Een zwelling ter plaatse van het sternoclaviculaire gewricht

Klinische praktijk
Anouk H. van der Vossen
Henk-Jan van der Woude
Vikash G. Hindori
Gertjan Wolbink
Michel P.J. van den Bekerom
Derek F.P. van Deurzen
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2021;165:D5665
Abstract

Dames en Heren,

Een zwelling ter plaatse van het sternoclaviculaire gewricht heeft een uitgebreide differentiaaldiagnose. De oorzaken en mogelijkheden tot behandeling lopen uiteen. In deze klinische les beschrijven wij het beloop bij patiënten met achtereenvolgens een traumatische, een infectieuze en een reumatische zwelling van dit gewricht.

Patiënt A, een 56-jarige man, wordt op de Spoedeisende Hulp gezien in verband met pijn ter plaatse van het rechter sternoclaviculaire gewricht, ontstaan na een harde schouder-tegen-schouderbotsing tijdens ijshockeyen de dag ervoor. Er is geen hematoom zichtbaar of trapje voelbaar en op de röntgenfoto worden geen afwijkingen gezien.

Vanwege aanhoudende klachten komt patiënt een week later terug naar de polikliniek Traumatologie, waarna een CT-scan wordt verricht (figuur 1). Deze bevestigt een antero-craniale sternoclaviculaire luxatie met uitgebreide wekedelenzwelling (hematoom), die achteraf ook op de röntgenfoto van de week ervoor te zien was. Er wordt een niet-operatief beleid voorgesteld waarbij patiënt het gewricht onder begeleiding van de fysiotherapeut mag belasten op geleide van de klachten.

Figuur 1
Sternoclaviculaire luxatie bij patiënt A
Figuur 1 | Sternoclaviculaire luxatie bij patiënt A
3D-reconstructie van CT-opnamen ter hoogte van de 1e rib bij patiënt A, een week na een schouder-tegen-schouderbotsing bij ijshockey. Er is een luxatie van het rechter sternoclaviculaire gewricht zichtbaar, waarbij de rechter clavicula hoger staat dan links ten opzichte van het sternum.

Omdat verbetering uitblijft komt de patiënt 6 maanden na het trauma op de polikliniek Orthopedie. De pijn is afgenomen, maar patiënt houdt een hinderlijk gevoel van druk op de luchtweg bij liggen. Bij bewegen van de…

Auteursinformatie

OLVG, Amsterdam, afd. Orthopedie: drs. A.H. van der Vossen, anios orthopedie; prof.dr. M.P.J. van den Bekerom en dr. D.F.P. van Deurzen, orthopedisch chirurgen; afd. Radiologie: dr. H.J. van der Woude, radioloog; afd. Cardiologie en Cardiothoracale chirurgie, Hartcentrum: drs. V.G. Hindori, cardiothoracaal chirurg; afd. Reumatologie: dr. G. Wolbink, reumatoloog (tevens: Reade).

Contact A.H. van der Vossen (a.h.vandervossen@olvg.nl)

Belangenverstrengeling

Belangenconflict en financiële ondersteuning: geen gemeld.

Auteur Belangenverstrengeling
Anouk H. van der Vossen ICMJE-formulier
Henk-Jan van der Woude ICMJE-formulier
Vikash G. Hindori ICMJE-formulier
Gertjan Wolbink ICMJE-formulier
Michel P.J. van den Bekerom ICMJE-formulier
Derek F.P. van Deurzen ICMJE-formulier
Dit artikel is gepubliceerd in het dossier
Huisartsgeneeskunde

Gerelateerde artikelen

Reacties

Anne
Leerling

Geachte auteurs,

Graag reageren wij op uw illustratieve casus van patiënt C die na een uitgebreide work-up gediagnosticeerd wordt met sternocostoclaviculaire hyperostose (SCCH). De casus is in onze ogen zeer relevant. SCCH is een onderbelichte ziekte die vaak laat wordt herkend en tegelijkertijd aanzienlijke en irreversibele ziektelast veroorzaakt (1). Een tijdige diagnose is echter mogelijk op basis van het typische klinisch beeld in combinatie met nucleaire en radiologische (CT) beeldvorming. Invasieve diagnostiek in de vorm van een botbiopt kan daarmee in veel gevallen voorkomen worden.

SCCH wordt gekenmerkt door een steriele osteitis van de borstkas, die leidt tot lokale verhoging van de botombouw, en uiteindelijk tot sclerose, hyperostose, en degeneratieve afwijkingen (2). In de casus van patiënt C komen typische alsmede atypische aspecten van SCCH naar voren.             

Typisch voor SCCH is allereerst de forse diagnostische delay. In ons cohort bedraagt deze gemiddeld 5 jaar (3), waarbij patiënten eerder een foutieve diagnose kregen o.a. overbelasting van de schoudergordel, bursitis, en functionele pijnklachten (1). Verder laat het CT-onderzoek van patiënt C typische afwijkingen zien, namelijk sclerose, hyperostose, en ankylosering in de sternocostoclaviculaire regio (4). Deze afwijkingen, eventueel gecombineerd met lokaal verhoogde botactiviteit op nucleaire beeldvorming, leiden tot de diagnose SCCH (2). Een voorgeschiedenis van pustulosis palmoplantaris en sacro-illiitis verhoogt de a priori kans op een diagnose SCCH; deze combinatie wordt in het kader van SAPHO-syndroom gezien.                                                 

Uiteindelijk wordt bij patiënt C een botbiopt verricht, mede om de differentiaal diagnose van een maligniteit uit te sluiten, wat op de leeftijd van 78 jaar goed te rechtvaardigen is. Bij sterke klinische en radiologische verdenking is een biopt niet bijdragend, aangezien histologie bij SCCH vrijwel altijd aspecifieke inflammatie toont.                                  

Deze leeftijd van 78 jaar is overigens een atypisch gegeven in de casus. SCCH ontstaat meestal op jongere leeftijd – vooral bij vrouwen - , met een mediane leeftijd van 36 jaar bij eerste presentatie (3). De leeftijd van patiënt C rijmt echter goed met de afwezigheid van pijn ter plaatse van de SC-zwelling. Hiermee is het aannemelijk dat de SCCH al op jongere leeftijd aanwezig was,  maar met de jaren is uitgedoofd. Wij verwachten dan ook dat nucleaire beeldvorming – niet verricht in de casus – geen verhoogde botactiviteit meer getoond zou hebben in de SC-regio.

Tot heden is er geen evidence-based therapie voor de symptomen (botpijn) en preventie van ziekteprogressie bij SCCH. Off-label behandelingen variëren sterk tussen landen, centra en zorgverleners (5). Bisfosfonaten lijken effectief in de behandeling van actieve SCCH, omdat zij aangrijpen op de karakteristiek verhoogde botactiviteit. Verschillende studies hebben de positieve klinische en radiologische effecten van bisfosfonaten – specifiek pamidronaat – bij SCCH aangetoond (6-8). Ook in het Leids Universitair Medisch Centrum zien wij positieve effecten van pamidronaat bij SCCH. Hierom loopt momenteel een gerandomiseerde, placebo-gecontroleerde studie: de PAPS-studie (PAmidronate for Pain in Sternocostoclavicular hyperostosis). Het doel is de effectiviteit van pamidronaat aan te tonen op pijnklachten (primaire uitkomstmaat), en o.a. schouderfunctie, kwaliteit van leven, en ziekteactiviteit op nucleaire beeldvorming.

Voor vragen over SCCH, verwijzingen of mogelijke deelnemers aan de PAPS-studie, kan contact worden opgenomen via: bot@lumc.nl.

Mw. A.T. (Anne) Leerling, PhD-kandidaat
Dr. E.M. (Liesbeth) Winter, Internist-Endocrinoloog
Literatuur

 

1.            van der Kloot WA, Chotkan SA, Kaptein AA, Hamdy NAT. Diagnostic delay in sternocostoclavicular hyperostosis: impact on various aspects of quality of life. Arthritis Care & Research. 2010;62(2):251-7.

2.            Carroll MB. Sternocostoclavicular hyperostosis: a review. Therapeutic advances in musculoskeletal disease. 2011;3(2):101-10.

3.            Ramautar AI, Appelman-Dijkstra NM, Lakerveld S, Schroijen MA, Snel M, Winter EM, et al. Chronic Nonbacterial Osteomyelitis of the Sternocostoclavicular Region in Adults: A Single-Center Dutch Cohort Study. JBMR Plus. 2021;5(5):e10490.

4.            Dihlmann W, Dihlmann SW. Acquired hyperostosis syndrome: spectrum of manifestations at the sternocostoclavicular region. Radiologic evaluation of 34 cases. Clin Rheumatol. 1991;10(3):250-63.

5.            Zwaenepoel T, Vlam Kd. SAPHO: Treatment options including bisphosphonates. YSARH. 2016;46(2):168-73.

6.            Andreasen CM, Jurik AG, Deleuran BW, Horn HC, Folkmar TB, Herlin T, et al. Pamidronate in chronic non-bacterial osteomyelitis: a randomized, double-blinded, placebo-controlled pilot trial. Scand J Rheumatol. 2020;49(4):312-22.

7.            Delattre E, Guillot X, Godfrin-Valnet M, Prati C, Wendling D. SAPHO syndrome treatment with intravenous pamidronate. Retrospective study of 22 patients. Joint Bone Spine. 2014;81(5):456-8.

8.            Solau-Gervais E, Soubrier M, Gerot I, Grange L, Puechal X, Sordet C, et al. The usefulness of bone remodelling markers in predicting the efficacy of pamidronate treatment in SAPHO syndrome. Rheumatology. 2006;45(3):339-42.