Doodsoorzaken van in het buitenland overleden Amsterdamse kinderen, 1982-1993; mogelijkheden voor preventie

Onderzoek
M.F. van der Wal
M.L. van Weert-Waltman
S.A. Reijneveld
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1996;140:777-81
Abstract

Samenvatting

Doel

Inzicht in de doodsoorzaken van in het buitenland overleden Amsterdamse kinderen.

Opzet

Retrospectief onderzoek.

Plaats

GG&GD Amsterdam, sector Jeugdgezondheidszorg (JGZ).

Methode

Het doodsoorzakenbestand van de sector JGZ werd bestudeerd. Dit bestand bevat informatie over geslacht, leeftijd en etnische afkomst van overleden kinderen, alsmede informatie over tijdstip, plaats en oorzaak van overlijden.

Resultaten

In de periode 1982-1993 overleden 791 Amsterdamse kinderen in de leeftijdsgroep van 1 week tot en met 14 jaar, van wie 98 (12,4) in het buitenland (van 2 kinderen ontbrak deze informatie). Het overlijden van Turkse en Marokkaanse kinderen vond veel in het buitenland plaats, respectievelijk 24,7 en 34,2. De doodsoorzaken van in Nederland en in het buitenland overleden kinderen waren niet gelijk: in het buitenland ging het vooral om ongevallen (vooral auto-ongevallen), infecties (met name maag-darminfecties) en congenitale afwijkingen. Dodelijke ongevallen deden zich vooral voor bij kinderen van 1-9 jaar. Fatale infecties kwamen vooral voor bij 0-jarigen en bij Marokkaanse kinderen, en in de periode 1982-1985. Kinderen die overleden als gevolg van congenitale afwijkingen waren voornamelijk van Marokkaanse afkomst.

Conclusie

De sterfte in het buitenland droeg in belangrijke mate bij aan de sterfte onder Turkse en Marokkaanse kinderen. Sterfte in het buitenland was grotendeels het gevolg van oorzaken die met preventie kunnen worden beïnvloed, zoals ongevallen en infecties.

Auteursinformatie

Gemeentelijke Geneeskundige en Gezondheidsdienst, Postbus 20.244, 1000 HE Amsterdam.

Sector Jeugdgezondheidszorg: M.F.van der Wal, epidemioloog; mw.M.L.van Weert-Waltman, sociaal geneeskundige.

Stafbureau Epidemiologie en Documentatie: S.A.Reijneveld, sociaal geneeskundige.

Contact M.F.van der Wal

Heb je nog vragen na het lezen van dit artikel?
Check onze AI-tool en verbaas je over de antwoorden.
ASK NTVG

Ook interessant

Reacties

Amsterdam, april 1996,

In het interessante artikel van Van der Wal et al. wordt medegedeeld dat bij bijna 30% van de Amsterdamse kinderen die in de periode 1982-1993 in het buitenland stierven de doodsoorzaak onbekend is (1996;777-81). Dit is een opvallend hoog percentage. Mijns inziens is het tot bijna 0 te reduceren als de anamnese op de juiste manier bij de juiste personen wordt opgenomen. Dit zijn op de eerste plaats de getroffen familieleden; daarnaast zijn ontbrekende gegevens te achterhalen bij de huisarts, die bijna altijd de juiste toedracht van het overlijden vernomen zal hebben.

Directe preventieve adviezen, in het bijzonder aan Marokkanen en Turken, die meestal eens per 2 jaar hun ‘thuisland’ zullen bezoeken, zijn noodzakelijk om calamiteiten als overlijden van vooral kinderen te voorkomen. Om de risico's die aan elk verblijf in een ander land kleven te verminderen zijn voorlichting, vaccinatie en het preventief voorschrijven van geneesmiddelen, vooral aan zieken, dringend nodig.

Verhoogde gezondheidsrisico's door een langer verblijf – de auteurs spreken van 3 maanden – komen vrijwel niet meer voor doordat de leerplichtwet zeer streng is ten aanzien van de vakantietermijn. Daarnaast zullen de ouders die aangewezen zijn op een uitkering slechts bij uitzondering langer dan 4 of 6 weken op vakantie mogen.

Dat er na 1985 een daling plaatsvond van het aantal dodelijk verlopende infecties is mijns inziens veeleer een gevolg van de zojuist genoemde maatregelen alhier dan van de veranderde situaties in het thuisland, zoals wordt verondersteld.

Het gegeven dat vele geneesmiddelen zoals de orale rehydratievloeistoffen, antiparasitica en antidiarrhoica tot de categorie ‘handverkoopmiddelen’ zijn gaan behoren, zal velen ervan weerhouden deze middelen in voldoende hoeveelheid mee te nemen. Ook de vaccinaties en de antimalariamiddelen zijn uit het verzekerde pakket verdwenen en het is dan ook zeer de vraag of het bereikte effect gehandhaafd zal kunnen worden.

W. Venneman

Amsterdam, april 1996,

Wij danken collega Venneman voor zijn aanvullingen op de tekst en geven gaarne hierop een korte reactie. De registratie van doodsoorzaken is in Amsterdam steeds beter geworden; het aantal kinderen van wie de doodsoorzaak onbekend is, is afgenomen, mede omdat in twijfelgevallen meer dan voorheen de huisarts wordt benaderd. Een aantal doodsoorzaken van Amsterdamse kinderen die in het buitenland sterven, zal altijd onbekend blijven, omdat een sterfgeval soms voor allochtone ouders aanleiding is om in het land van herkomst te blijven of naar het land van herkomst terug te keren.

Ook wij achten het waarschijnlijk dat de daling van het aantal dodelijk verlopende infecties het gevolg is van preventieve maatregelen alhier. Maar alleen een gerandomiseerd vergelijkend onderzoek naar de sterftekans van vakantiegangers die met en zonder advies uit Nederland vertrekken, zou uitsluitsel kunnen geven.

Wij zijn minder optimistisch over de gevolgen van leerplicht en uitkeringsregels voor de duur van een verblijf in het buitenland en de daarmee gepaard gaande gezondheidsrisico's. Het merendeel van de kinderen die in het buitenland stierven, was jonger dan 5 jaar en viel dus buiten de leerplichtwet. Kinderen in deze leeftijdscategorie blijven vaak langer weg dan de werkende ouder, maar ook leerplichtige kinderen blijven soms langer weg dan toegestaan.

Wij zijn het verder met Venneman eens dat door voorlichting, vaccinatie en preventief voorschrijven van geneesmiddelen de risico's van een verblijf in het buitenland voor (vooral zieke) kinderen kunnen worden beperkt. Dit benadrukt nog eens het belang van een goed functionerende jeugdgezondheidszorg in de grote steden.

M.F. van der Wal
M.L. van Weert-Waltman
S.A. Reijneveld