Foto's van overleden pasgeboren kinderen voor de ouders als documentatie en als hulpmiddel bij de rouw

Klinische praktijk
R. Meredith
R. Rodrigues Pereira
H.A.W. Schut
M.S. Stroebe
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2006;150:1331-5
Abstract
Download PDF

Samenvatting

- De dood van een pasgeboren kind is zeer ingrijpend voor de nabestaanden.

- In veel ziekenhuizen wordt veel aandacht besteed aan hulp aan de ouders; soms is er een rouwprotocol.

- Het maken van foto’s van rond hun geboorte overleden kinderen wordt in diverse ziekenhuizen aan ouders aangeboden. De foto’s worden vaak gemaakt door een verpleegkundige of arts op de verloskunde- of kinderafdeling.

- Het is aan te bevelen een rouwprotocol op te stellen waarin ook plaats is voor het aanbieden van professioneel in een studio gemaakte foto’s. Het gaat namelijk vaak om het enige concrete aandenken aan het kind; de foto’s dienen dan ook kwalitatief goed te zijn.

- De ouders bepalen zelf waaraan zij de voorkeur geven. Het is in dit verband van belang om hen erop te wijzen dat hun wensen en behoeften direct na het overlijden kunnen afwijken van die op langere termijn.

Ned Tijdschr Geneeskd. 2006;150:1331-5

De dood van een kind wordt in de westerse geïndustrialiseerde maatschappij voor de nabestaanden als zeer ingrijpend gezien.1 Het maken van foto’s van doodgeboren of kort na hun geboorte overleden kinderen wordt in de literatuur algemeen beschouwd als heilzaam voor de ouders.2 3

In dit artikel gaan wij in op de overwegingen om in de medische setting aandacht te schenken aan de mogelijkheid om foto’s te maken van overleden kinderen. Daarbij moet men bedenken dat de wensen en behoeften van ouders direct na het overlijden kunnen afwijken van die op langere termijn.

functies van foto’s van overleden pasgeborenen

Er worden 4 functies beschreven die foto’s van overleden kinderen kunnen hebben voor de ouders;4 hiervan zijn er 3 specifiek van toepassing op neonataal verlies (de 4e gaat over foto’s van later overleden kinderen: die kunnen helpen om het leven van die kinderen te reconstrueren).

Ten eerste kunnen de foto’s dienen als concreet bewijs dat het kind bestaan heeft. Ten tweede kunnen ze helpen bij het construeren van herinneringen aan de baby. Tot slot kunnen de foto’s voor de ouders nuttig zijn voor de erkenning van hun status als ouders, vooral ook wanneer hun enige kind is overleden. Overigens is niet iedereen geneigd om een zo beeldende confrontatie met de realiteit aan te gaan; er zijn immers grote verschillen in de verwerkingsprocessen.5

Bij een onderzoek onder vrouwen die een kind met aangeboren afwijkingen hadden verloren, bleek dat zij meer leden onder hun verdriet als zij geen tastbare herinnering in de vorm van een foto hadden.6 Wel zijn er religieuze en culturele verschillen in het omgaan met dood en rouw die op dit leed van invloed kunnen zijn.7

achtergrond

In Nederland werden in 2004 191.000 kinderen geboren.8 Van hen werden er bijna 1800 dood geboren na een zwangerschapsduur van meer dan 24 weken. Ook vóór de 24e zwangerschapsweek werden enkele honderden kinderen geboren die nog niet levensvatbaar waren. In de eerste levensweek overleden nog eens ruim 600 kinderen.8

Het sterven van een kind vlak na de geboorte is, zoals gezegd, zeer ingrijpend voor de ouders en de andere gezinsleden.9-12 In ziekenhuizen wordt dan ook steeds vaker erkend dat de instelling een rol dient te spelen in het faciliteren van het rouwproces na het overlijden van een pasgeborene.9 13 14 Een frequent toegepast middel daarbij is het maken van foto’s van de overleden baby.15 In het gebruikelijke gesprek na een aantal weken kan de kinderarts de foto’s ter sprake brengen. Bij een rouwproces waarbij de ouders meer steun of hulp nodig hebben wordt de afdeling Klinische Psychologie of Maatschappelijk Werk ingeschakeld. In sommige Nederlandse ziekenhuizen zijn hiervoor protocollen opgesteld. Internationaal zien wij sinds enige tijd de tendens dat gespecialiseerde afdelingen daarmee worden belast.3 16

Het is van belang om de overwegingen te kennen voor het fotograferen van overleden baby’s, gezien de kwetsbaarheid van de nabestaanden en het feit dat directe behoeften en wensen wellicht afwijken van die op langere termijn.17

afbeeldingen in de praktijk

Het maken van afbeeldingen van overleden kinderen is een oud gebruik.1 Reeds in de 16e en 17e eeuw werden zij geportretteerd op bijvoorbeeld schilderijen. Het maken van foto’s kwam in de 20e eeuw in gebruik. Foto’s van overleden baby’s werden voor het eerst in 1919 door Van der Zee in zijn boek The Harlem book of the dead getoond.18 Hij legde aangeklede baby’s in min of meer natuurlijke houding op kussens en dekens, in de armen van de ouders of in een kistje, omringd door bijbelse scènes. Hij voegde bijbelteksten toe aan zijn foto’s ‘om de griezeligheid van de afbeelding weg te nemen’. Op zeventiende- en achttiende-eeuwse familieportretten staan vaak ook overleden kinderen afgebeeld; zij blijven daardoor bij de familiegeschiedenis horen (figuur 1). Deze foto’s en portretten werden, naar mag worden aangenomen, gemaakt op initiatief en met goedkeuring van de ouders.

De huidige gang van zaken wijkt daarvan enigszins af. Het aanbieden van het maken van foto’s is een goed gebruik op afdelingen Verloskunde en Kindergeneeskunde; veelal worden ze gemaakt door een verpleegkundige of arts. Maar dit aanbod zou een vast onderdeel moeten vormen van de standaardrouwprocedure. Ook kan daarbij passen om met een eenvoudig stempelkussen voet- en handpalmafdrukken te maken.

Er zijn ziekenhuizen waar het beleid is dat ieder doodgeboren kind of iedere geaborteerde foetus en elk kind dat kort na de geboorte overlijdt wordt gefotografeerd.1 Het maken van foto’s kan, afhankelijk van de situatie, mogelijk al besproken worden vóór de geboorte van een intra-uterien overleden kind en soms zelfs voordat de baby overlijdt na de geboorte. Normaliter legt een verloskundige of verpleegkundige aan de ouders voor dat het kind gefotografeerd kan worden. In de praktijk blijkt dat de ouders of andere leden van de familie soms ook gefotografeerd willen worden met het overleden kind (figuur 2). Dit wordt aangemoedigd. In dat geval kan een ‘gezinsportret’ worden gemaakt, waarbij de baby een plaats krijgt binnen het gezin.

Studiofoto’s

Het verdient aanbeveling het kind op een later tijdstip ook te fotograferen in een studio. Minder tijdsdruk en afleiding stellen de fotograaf dan in staat om de volle aandacht aan de foto te wijden. Er kan gebruikgemaakt worden van een soft-focuslens, in het bijzonder als de baby verkleurd of misvormd is. De achtergrond speelt ook een belangrijke rol in de compositie van de foto: bij voorkeur gebruikt men geen witte achtergrond, omdat die een te klinische indruk geeft. Door het kind op een zachtgekleurde deken te leggen wordt de suggestie gewekt dat hij of zij slaapt. De deken wordt losjes om de baby gedrapeerd, een strak omwikkelde deken geeft immers associaties met mummies. Zwart-witfoto’s kunnen worden overwogen als de baby vlekkerig of verkleurd is. Retouchering moet zoveel mogelijk worden vermeden, om een zo getrouw mogelijk beeld te geven van het kind.

Het is te overwegen de baby ook ongekleed en in detail te fotograferen. Dergelijke foto’s kunnen vragen en twijfels over misvormingen van het kind bij de ouders wegnemen. In geval van aangeboren afwijkingen is het raadzaam om speciaal ook de niet-afwijkende lichaamsdelen te fotograferen.

Hoewel het schokkend kan zijn dergelijke foto’s van het eigen kind te zien, blijkt in de praktijk dat ouders zeer wel in staat zijn te kiezen of zij deze foto’s willen zien en bewaren. De beelden kunnen remmend werken op het fantaseren over de vermeende ernst van de afwijkingen die ouders zich herinneren van het korte contact na de geboorte.

Ook kunnen studiofoto’s goed gebruikt worden ter identificatie door een klinisch-genetisch centrum, speciaal als obductie of verder onderzoek niet mogelijk is.

Na afloop worden, indien gewenst, afdrukken gemaakt voor de ouders en de negatieven of bestanden worden gearchiveerd op de afdeling Medische Fotografie of gaan naar de afdeling Verloskunde of Kindergeneeskunde om daar bewaard te worden. Indien geen ziekenhuisfotograaf aanwezig is, kan de verloskundige of de kinderarts foto’s maken.

Specifieke aard van de foto’s

Foto’s van een overleden kind wijken af van wat gebruikelijk is in de medische fotografie. Daarnaast gaat het niet zomaar om een kiekje voor de verwanten en ook zijn de foto’s wezenlijk anders dan een klinische foto voor de patiëntenstatus. Een belangrijke overweging is dat het wellicht om de enige tastbare herinnering gaat die de ouders van hun kind hebben. Optimale kwaliteit is dan ook een vereiste. Daarnaast dient de fotograaf open te staan voor verzoeken of wensen van de ouders, hoe onconventioneel die ook mogen zijn. Verder zal niet iedere fotograaf zich op zijn gemak voelen bij het fotograferen van dode kinderen.

Het balanceren tussen medeleven met de ouders en professionele afstandelijkheid en techniek is delicaat en cruciaal en dit alles stelt hoge eisen aan de fotograaf. Bijvoorbeeld dienen bij het aanbod om foto’s te maken van het overleden kind ook de etnisch-culturele of religieuze ge- of verboden besproken te worden met de familie. Kennis van de belangrijkste stromingen in Nederland is hiervoor wenselijk. Aangezien in de Nederlandse populatie een grote diversiteit voorkomt van etnisch-culturele en religieuze achtergronden, in het bijzonder in de grote steden, is het niet mogelijk om alle gebruiken te kennen. Een open en respectvol gesprek is in deze gevallen aan te raden.

A priori zijn er geen contra-indicaties tegen het maken van foto’s van een overleden kind.

reflecties op de procedure

In de vorige eeuw werd tot de jaren zeventig een perinataal overlijden in de westerse geïndustrialiseerde samenleving afgedaan als een onbelangrijke gebeurtenis. Contact met het lichaampje van de overleden baby werd in die tijd zelfs door de meeste ouders beschouwd als schadelijk.19 Eind jaren zeventig keerde het tij. Toen was de stelling dat het achterwege blijven van contact met het stoffelijk overschot van de baby een negatief effect zou hebben op het rouwproces.20 Deze gedachtegang vond brede weerklank, ondanks gebrek aan systematisch bewijs. Tot op de dag van vandaag is dit zo gebleven. Er zijn weliswaar studies die schadelijke of heilzame effecten van contact met het overleden kind suggereren, maar harde bewijzen zijn tot op heden niet geleverd.21 22

Het is in het licht van dit alles van belang zich te realiseren dat ook van foto’s van de overleden baby niet is aangetoond dat die heilzame effecten hebben. Enige voorzichtigheid en terughoudendheid lijkt derhalve in het bespreken van de optie met de ouders geboden. Positieve effecten zijn evenwel op theoretische gronden plausibel en bieden een rationale voor het aanbieden van het maken van foto’s aan ouders.2-4 Elk ziekenhuis zou een protocol moeten hebben waarin beschreven wordt wat gedaan kan worden bij het verlies van een kind. Hierin dient naast aandacht voor het maken van foto’s bovendien beschreven te worden hoe zorgvuldig er omgegaan moet worden met documenten van het kind en met de kleertjes. Ook kan aandacht worden besteed aan het nagesprek over de diagnose, het inschakelen van hulpverleners (bijvoorbeeld maatschappelijk werker of klinisch psycholoog) en aan het bestaan van verenigingen van ouders van overleden kinderen.

Ouderlijke autonomie en instemming zijn absolute voorwaarden in de procedure rondom het maken van foto’s van overleden baby’s. Ouders zijn echter uitsluitend in staat een weloverwogen beslissing te nemen wanneer zij volledig op de hoogte worden gesteld van alle overwegingen vóór en tegen het nemen van foto’s. Goedbedoelde pogingen van de kant van de hulpverlener om de ouders te overtuigen van het nut en de positieve effecten van het maken van foto’s staan hiermee op gespannen voet.22 Een belangrijke rol van de hulpverlener is wel dat deze in staat is te benadrukken dat de wensen en de behoeften van ouders direct na het overlijden van hun kind kunnen afwijken van die op langere termijn.17 23

Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: geen gemeld.

Literatuur
  1. Stroebe M, Hansson B, Stroebe W, Schut HAW, editors. Handbook of bereavement research: consequences, coping, and care. Washington: American Psychological Association; 2001.

  2. Mander R, Marshall RK. An historical analysis of the role of paintings and photographs in comforting bereaved parents. Midwifery. 2003;19:230-42.

  3. Primeau MR, Recht CK. Professional bereavement photographs: one aspect of a perinatal bereavement program. J Obstet Gynecol Neonatal Nurs. 1994;23:22-5.

  4. Riches G, Dawson P. Lost children, living memories: the role of photographs in processes of grief and adjustment among bereaved parents. Death Stud. 1998;22:121-40.

  5. Nolen-Hoeksema S, Larson J. Coping with loss. Mahwah: Erlbaum; 1999.

  6. Bourne S, Lewis E. Perinatal bereavement. BMJ. 1991;302:1167-8.

  7. Rosenblatt PC. Cross-cultural variations in the experience, expression and understanding of grief. In: Irish DP, Lundquist KF, Jenkins Nelsen V, editors. Ethnic variations in dying, death, and grief. Diversity in universality. Washington: Taylor & Francis; 1993. p. 13-9.

  8. Achterberg PW, Poos MJJC. Hoe hoog is de sterfte rond de geboorte in Nederland? In: Volksgezondheid Toekomst Verkenning. Nationaal Kompas Volksgezondheid. Bilthoven: RIVM; 2005.

  9. Cuisinier M, Janssen H. Met lege handen. Vrouwen over het verlies van hun baby in de zwangerschap of rond de bevalling. Hoogezand: Stubeg; 1996.

  10. Frost M, Condon JT. The psychological sequelae of miscarriage: a critical review of the literature. Aust N Z J Psychiatry. 1996;30:54-62.

  11. Maker C, Ogden J. The miscarriage experience: more than just a trigger to psychological morbidity. Psychol Health. 2003;18:403-15.

  12. Vance JC, Boyle FM, Najman JM, Thearle MJ. Couple distress after sudden infant or perinatal death: a 30-month follow-up. J Paediatr Child Health. 2002;38:368-72.

  13. Bartellas E, Aerde J van. Bereavement support for women and their families after stillbirth. J Obstet Gynaecol Can. 2003;25:131-8.

  14. Calhoun BC, Napolitano P, Terry M, Bussey C, Hoeldtke NJ. Perinatal hospice. Comprehensive care for the family of the fetus with a lethal condition. J Reprod Med. 2003;48:343-8.

  15. Geerinck-Vercammen CR, Duijvestijn MJM. Rouwverwerking rond perinatale sterfte: een veelvormig en natuurlijk proces. Ned Tijdschr Geneeskd. 2004;148:1231-4.

  16. Meredith R. The photography of neonatal bereavement at Wythenshawe Hospital. J Audiov Media Med. 2000;23:161-4.

  17. McGhie J. Portraiture of the stillborn ... should we or should we not? J Audiov Media Med. 1989;12:9-10.

  18. Zee J van der. The Harlem book of the dead. Dobbs Ferry: Morgan Morgan; 1978.

  19. Cooper JD. Parental reactions to stillbirth. Br J Soc Work. 1980;10:55-69.

  20. Lewis E. Mourning by the family after a stillbirth or neonatal death. Arch Dis Child. 1979;54:303-6.

  21. Hughes P, Riches S. Psychological aspects of perinatal loss. Curr Opin Obstet Gynecol. 2003;15:107-11.

  22. Hughes P, Turton P, Hopper E, Evans CD. Assessment of guidelines for good practice in psychosocial care of mothers after stillbirth: a cohort study. Lancet. 2002;360:114-8.

  23. Barr P. Guilt- and shame-proneness and the grief of perinatal bereavement. Psychol Psychother. 2004;77(Pt 4):493-510.

Auteursinformatie

Medisch Centrum Rijnmond-Zuid, locatie Zuider, Groene Hilledijk 315, 3075 EA Rotterdam.

Mw.R.Meredith, medisch fotograaf; hr.R.Rodrigues Pereira, kinderarts.

Universitair Medisch Centrum Utrecht, afd. Klinische Psychologie, Utrecht.

Hr.dr.H.A.W.Schut en mw.M.S.Stroebe, klinisch psychologen.

Contact hr.R.Rodrigues Pereira (pereirar@mcrz.nl)

Gerelateerde artikelen

Reacties