan te combineren met het hebben van kinderen en het zorgen voor een gezin, zodat vrouwen eerder zwanger kunnen worden zonder dat dit ten koste hoeft te gaan van hun maatschappelijke ontwikkeling en hun deelname aan de arbeidsmarkt.3 32 Een van die maatregelen heeft met voorlichting te maken: meisjes en jongens moeten tijdig op de hoogte gebracht worden van de nadelen van uitstel van zwangerschap, zodat zij later in hun leven beter in staat zijn om de juiste keuzen te maken.

Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: geen gemeld.

Literatuur
  1. Kaa DJ van de. Europe’s second demographic transition. Popul Bull. 1987;42:1-57.

  2. Beets G. De timing van het eerste kind: demografische aspecten en achtergronden. In: Uitstel van ouderschap: medisch of maatschappelijk probleem? Signalement door de Raad van de Volksgezondheid en Zorg. Rijswijk: Quantes; 2007. p. 33-45.

  3. Brinkgreve C, Velde ER te. Wie wil er nog moeder worden? Antwerpen: Augustus; 2006.

  4. Velde ER te, Pearson PL. The variability of female reproductive ageing. Hum Reprod Update. 2002;8:141-54.

  5. Noord-Zaadstra BM van, Looman CW, Alsbach H, Habbema JD, Velde ER te, Karbaat J. Delaying childbearing: effect of age on fecundity and outcome of pregnancy. BMJ. 1991;302:1361-5.

  6. Bongaarts J. A method for the estimation of fecundability. Demography. 1975;12:645-60.

  7. Velde ER te, Eijkemans R, Habbema HD. Variation in couple fecundity and time to pregnancy, an essential concept in human reproduction. Lancet. 2000;355:1928-9.

  8. Wood J. Fecundity and natural fertility in humans. Oxford reviews of reproductive biology. 1989;11:61-109.

  9. Zonneveld P van, Scheffer GJ, Broekmans FJ, Blankenstein MA, Jong FH de, Looman CW, et al. Do cycle disturbances explain the age-related decline of female fertility? Cycle characteristics of women aged over 40 years compared with a reference population of young women. Hum Reprod. 2003;18:495-501.

  10. Velde ER te, Scheffer GJ, Dorland M, Broekmans FJ, Fauser BJ. Developmental and endocrine aspects of normal ovarian aging. Mol Cell Endocrinol. 1998;145:67-73.

  11. Kuhnert B, Nieschlag E. Reproductive functions of the ageing male. Hum Reprod Update. 2004;10:327-39.

  12. Templeton A, Morris JK, Parslow W. Factors that affect outcome of in-vitro fertilisation treatment. Lancet. 1996;348:1402-6.

  13. Gillian A. Britons put work and fun before babies: ICM poll reveals changing attitudes behind UK’s low birthrate. The Guardian May 2 2006. p. 17.

  14. Sauer MV, Kavic SM. Oocyte and embryo donation 2006: reviewing two decades of innovation and controversy. Reprod Biomed Online. 2006;12:153-62.

  15. Heffner LJ. Advanced maternal age – how old is too old? N Engl J Med. 2004;351:1927-9.

  16. Luke B, Brown MBB. Elevated risks of pregnancy complications and adverse outcomes with increasing maternal age. Hum Reprod. 2007;22:1264-72.

  17. Luke B, Brown MBB. Contemporary risks of maternal morbidity and adverse outcomes with increasing maternal age and plurality. Fertil Steril. ter perse.

  18. Perinatale zorg in Nederland 2003. Bilthoven: Stichting Perinatale Registratie Nederland; 2006.

  19. Kwee A. Caesarean section in the Netherlands proefschrift. Utrecht: Universiteit Utrecht; 2005.

  20. Merkus JMWM. Vruchtbaarheidsbehandelingen: mogelijkheden voor minder meerlingen en lagere kosten – de ‘Paraplustudie’. Ned Tijdschr Geneeskd. 2006;150:1162-4.

  21. Ziadeh SM. Maternal and perinatal outcome in nulliparous women aged 35 and older. Gynecol Obstet Invest. 2002;54:6-10.

  22. Glazebrook C, Sheard C, Cox S, Oates M, Ndukwe G. Parenting stress in first-time mothers of twins and triplets conceived after in vitro fertilization. Fertil Steril. 2004;81:505-11.

  23. Pinborg A, Loft A, Schmidt L, Andersen AN. Morbidity in a Danish national cohort of 472 IVF/ICSI twins, 1132 non-IVF/ICSI twins and 634 IVF/ICSI singletons: health-related and social implications for the children and their families. Hum Reprod. 2003;18:1234-43.

  24. Haines CJ, Rogers MS, Leung DHI. Neonatal outcome and its relationship with maternal age. Aust N Z J Obstet Gynaecol. 1991;31:209-12.

  25. Fretts RC, Schmittdiel J, McLean FH, Usher RH, Goldman MB. Increased maternal age and the risk of fetal death. N Engl J Med. 1995;333:953-7.

  26. Anthony S, Kateman H, Dorrepaal CA, Ouden AL den. Aangeboren afwijkingen in Nederland 1995-1999. PG/JGD rapport 2002.051.2002. Leiden: TNO; 2002.

  27. Grijseels EWM, Laudy JAM, Galjaard RJH, Wildschut HIJ. Prenataal onderzoek naar downsyndroom: medisch-technische overwegingen en dilemma’s voortkomend uit de huidige toepassingsmogelijkheden. Ned Tijdschr Geneeskd. 2004;148:2166-71.

  28. Korenromp M. Parental adaptation to termination of pregnancy for fetal anomalies proefschrift. Utrecht: Universiteit Utrecht; 2006.

  29. Kollée LAA. De pasgeborene. In: Heineman MJ, Bleker OP, Evers JLH, Heintz APM, redacteuren. Obstetrie en gynaecologie. De voortplanting van de mens. 4e herz dr. Maarssen: Elsevier Gezondheidszorg; 2001. p. 357-75.

  30. Hille ETM, Weisglas-Kuperus N, Goudoever JB van, Ens-Dokkum MH, Groot L de. Functional outcomes and participation in young adulthood for very premature and very low birth weight infants: the Dutch POPS-study at 19 years of age. Pediatrics. ter perse.

  31. Collaborative Group on Hormonal Factors in Breast Cancer. Breast cancer and breastfeeding: collaborative reanalysis of individual data from 47 epidemiological studies in 30 countries, including 50302 women with breast cancer and 96973 women without the disease. Lancet. 2002;360:187-95.

  32. Uitstel van ouderschap: medisch of maatschappelijk probleem? Signalement door de Raad van de Volksgezondheid en Zorg. Rijswijk: Quantes; 2007.

Auteursinformatie

Hr.prof.dr.E.R.te Velde, emeritus hoogleraar Voortplantingsgeneeskunde, Abstederdijk 319, 3582 BL Utrecht.

Erasmus MC-Centrum, afd. Maatschappelijke Gezondheidszorg, Rotterdam.

Hr.prof.dr.J.D.F.Habbema, besliskundige.

Reinier de Graaf Gasthuis, afd. Obstetrie en Gynaecologie, Delft.

Mw.dr.C.G.J.M.Hilders, gynaecoloog.

Hr.prof.dr.J.M.W.M.Merkus, emeritus hoogleraar Obstetrie en Gynaecologie, Lent.

Contact hr.prof.dr.E.R.te Velde (e.r.tevelde@wanadoo.nl)

Gerelateerde artikelen

Reacties

R.W.
Griffioen

Amsterdam, juli 2007,

Het artikel van Te Velde et al. (2007:1593-6) is maatschappelijk heel behartigenswaardig. Het behoort ertoe te leiden dat in het onderwijs voorlichting wordt gegeven over de gevolgen van uitstel van zwangerschap; ook dient het beleid ten aanzien van opleiding en werk van de vruchtbare vrouw te worden aangepast.

Daarbij kan bekkeninstabiliteit in samenhang met zwangerschap eigenlijk niet onbesproken blijven. Is uit studies af te leiden of de toename van klachten die aan bekkeninstabiliteit worden toegeschreven, verband houdt met het dragen en baren van het eerste kind op oudere leeftijd, eventueel in samenhang met een groter gewicht van de baby? Dit laatste zou weer in relatie kunnen staan met de toenemende incidentie van diabetes mellitus en met de groei van het individu door overvloedige voeding gedurende enkele generaties.

R.W. Griffioen
E.R.
te Velde

Utrecht, september 2007,

Wij hebben inderdaad niet stilgestaan bij bekkeninstabiliteit in samenhang met zwangerschap. Wij zijn, indachtig het adagium van dit tijdschrift: ‘Kort is prachtig’, van mening dat alleen de aangetoonde gevolgen van uitstel van zwangerschap besproken moesten worden. Zowel Mens1 als Engelen et al.2 besteedden in 1995 in dit tijdschrift aandacht aan bekkenpijn door zwangerschap. In de jaren negentig werd vooral in Nederland de diagnose ‘bekkenpijn’ veel vaker gesteld. De Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie schreef in 1998 hierover: ‘Het valt op dat vrouwen de laatste jaren veel vaker over bekkenpijn klagen dan een aantal jaren geleden. Mogelijk hangt dit samen met het feit dat aan de zwangere vrouw hogere eisen gesteld worden – door de maatschappij, maar ook door haarzelf. Hierdoor kan zowel de lichamelijke als de geestelijke belasting toenemen.’3 In dit verband sprak Pel over ‘de nieuwe kleren van de keizer’.4 De laatste jaren wordt de diagnose veel minder gesteld, terwijl de leeftijd van de moeders niet is afgenomen. Een samenhang met de leeftijd is dan ook niet waarschijnlijk.

E.R. te Velde
J.D.F. Habbema
C.G.J.M. Hilders
J.M.W.M. Merkus
Literatuur
  1. Mens JMA. Bekkenpijn door zwangerschap; een nieuwe aandoening? [LITREF JAARGANG="1995" PAGINA="1964-6"]Ned Tijdschr Geneeskd. 1995;139:1964-6.[/LITREF]

  2. Engelen MJA, Diercks RL, Mensink WFA. Bekkenpijn en zwangerschap. [LITREF JAARGANG="1995" PAGINA="1961-4"]Ned Tijdschr Geneeskd. 1995;139:1961-4.[/LITREF]

  3. Voorlichtingsfolder NVOG. Utrecht: Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie; 1998.

  4. Pel M. De nieuwe kleren van de keizer: bekkeninstabiliteit. Ned Tijdschr Obstet Gynaecol. 1995;108:422-3.