Geneesmiddelen tegen duizeligheid; het uitbuiten van medische onmacht
Open

Stand van zaken
08-04-1991
J. van Gijn

‘Slechts weinig artsen zullen hun vak zozeer zijn toegedaan dat hun niet een klein beetje de moed ontzinkt wanneer zij vernemen dat de klacht van hun patiënt bestaat uit duizeligheid.’1 In deze ontboezeming van de Engelse neuroloog Matthews zullen ook in de jaren negentig talloze artsen zichzelf herkennen. Een eerste en belangrijke oorzaak van deze hulpeloosheid is de grote moeite die het kost om te weten te komen wat de patiënt met duizeligheid bedoelt (‘nou, zo'n raar gevoel, weet u wel’). De onzekerheid op diagnostisch gebied wordt nog groter doordat het onderwerp ‘duizeligheid’ almaar in verband wordt gebracht met het vestibulaire apparaat of de cerebrale circulatie. Voor de gemiddelde huisarts zijn dit nogal ingewikkelde onderwerpen; één nascholingscursus is meestal afdoende om elke hoop er ooit iets van te begrijpen voorgoed de bodem in te slaan. Het is vanwege deze weerloosheid dat sommige farmaceutische industrieën hun kans ...