Bij Jeugdarts Wico Mulder borrelen de verhalen vanzelf op

‘Dit vak kun je nooit op de automatische piloot’

Marieke Buijs
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2016;160:C3077
Download PDF

Wie zijn de drijvende krachten in de jeugdgezondheidszorg? Wat doen ze? En wat beweegt hen? Jeugdarts Wico Mulder staat jongeren op het mbo in Amsterdam psychosociaal en medisch bij: ‘Aanhoudende hoofdpijn, buikpijn of rugpijn is op die leeftijd bijna altijd een signaal dat er iets anders speelt.’

Maandagmiddag 14 uur. Leerlingen van mbo ROC van Amsterdam staan in de rij voor de speciale scholierenwinkelmandjes die hen – in beperkte getalen – toegang bieden tot de verleidingen van de supermarkt waar hun school een pand mee deelt. Een verdieping hoger zit jeugdarts Wico Mulder in een kleine, vierkante spreekkamer tegenover een 19-jarige scholiere. Deze jonge vrouw – we noemen haar Sahar – is patiënt bij Mulder omdat ze last heeft van hyperventilatie, haaruitval en maag-darmklachten en ze door deze klachten regelmatig verzuimt. Haar huisarts verwees haar door naar een cardioloog en een dermatoloog, maar dat leverde geen verlichting van haar klachten op. Nu inventariseert Mulder hoe Sahars leven eruitziet en wat onderliggende oorzaken van haar symptomen kunnen zijn. Hoe ervaart ze haar opleiding? Hoe slaapt ze? Wie luistert naar haar? Hoe eet ze? Heeft ze vrienden? Doet ze aan sport?

Mulder – lang postuur, goudblond haar en een casual T-shirt boven zijn kakibroek – bekleedt als jeugdarts op het mbo een functie die hij zelf heeft gecreëerd. Veel jongeren kunnen hulp gebruiken, constateerde hij, zeker jongeren die onder suboptimale omstandigheden opgroeien. Maar op het mbo, waar jongeren tussen de 16 en 23 jaar zitten, was daarvoor geen medische hulp voorhanden. En dus zocht Mulder in 2009 contact met de JGZ van de GGD Amsterdam om die ondersteuning vorm te geven en ziekteverzuim en voortijdige schooluitval tegen te gaan. Nu is hij een van de 8 jeugdartsen op Amsterdamse mbo’s. Daarnaast houdt Mulder zich bezig met zorginnovatie; zo ontwikkelde hij de website jouwggd.nl waar jongeren anoniem kunnen chatten met jeugdartsen en -verpleegkundigen.

Bezinning

Om meer te weten te komen over Wico Mulder en zijn werk hoef je eigenlijk alleen maar tegenover hem te gaan zitten. De verhalen borrelen vanzelf op. Bijvoorbeeld het verhaal over hoe de droombaan die hij als tiener voor ogen had hem door de vingers glipte. Toen hij eenmaal van mavo naar havo en toen naar vwo was opgeklommen en er steeds meer toekomstdromen mogelijk werden, wist hij wat het moest worden: de hoofd-halschirurgie. ‘Dat was ingegeven door een buurman die een tumor in zijn trachea overleefde en na een zeer mutilerende operatie praatte met behulp van een apparaatje dat hij op zijn hals plaatste. Dat vond ik fascinerend, zulke operaties wilde ik later ook uitvoeren.’ Dus bouwde Mulder vol overgave aan een cv dat hem de specialisatie tot kno-arts in zou helpen. Studeren in Australië en Canada, wetenschappelijk werk, een stapje harder lopen bij de coschappen. En met succes, hij mocht meteen de opleiding in.

Maar daar ging het mis. Het waarmaken van zijn prestigieuze jeugddroom ging hem steeds meer energie kosten. ‘Er ging een kleine burn-out aan vooraf voordat ik toe durfde te geven dat ik echt niet op mijn plek was, mijn hele cv was immers op de kno gericht’, lacht Mulder nu vanuit het veilige besef dat het toch nog goed is gekomen. ‘Uiteindelijk durfde ik mijn angsten onder ogen te zien en te beslissen uit het vak te stappen.’

Na ook nog een onbevredigende huisartsenopleiding – ‘daar heb je maar 7 minuten per patiënt’ – was het tijd voor bezinning. ‘Ik was op zoek naar een baan die mij niet 60 uur per week een ziekenhuis in zou zuigen en waar ik ‘s ochtends met plezier naartoe zou gaan. Ik ben een generalist, wil me verdiepen in verschillende onderwerpen en voel mensen vaak goed aan. Dat bracht mij bij het jeugdartsenvak.’ Op het mbo voelt Mulder zich een kruising tussen huisarts, sociaal pediater en psychiater en dat houdt het spannend. ‘Iedere leerling is uniek, met een eigen persoonlijkheid, eigen thuissituatie en eigen klachten, dit vak kun je nooit op de automatische piloot. Bij de snijdende beroepen – zoals de hoofd-halschirurgie – komt het uiteindelijk neer op het aanleren van een trucje dat je steeds beter gaat beheersen tot het routine wordt. Een prachtig vak, maar niets voor mij.’

‘Er is veel onwetendheid bij huisartsen over wat jeugdartsen precies doen’

Normaliseren

Ook Sahar confronteert hem met een geheel eigen situatie – al is die niet uitzonderlijk naar de maatstaven van het Amsterdamse mbo. De jonge vrouw woont bij haar moeder, met wie ze op haar derde naar Nederland is gekomen in het kader van gezinshereniging. Een jaar later overleed haar vader. Ze is de enige in het gezin die goed Nederlands leerde spreken en in die positie heeft ze van jongs af aan verantwoordelijkheid gedragen voor haar moeder en 2 zussen. ‘Als jeugdarts probeer ik zo veel mogelijk te weten te komen van de psychosociale factoren in iemands leven. Zo ontstond in dit geval een beeld van een meisje dat het kind-zijn nooit gegund is, met onverwerkte rouw over het verlies van haar vader en een te groot gevoel van verantwoordelijkheid en trots om daar hulp bij te vragen.’ Aan Mulder de opdracht ervoor te zorgen dat deze omstandigheden de scholiere niet beletten naar school te gaan, want ze heeft al een waarschuwing en loopt wegens het vele verzuim het risico van haar opleiding gestuurd te worden.

Mulder heeft drie gesprekken van drie kwartier tot anderhalf uur met Sahar. Zijn aanpak: eerst luisteren en normaliseren. ‘Ik bespreek met haar dat ik het niet vreemd vind dat ze fysieke klachten ondervindt, gegeven de belastende omstandigheden waar ze in verkeert.’ Daarna volgt de stap die Mulder het belangrijkst vindt: Sahar helpen inzien dat ze een aantal basisvoorwaarden voor een gezond leven zelf kan scheppen. De jeugdarts dreunt het rijtje herhaaldelijk op gedurende het interview: ‘Gezond eten, genoeg slapen, geregeld sporten en sociale interactie opzoeken. De basis is altijd wat mensen daar zelf in kunnen doen. Ter ondersteuning geef ik Sahar een app mee die haar kan helpen goede slaaphygiëne op te bouwen en een pdf met tips over gezonde voeding.’ Ten slotte probeert Mulder de leerlinge in te laten zien dat ze zichzelf belemmert door te eisen dat ze altijd sterk en onafhankelijk is en door nooit om hulp te vragen. ‘En dan bespreken we hoe ze verder wil gaan. Wil ze er met een psycholoog over praten?’ Vervolgstappen bedenkt Mulder altijd in gesprek met zijn patiënt, zodat die zeggenschap ervaart en gemotiveerd is als ze kiest voor therapie. ‘Wil Sahar inderdaad verdere hulp, dan verwijs ik haar in afstemming met de huisarts door. Maar daarbij vraag ik me bewust af naar wie. Met welke psycholoog zal Sahar de beste match hebben? Moet het een man zijn of een vrouw, directief of bevragend, rationeel of op gevoel, binnen of buiten de school? Het moet resoneren tussen patiënt en psycholoog, anders werkt het niet. In tegenstelling tot de huisarts heb ik de tijd daar over na te denken.’

Mulders ogen lichten op wanneer hij over de gesprekken met Sahar vertelt. Hij realiseert zich dat hij boft met een baan waarin hij iets bij een ander teweeg kan brengen. ‘Dat klinkt misschien zelfvoldaan, maar ik merk dat ik haar verder heb kunnen helpen en daar gaat het om voor mij. Het moment dat ze besefte dat ze zichzelf belemmert door haar trotse houding, gebeurde er iets bij haar. Het was een emotioneel moment, ze huilde. Maar met die realisatie ontstond richting voor verandering. Ze heeft een inzicht opgedaan waarmee ze verder kan.’

‘Chillen is in, sporten is uit’

Schijnveiligheid

Huis- en jeugdartsen zouden meer samen moeten werken om jongeren beter te helpen, vindt Mulder. Maar dat is nog niet vanzelfsprekend. ‘Er is veel onwetendheid bij huisartsen over wat jeugdartsen precies doen.’ Ook merkt hij dat huisartsen de meerwaarde van jeugdartsen minder erkennen omdat ze menen zelf het meest vertrouwd te zijn voor een patiënt, bij wiens gezin ze al 15 jaar over de vloer komen. Mulder noemt dat schijnveiligheid, patiënten delen beladen verhalen met hem die ze niet aan hun huisarts toevertrouwen, in de weet dat hun ouders de volgende week in dezelfde spreekkamer tegenover dezelfde huisarts zitten. Vaak gaat het dan om patiënten met stressklachten die in eerste instantie een vrij probleemloze leefsituatie schetsen. ‘Ik luister naar hun verhaal, geef terug wat ik hoor en probeer het dan logisch te maken. En ik check continu of ik het goed begrijp en alle relevante informatie heb. Op een gegeven moment komt dan het hoge woord eruit. Het meisje is oververmoeid omdat ze wakker ligt van zorgen over haar geheime relatie met een Nederlandse jongen terwijl haar ouders plannen maken om haar uit te huwelijken aan een neef in Turkije. Ik merk toch dat jongeren dat soort zorgen eerder met mij delen.’

Mulder vermoedt dat huis- en jeugdartsen beter leren samenwerken als daar al tijdens de opleiding aandacht voor is. Het liefst zou hij zien dat iedere huisartsenpraktijk een eigen jeugdarts had of daar ambulant gebruik van zou maken. Dat zou huisartsen bewuster maken van het feit dat vragen naar het functioneren op school juist ook van belang kan zijn als een jongen zich meldt met eczeemklachten. En voor de jeugdarts brengt het betrouwbare informatie over de gezinsgeschiedenis binnen handbereik.

Maar in plaats van die intensivering, neemt Mulder een tegenovergestelde beweging waar. De gemeenten zijn sinds de transitie van de jeugdzorg verantwoordelijk voor beleid en uitvoering. ‘Daarin zijn ze sterk zoekende en gedreven door ‘bezuinigingsdenken’. Ze zetten professionals in die initieel niet goed genoeg geschoold zijn. Maar wat je niet kent of weet, kun je niet herkennen en dus blijven problemen onopgemerkt of onderbelicht. Uiteindelijk worden meer jongeren doorverwezen, het medisch circuit in.’ Kortzichtig, want vaak leidt dat juist tot dure onderzoeken als een eeg of cardiogram, die geen uitslag geven. ‘En – erger nog – het resulteert in verlegenheidsdiagnoses, bijvoorbeeld het stempel ‘chronische vermoeidheid’, omdat de specialisten niet weten wat ze met iemands aanhoudende klachten aan moeten. Dat is zonde. Zo’n diagnose leidt tot ziektebeleving en daarmee tot patiëntengedrag, zoals ziekteverzuim.’

‘Aanhoudende hoofdpijn, buikpijn of rugpijn zijn op die leeftijd bijna altijd een signaal dat er iets anders speelt’

Mulder is sceptisch over die medische route. ‘Aanhoudende hoofdpijn, buikpijn of rugpijn zijn op die leeftijd bijna altijd een signaal dat er iets anders speelt. Dat kan van alles zijn, van zorgen over schulden tot zorgen over een moeder die bedreigd wordt.’ Daarmee wil Mulder niet zeggen dat het nepklachten zijn of dat ze eenvoudig zijn te verhelpen, maar wel dat medici verklaringen vaak in de fysieke hoek zoeken, terwijl ze daar niet altijd te vinden zijn.

Red Bull

Maar ook Mulders aanpak van de gezonde basis is niet eenvoudig. Jongeren zijn gevoelig voor prikkels, de hersengebieden die hen helpen gedrag te reguleren zijn nog volop in ontwikkeling. Terwijl hun leefwereld juist vol verleidingen zit: de snoepautomaat in de gang, de blikjes energiedrank bij de supermarkt en de melding dat er bericht op Snapchat binnenkomt. ‘Vroeg naar bed en fruit eten worden niet meteen als cool gezien. Chillen is in, sporten is uit. En ouders die het foute voorbeeld geven door met hun telefoon in de hand het avondeten naar binnen te lepelen helpen ook niet mee. Maar ik probeer te laten zien dat het juist stoer is om goed voor jezelf te zorgen en omstandigheden te creëren waarin je je prettig voelt en je opleiding kunt afmaken.’ Bovenal wil Mulder adolescenten in hun kracht zetten. Hen leren hoe ze op weg naar volwassenheid op hun eigen gedrag kunnen reflecteren en verantwoordelijkheid kunnen nemen. ‘Wat er gebeurt als jongeren dat niet leren, zie je wel eens op straat of op tv. Die jongeren veranderen in vervelende, boze volwassenen die zich slachtoffer voelen en alles externaliseren.’

Op de vraag of Mulder zelf baat zou hebben gehad bij een jeugdarts die kritisch met hem meedacht toen hij op weg was kno-arts te worden, valt hij even stil. ‘Ja’, zegt hij twijfelend. ‘Ik denk het wel. Als iemand kritisch had doorgevraagd waar ik mee bezig was en waarom, dan had ik eerder ingezien dat mijn drijfveren voor het specialisme niet klopten met wie ik ben. Die drijfveren hingen mede samen met ego, status en geld, dingen waarvan ik me toen niet realiseerde dat ze eigenlijk niet belangrijk zijn. Nu heb ik een baan die me grijpt, terwijl ik toch tijd heb voor andere interesses als fotografie, klassieke autorally’s en zorginnovatie. Dan maar geen 4 ton per jaar.’

‘Als je echt iets aan kindermishandeling wilt doen, moet je iets tegen armoede doen’

Gerelateerde artikelen

Reacties