Gentherapie voor hemofilie: in principe uitvoerbaar, maar nog niet klinisch toepasbaar

Klinische praktijk
M.M. van der Eb
F.H.E. Schagen
H. van Ormondt
R.C. Hoeben
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1998;142:840-4
Abstract
Download PDF

Samenvatting

De huidige behandeling voor hemofiliepatiënten bestaat uit het toedienen van concentraten met bloedstollingsfactoren VIII (bij hemofilie A) en IX (bij hemofilie B).

Naast het ongerief van de veelvuldige injecties zijn tevens de risico's voor overdracht van infecties (HIV, hepatitis) via deze plasmaproducten, reden voor de ontwikkeling van alternatieve therapieën.

Gentherapie beoogt de introductie van functionele factor-VIII- of -IX-genen in de lichaamscellen van de patiënt, waardoor deze cellen worden aangezet tot de productie van de gewenste stollingsfactoren.

Voor gentherapie bestaan twee strategieën: (a) cellen van de patiënt kunnen worden afgenomen om vervolgens in het laboratorium te worden voorzien van het genezende gen, waarna deze gemodificeerde cellen worden teruggeplaatst in de patiënt (ex-vivostrategie); (b) de gewenste genen kunnen met behulp van zogenaamde genvectoren aan de patiënt worden toegediend om in het lichaam de modificatie te bewerkstelligen (in-vivostrategie).

Voor beide strategieën zijn de haalbaarheid en de effectiviteit in proefdiermodellen bewezen: met factor-VIII- of -IX-genen gemodificeerde lichaamscellen blijken in staat de stollingsfactoren in adequate concentraties in het plasma uit te scheiden en de bloedingsneiging te onderdrukken.

Voordat deze aanpak echter in de kliniek geëvalueerd en geïmplementeerd kan worden, dienen nog vele technische problemen te worden opgelost.

De stolling van bloed wordt veroorzaakt door een keten van reacties waarin meer dan 20 verschillende stollingsfactoren en hun regulatoren betrokken zijn. In deze keten nemen de bloedstollingsfactoren VIII (FVIII) en IX (FIX) essentiële plaatsen in. Het ontbreken van FVIII of FIX resulteert in bloederziekte of hemofilie. Hemofilie wordt in Nederland gevonden bij circa 8-9 mensen per 100.000.1 In circa 85 van de gevallen is er een tekort aan FVIII (bij hemofilie A), bij de overige 15 ontbreekt het FIX-eiwit (bij hemofilie B).

De huidige behandeling bestaat uit het toedienen van uit humaan plasma geïsoleerde FVIII- of FIX-concentraten, meestal als profylaxe. Door deze behandeling zijn de levensverwachting en de kwaliteit van het leven van mensen met hemofilie vrijwel vergelijkbaar met die van mensen zonder de ziekte.1 De behandeling met plasmaproducten heeft echter ook geleid tot infecties met HIV en hepatitis-B- en -C-virussen. Hoewel het risico op met de transfusie samenhangende virusoverdracht grotendeels is geëlimineerd door het gebruik van productiemethoden waarbij virus-inactiveringsstappen zijn opgenomen, blijft een behandelingsmethode die onafhankelijk is van bloedproducten gewenst.2

Het kloneren van de op het X-chromosoom gelegen genen die coderen voor FVIII en FIX heeft geleid tot grote veranderingen in zowel de diagnostiek als de therapie van hemofilie. Met de hedendaagse technieken is het daardoor mogelijk bij het overgrote deel van de patiënten het genetische defect in het FVIII- of FIX-gen op te sporen.3 Daarnaast worden deze gekloneerde genen gebruikt voor de biotechnologische productie van recombinante FVIII en FIX: een belangrijke stap voorwaarts naar hemofiliebehandeling die onafhankelijk is van plasmaproducten.4 Desalniettemin zal de patiënt ook bij het profylactisch gebruik van recombinante stollingsproducten het leven lang met grote regelmaat FVIII moeten worden toegediend wanneer zich een bloeding voordoet. In de toekomst zal daarom moeten worden gezocht naar strategieën die de frequentie waarmee hemofiliepatiënten moeten worden behandeld, verlagen.

Gentherapie

Gentherapie biedt deze mogelijkheid. Bij gentherapie wordt gebruikgemaakt van moleculair-biologische technieken om een functioneel, intact FVIII- of FIX-gen in een beperkt aantal lichaamseigen cellen van de patiënt te brengen. Deze cellen worden hierdoor aangezet tot de productie van de gewenste stollingsfactoren, waardoor de verhoogde bloedingsneiging voor een langere tijd kan worden onderdrukt. Wanneer deze genen permanent actief blijven in het lichaam, zou de ziekte geheel kunnen worden genezen.

In dit artikel geven wij een overzicht van de diverse strategieën die worden gevolgd bij het ontwikkelen van gentherapie voor de behandeling van hemofilie. Daarbij beschrijven wij de huidige stand van zaken, alsmede de problemen die nog moeten worden opgelost, voordat gentherapie voor hemofilie klinisch toepasbaar kan zijn.

twee routes

Bij het ontwikkelen van een gentherapieprotocol kan uit twee wezenlijk verschillende benaderingen worden gekozen. In de eerste aanpak isoleert men cellen van de patiënt (bijvoorbeeld fibroblasten), die daarna in het laboratorium met behulp van gentransfervectoren worden voorzien van het gewenste gen. Deze cellen zullen nu het gewenste eiwit synthetiseren. Wanneer deze cellen worden teruggeplaatst in de patiënt, zal functioneel FVIII of FIX worden uitgescheiden naar de bloedbaan en zo de bloedingsneiging worden voorkomen. De genetische modificatie van de cellen van de patiënt in het laboratorium wordt de ex-vivostrategie genoemd (figuur).

Als tweede aanpak wordt onderzoek verricht naar in-vivostrategieën, waarbij de genetische modificatie van de cellen plaatsvindt in het lichaam van de patiënt (zie de figuur). Voor zowel de ex-vivo- als de in-vivostrategie zijn de haalbaarheid en de effectiviteit inmiddels aangetoond in proefdiermodellen voor hemofilie.

De ex-vivostrategie

In eerste instantie heeft het onderzoek zich geconcentreerd op de ex-vivostrategie. Voor de introductie in de cel van het FVIII-gen wordt veelal gebruikgemaakt van zogenaamde retrovirale vectoren. Dat zijn gemodificeerde retrovirussen die verkregen worden door uit het genoom van het virus alle genen te verwijderen en te vervangen door het betrokken gen. Met het virus wordt zodoende alleen het gewenste gen overgebracht. Ook ontbreken de virale genen die de vermenigvuldiging van het virus reguleren, hetgeen sterk bijdraagt tot de veiligheid van de procedure.5 De vectoren integreren zich na infectie in het genoom van de gastheercel, waardoor het geïntroduceerde gen stabiel tot expressie kan komen en bij celdeling een kopie wordt doorgegeven aan beide dochtercellen.

Voor de expressie van het FVIII-gen is een retrovirale vector met hierin het cDNA van FVIII geconstrueerd,6 en in humane huidfibroblasten geïntroduceerd. De cellen die met de FVIII-retrovirusvectoren waren geïnfecteerd, scheidden behoorlijke hoeveelheden FVIII-eiwit uit in het kweekmedium, waarbij het eiwit volledig functioneel intact bleek. Dit heeft belangrijke implicaties: het toont aan dat gentherapie voor hemofilie zich niet noodzakelijkerwijs hoeft te richten op het modificeren van de cellen die fysiologisch de stollingsfactoren produceren (voornamelijk de parenchymcellen in de lever), maar dat ook andere cellen gebruikt kunnen worden. Parallel hieraan zijn met zowel FVIII als FIX vele vergelijkbare experimenten gedaan met verschillende celtypen, onder andere endotheelcellen,7 myoblasten, 7-9 keratinocyten,10 hematopoëtische voorlopercellen,11 en hepatocyten.12 In de meeste gevallen kon in vitro de productie van functioneel FVIII of FIX worden aangetoond. 13

In een volgende serie experimenten heeft men gemodificeerde huidcellen ingebed in een collageenmatrix en onderhuids geïmplanteerd bij immuundeficiënte muizen (door de immuundeficiëntie stootten de muizen het transplantaat niet af). Tot 8 weken na implantatie konden cellen geïsoleerd worden van de implantatieplaats die nog steeds FVIII bleken te secerneren.14 Met behulp van eenzelfde methode hebben Dwarki et al. na transplantatie van fibroblasten menselijke FVIII kunnen aantonen in het plasma van de ontvangermuizen.7

Ondanks deze veelbelovende resultaten bleek de in-vivoproductie van FVIII,7 en ook FIX,15-18 echter na circa 10 dagen niet meer aantoonbaar. In een beperkt aantal gevallen bleek dit te berusten op een immuunrespons tegen het humane eiwit. Bij de overige dieren bleek de virale promotor van het binnengebrachte FVIII- of FIX-gen geïnactiveerd te zijn. De mechanismen hiervan zijn nog niet opgehelderd.

Naast de duur van expressie is ook het expressieniveau van belang. Na introductie van een FVIII-gen kan men in het kweekmedium relatief kleine hoeveelheden FVIII aantonen, die circa 50 maal zo laag zijn als van andere eiwitten bij gebruik van dezelfde vectoren. Uit recente experimenten blijkt dat het oorzakelijke mechanisme op het niveau van de transcriptie aangrijpt:19-21 het FVIII-cDNA bevat elementen in het coderende gebied die de transcriptie remmen. Hoewel deze elementen zijn gelokaliseerd, zijn er nog geen mutanten beschikbaar die aan minder remming onderhevig zijn.21 22

Naast huidfibroblasten is, met name voor hemofilie B, een groot aantal andere celtypen getest voor een ex-vivostrategie. Circulerend humaan FIX kon worden aangetoond in muizen na transplantatie van gemodificeerde keratinocyten en myoblasten.7-10 Ook in deze experimenten was de expressie vaak laag of van korte duur.

De in-vivostrategie

De belangstelling voor gentherapie volgens de in-vivostrategieën is de laatste jaren sterk toegenomen. Met deze aanpak kunnen veel meer cellen worden gemodificeerd. De haalbaarheid van de in-vivogentherapie voor hemofilie B is elegant aangetoond door Kay et al.23 Zij infundeerden retrovirussen met het gen voor FIX in de lever van aan hemofilie B lijdende honden (beagles), die een partiële leverresectie hadden ondergaan om de hepatocyten in het overgebleven gedeelte van de lever aan te zetten tot compensatoire celdeling. Hoewel slechts geringe hoeveelheden FIX werden gevonden in het plasma van deze honden, was de gemiddelde bloedingstijd met circa 60 gereduceerd. Tot 9 maanden na de infusie van de FIX-retrovirussen kon FIX worden aangetoond.

Hoewel deze resultaten veelbelovend zijn, moeten de FIX-hoeveelheden nog zeker 10- tot 100-voudig toenemen, voordat van een therapeutisch plasmaniveau kan worden gesproken. Een andere beperking van deze aanpak is de vereiste partiële leverresectie, waarmee de lever wordt aangezet tot regeneratie en hepatocytenproliferatie. Deze proliferatie is noodzakelijk omdat de gebruikte retrovirale vectoren zich slechts kunnen integreren in mitotische cellen.

Om deze partiële leverresectie te omzeilen zijn diverse andere van virus afgeleide vectorsystemen ontwikkeld. Sterk in de belangstelling staan de vectoren die zijn afgeleid van humane adenovirussen. De meest gebruikte adenovirussen, de serotypen 2 en 5, hebben geen ernstige pathogene effecten bij de mens en kunnen efficiënt niet-delende cellen infecteren. De gebruikte adenovirusvectoren worden voor de veiligheid ‘kreupel’ gemaakt door het ‘early Region 1’-gen uit het virale DNA te verwijderen, waardoor deze vectoren niet in staat zijn zich te vermenigvuldigen.2425

Bij muizen zijn met een eenmalige intraveneuze toediening van een adenovirale vector met het FIX-gen bloedspiegels van 400 ng humaan FIX per ml behaald. Deze in-vivoproductie van menselijke FIX was echter niet stabiel en nam af in de loop van circa 10 weken tot ondetecteerbare niveaus.26 Een tweede toediening van het FIX-adenovirus resulteerde niet in een hernieuwde productie van humaan FIX, omdat zich inmiddels neutraliserende antilichamen tegen het virus hadden gevormd. Vergelijkbare resultaten zijn behaald met hemofiele honden, waarbij eveneens de bloedingsneiging geheel verdween door een toename van de hoeveelheid FIX van 0 tot 300 van normale referentiewaarden. In de loop van 1-2 maanden daalden de plasmaniveaus van FIX echter significant.27 Ook voor hemofilie A is eenzelfde benadering gevolgd. Connelly et al. hebben adenovirale FVIII-vectoren ontwikkeld waarmee het eiwit zeer efficiënt kan worden gesynthetiseerd. Na toediening van deze FVIII-adenovirusvectoren werden therapeutische concentraties van FVIII-eiwit behaald bij muizen en bij honden.28-31 Door de zeer efficiënte expressie kan de benodigde vectorvirusdosis worden gereduceerd. Met deze lagere dosis neemt de intensiteit van de tegen het virus gerichte cellulaire immuunrespons af, waardoor de expressieduur wordt verlengd (tot een half jaar na een eenmalige toediening was FVIII meetbaar bij de ontvanger).2931

Deze resultaten laten zien dat met behulp van adenovirale vectoren therapeutische productie van FVIII en FIX kan worden bewerkstelligd. Een probleem bij deze experimenten is dat de expressie slechts tijdelijk aanhoudt, en dat herhaalde behandeling met de virale vector niet effectief is door de vorming van neutraliserende antilichamen en door een cellulaire immunologische reactie gericht tegen de met de adenovirale vector geïnfecteerde cellen.32-34 Hoewel methoden voor immuunsuppressie en -modulatie deze problemen ten dele kunnen oplossen,35-37 zullen verdere verbeteringen aan de adenovirale vectoren (bijvoorbeeld het verwijderen van meer virale genen) noodzakelijk zijn voordat deze vectoren klinisch toepasbaar zijn voor gentherapie voor hemofilie bij de mens.

perspectieven

De resultaten die tot nu toe zijn behaald, tonen aan dat gentherapie voor de behandeling van hemofilie in principe effectief kan zijn. Voordat deze aanpak echter in de kliniek geëvalueerd en geïmplementeerd kan worden, dienen nog vele hindernissen te worden genomen. Op dit moment is het nog geenszins duidelijk welke strategie uiteindelijk de eindstreep zal halen. Daarom dienen alle opties geëxploreerd te worden. Bij de ex-vivostrategie concentreert het onderzoek zich op het verbeteren van de methoden voor celisolatie, genoverdracht en celtransplantatie. Bij de in-vivostrategie zijn het zaken als gestuurde genafgifte naar het gewenste weefsel of celtype die bestudeerd worden. Onafhankelijk van de gebruikte vector en van de gevolgde gentransfermethode is het essentieel dat de mechanismen die betrokken zijn bij het reguleren van genexpressie beter bekend worden. Alleen dan zullen wij in staat zijn de ingebrachte genen te voorzien van regulatoire promotorelementen die een permanente en hoge expressie tot stand brengen.

Deze problemen zijn niet uniek voor hemofilie, maar beïnvloeden ook toepassingen van gentherapie bij andere ziekten. Sommige aspecten zijn meer specifiek voor hemofilie. Eén hiervan is het risico dat er een humorale respons optreedt tegen het transgenproduct (FVIII of FIX). Het optreden van dergelijke remmers, die bij een minderheid van de hemofiliepatiënten ook na de gebruikelijke transfusie wordt gevonden, blokkeert niet alleen de gentherapie, maar ook de transfusiebehandeling. Het zal dan ook essentieel zijn de precieze frequentie te bepalen waarmee remmers ontstaan, en deze te vergelijken met de frequentie gevonden bij transfusie. Mogelijk kunnen zulke onderzoeken voor hemofilie A worden uitgevoerd bij FVIII-‘knock-out’-muizen (muizen waarbij het FVIII-gen is uitgeschakeld),38 of voor hemofilie B bij FIX-deficiënte honden. Uiteraard moet voor dergelijke onderzoeken het voor de betreffende diersoort homologe cDNA ter vervanging van het deficiënte gen worden gebruikt.

Gentherapie is een geheel nieuwe aanpak voor de behandeling van aangeboren aandoeningen. Door de gezamenlijke inzet van zowel de (bio)technologische industrie als de academische onderzoeksgroepen neemt het scala aan potentiële toepassingen nog steeds toe, evenals het arsenaal aan beschikbare methoden. Er worden diverse nieuwe vectoren ontwikkeld met een grotere toepasbaarheid of met betere veiligheidseigenschappen. Het is daarom redelijk te veronderstellen dat wij in de toekomst zullen kunnen beschikken over veilige gentransfersystemen, die kunnen worden gebruikt om een gewenst gen efficiënt en specifiek te introduceren in een vooraf gekozen weefsel.

Gentherapie is alleen mogelijk door de nauwe samenwerking van onderzoekers uit vele disciplines, variërend van fundamenteel onderzoek in de genetica, de virologie en de celbiologie tot het preklinische en klinische onderzoek. Pas wanneer de vele resterende problemen bevredigend zijn opgelost, en alleen wanneer de veiligheid en de werkzaamheid van de strategie afdoende zijn aangetoond in goed gekarakteriseerde diermodellen, kan gentherapie een alternatief worden voor de huidige behandelingsmethoden van hemofilie bij de mens.

Literatuur
  1. Triemstra AHM, Ploeg HM van der, Smit C, Briët E,Rosendaal FR. Hemofilie in Nederland 4: verslag van een landelijk onderzoekin 1992 onder mensen met hemofilie. Amsterdam: Vrije Universiteit,1994.

  2. Peake IR, Lillicrap DP, Boulyjenkov V, Briët E, ChanV, Ginter EK, et al. Haemophilia: strategies for carrier detection andprenatal diagnosis. Bull World Health Organ 1993;71:429-58.

  3. Kazazian jr HH. The molecular basis of hemophilia A andthe present status of carrier and antenatal diagnosis of the disease. ThrombHaemost 1993;70:60-2.

  4. Bray GL, Gomperts ED, Courter S, Gruppo R, Gordon EM,Manco-Johnson M, et al. A multicenter study of recombinant factor VIII(recombinate): safety, efficacy, and inhibitor risk in previously untreatedpatients with hemophilia A. The Recombinate Study Group. Blood1994;83:2428-35.

  5. Mulligan RC. The basic science of gene therapy. Science1993; 260:926-32.

  6. Hoeben RC, Jagt RC van der, Schoute F, Tilburg NH van,Verbeet MP, Briët E, et al. Expression of functional factor VIII inprimary human skin fibroblasts after retrovirus-mediated gene transfer. JBiol Chem 1990;265:7318-23.

  7. Dwarki VJ, Belloni P, Nijjar T, Smith J, Couto L, RabierM, et al. Gene therapy for hemophilia A: production of therapeutic levels ofhuman factor VIII in vivo in mice. Proc Natl Acad Sci USA1995;92:1023-7.

  8. Yao SN, Kurachi K. Expression of human factor IX in miceafter injection of genetically modified myoblasts. Proc Natl Acad Sci USA1992;89:3357-61.

  9. Dai Y, Roman M, Naviaux RK, Verma IM. Gene therapy viaprimary myoblasts: long-term expression of factor IX protein followingtransplantation in vivo. Proc Natl Acad Sci USA 1992;89:10892-5.

  10. Gerrard AJ, Hudson DL, Brownlee GG, Watt FM. Towards genetherapy for haemophilia B using primary human keratinocytes. Nat Genet1993;3:180-3.

  11. Hoeben RC, Einerhand MPW, Briët E, Ormondt H van,Valerio D, Eb AJ van der. Toward gene therapy in haemophilia A:retrovirus-mediated transfer of a factor VIII gene into murine haematopoieticprogenitor cells. Thromb Haemost 1992;67:341-5.

  12. Armentano D, Thompson AR, Darlington G, Woo SL.Expression of human factor IX in rabbit hepatocytes by retrovirus-mediatedgene transfer: potential for gene therapy of hemophilia B. Proc Natl Acad SciUSA 1990;87:6141-5.

  13. Fallaux FJ, Hoeben RC. Gene therapy for the hemophilias.Curr Opin Hematol 1996;3:385-9.

  14. Hoeben RC, Fallaux FJ, Tilburg NH van, Cramer SJ, OrmondtH van, Briët E, et al. Toward gene therapy for hemophilia A: long-termpersistence of factor VIII-secreting fibroblasts after transplantation intoimmunodeficient mice. Hum Gene Ther 1993;4:179-86.

  15. Palmer TD, Thompson AR, Miller AD. Production of humanfactor IX in animals by genetically modified skin fibroblasts: potentialtherapy for hemophilia B. Blood 1989;73:438-45.

  16. Palmer TD, Rosman GJ, Osborne WR, Miller AD. Geneticallymodified skin fibroblasts persist long after transplantation but graduallyinactivate introduced genes. Proc Natl Acad Sci USA 1991;88:1330-4.

  17. St Louis D, Verma IM. An alternative approach to somaticcell gene therapy. Proc Natl Acad Sci USA 1988;85:3150-4.

  18. Axelrod JH, Read MS, Brinkhous KM, Verma IM. Phenotypiccorrection of factor IX deficiency in skin fibroblasts of hemophilic dogs.Proc Natl Acad Sci USA 1990;87:5173-7.

  19. Hoeben RC, Fallaux FJ, Cramer SJ, Wollenberg DJM van den,Ormondt H van, Briët E, et al. Expression of the blood-clottingfactor-VIII cDNA is repressed by a transcriptional silencer located in itscoding region. Blood 1995;85:2447-54.

  20. Koeberl DD, Halbert CL, Krumm A, Miller AD. Sequenceswithin the coding regions of clotting factor VIII and CFTR blocktranscriptional elongation. Hum Gene Ther 1995;6:469-79.

  21. Fallaux FJ, Hoeben RC, Cramer SJ, Wollenberg DJ van den,Briët E, Ormondt H van, et al. The human clotting factor VIII cDNAcontains an autonomously replicating sequence consensus- and matrixattachment region-like sequence that binds a nuclear factor, repressesheterologous gene expression, and mediates the transcriptional effects ofsodium butyrate. Mol Cell Biol 1996;16:4264-72.

  22. Chuah MKL, Vandendriessche T, Morgan RA. Development andanalysis of retroviral vectors expressing human factor VIII as a potentialgene therapy for hemophilia A. Hum Gene Ther 1995;6:1363-77.

  23. Kay MA, Rothenberg S, Landen CN, Bellinger DA, Leland F,Toman C, et al. In vivo gene therapy of hemophilia B: sustained partialcorrection in factor IX-deficient dogs. Science 1993;262:117-9.

  24. Graham FL, Smiley J, Russell WC, Nairn R. Characteristicsof a human cell line transformed by DNA from human adenovirus type 5. J GenVirol 1977;36:59-74.

  25. Fallaux FJ, Kranenburg O, Cramer SJ, Houweling A, OrmondtH van, Hoeben RC, et al. Characterization of 911: a new helper cell line forthe titration and propagation of early region 1-deleted adenoviral vectors.Hum Gene Ther 1996;7:215-22.

  26. Smith TAG, Mehaffey MG, Kayda DB, Saunders JM, Yei S,Trapnell BC, et al. Adenovirus mediated expression of therapeutic plasmalevels of human factor IX in mice. Nat Genet 1993;5:397-402.

  27. Kay MA, Landen CN, Rothenberg SR, Taylor LA, Leland F,Wiehle S, et al. In vivo hepatic gene therapy: complete albeit transientcorrection of factor IX deficiency in hemophilia B dogs. Proc Natl Acad SciUSA 1994;91:2353-7.

  28. Connelly S, Smith TAG, Dhir G, Gardner JM, Mehaffey MG,Zaret KS, et al. In vivo gene delivery and expression of physiological levelsof functional human factor VIII in mice. Hum Gene Ther1995;6:185-93.

  29. Connelly S, Gardner JM, Lyons RM, McClelland A, Kaleko M.Sustained expression of therapeutic levels of human factor VIII in mice.Blood 1996;87:4671-7.

  30. Connelly S, Gardner JM, McClelland A, Kaleko M.High-level tissue-specific expression of functional human factor VIII inmice. Hum Gene Ther 1996;7:183-95.

  31. Connelly S, Mount J, Mauser A, Gardner JM, Kaleko M,McClelland A, et al. Complete short-term correction of canine hemophilia A byin vivo gene therapy. Blood 1996;88:3846-53.

  32. Yang YP, Nunes FA, Berencsi K, Furth EE, Gonczol E,Wilson JM. Cellular immunity to viral antigens limits E1-deleted adenovirusesfor gene therapy. Proc Natl Acad Sci USA 1994;91:4407-11.

  33. Engelhardt JF, Ye XH, Doranz B, Wilson JM. Ablation ofE2a in recombinant adenoviruses improves transgene persistence and decreasesinflammatory response in mouse liver. Proc Natl Acad Sci USA1994;91:6196-200.

  34. Yang YP, Ertl HCJ, Wilson JM. MHC class I-restrictedcytotoxic T lymphocytes to viral antigens destroy hepatocytes in miceinfected with E1-deleted recombinant adenoviruses. Immunity1994;1:433-42.

  35. Kay MA, Holterman AX, Meuse L, Gown A, Ochs HD, LinsleyPS, et al. Long-term hepatic adenovirus-mediated gene expression in micefollowing CTLA4Ig administration. Nat Genet 1995;11:191-7.

  36. Yang Y, Xiang Z, Ertl HC, Wilson JM. Upregulation ofclass I major histocompatibility complex antigens by interferon gamma isnecessary for T-cell-mediated elimination of recombinant adenovirus-infectedhepatocytes in vivo. Proc Natl Acad Sci USA 1995; 92:7257-61.

  37. Dai Y, Schwarz EM, Gu D, Zhang WW, Sarvetnick N, VermaIM. Cellular and humoral immune responses to adenoviral vectors containingfactor IX gene: tolerization of factor IX and vector antigens allows forlong-term expression. Proc Natl Acad Sci USA 1995; 92:1401-5.

  38. Bi L, Lawler AM, Antonarakis SE, High KA, Gearhart JD,Kazazian jr HH. Targeted disruption of the mouse factor VIII gene produces amodel of haemophilia A letter. Nat Genet1995;10:119-21.

Auteursinformatie

Academisch Ziekenhuis, vakgroep Heelkunde, Leiden.

Mw.M.M.van der Eb, assistent-geneeskundige.

Rijksuniversiteit Leiden, vakgroep Medische Biochemie, Wassenaarseweg 72, 2333 AL Leiden.

Drs.F.H.E.Schagen en dr.ir.H.van Ormondt, biochemici; dr.R.C.Hoeben, moleculair bioloog.

Contact dr.R.C.Hoeben

Gerelateerde artikelen

Reacties