Jeugdarts Rianne Reijs leest niet de les maar geeft zo veel mogelijk complimenten

‘Ik heb een vak gevonden waar ik echt iets in kan’

Marieke Buijs
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2016;160:C3078
Download PDF

Wie zijn de drijvende krachten in de jeugdgezondheidszorg? Wat doen ze? En wat beweegt hen? Arts voor maatschappij en gezondheid Rianne Reijs kan het niet verkroppen dat de kansen op gezondheid en ontwikkeling niet eerlijk verdeeld zijn onder de Nederlandse jeugd. ‘Mijn bevlogenheid geeft me de kracht elke dag te vechten voor betere omstandigheden op weg naar volwassenheid.’

‘Klinkt goed, het voornemen om rustiger te reageren als je dochter driftig wordt. Maar straks kom je thuis en heb je niet alleen die dochter en haar driftbuien aan je hoofd. Je partner vindt er ook nog wat van en oma of de oppas misschien ook. Buiten de overzichtelijke rust van de spreekkamer is het moeilijk die voornemens vol te houden.’ Jeugdarts Rianne Reijs laat in gesprek met ouders die ze ondersteunt weinig heel van hun goede voornemens en hoge verwachtingen. Dat klinkt cru, maar in een adem door toont ze begrip. ‘Ik weet hoe dat gaat, omdat ik zelf ook mens ben en ervaar hoe moeilijk het is patronen te doorbreken.’ Ze biedt ruimte voor imperfectie. ‘Het geeft niet als het niet meteen lukt. Morgen word je wakker en dan kun je het opnieuw proberen. En overmorgen weer.’

Vrienden waarschuwden Reijs toen ze op het punt stond de jeugdgezondheidszorg in te gaan en daarmee haar gedroomde toekomst in de neurologie of klinische genetica inruilde voor de publieke gezondheidszorg. Word geen jeugdarts, zeiden ze, binnen een jaar knal je van frustratie uit elkaar. Maar inmiddels werkt Reijs ruim 9 jaar als jeugdarts en van frustratie is met de beste wil geen spoor te bekennen. Ze toont zich energiek, gedreven en immer optimistisch. ‘Mensen verwarren mijn bevlogenheid met ongeduld’, verklaart ze het misverstand. ‘Daarom denken ze dat ik er niet tegen kan dat een deel van de kinderen in mijn wijken ondanks onze inspanningen nog steeds in moeilijke omstandigheden opgroeit. Maar mijn bevlogenheid geeft me juist de kracht desalniettemin elke dag te vechten voor betere omstandigheden op weg naar volwassenheid.’

Geregeld herinneren geneeskundestudenten Reijs aan de ongelijkheid in Nederland, wanneer ze coschap bij haar lopen en zich hardop verwonderen over het feit dat de stad waar ze al 5 jaar studeren en wonen zo veel armoede kent. Een nuttige confrontatie, vindt Reijs. ‘Of ze nu jeugdarts, huisarts of klinisch specialist worden, ze gaan vooral deze mensen in hun spreekkamer zien. Dat is de relatie tussen ontwikkelingskansen, inkomen en gezondheid. Het is in het egalitaire Nederland taboe om te zeggen, maar er zijn gescheiden lagen in de maatschappij, groepen die op verschillende plekken wonen, met verschillende problemen kampen en zich verschillende levensstandaarden kunnen permitteren.’ Voor de bovenlaag, waar de meeste hulpverleners en ook Reijs zelf in verkeren, zijn veel voorwaarden voor ontwikkeling aanwezig: van gezonde voeding tot balletles en museumbezoek, huiswerkhulp van ouders en als het daarmee niet gaat, dan ook nog van een bijlesinstituut. In de achterstandswijken – waar de problemen zich clusteren en waar Reijs veel komt – heeft ze de luxe niet naar ideaal te streven. ‘Daar streven we naar goed genoeg.’

Die discrepantie voedt Reijs’ drijfveer. ‘Als mensen hebben wij allemaal gelijke rechten en daarbij horen gelijke kansen. Dat zou voor alle kinderen, in Nederland en daarbuiten, moeten gelden. Maar de realiteit is anders. De eerste 20 jaar bepalen een mensenleven, als jeugdarts probeer ik in die periode bij te dragen aan de kansen van kinderen die de boot dreigen te missen door ontwikkelingsproblemen, onbegrepen klachten of een moeilijke thuissituatie.’

‘Mensen verwarren mijn bevlogenheid met ongeduld’

Apathisch

Ze noemt zichzelf een ‘meedenkdokter’ en vult daarmee de lacune tussen medische wereld en maatschappij. ‘De huisarts of medisch specialist reageert op klachten en symptomen, behandelt een ziekte, maar legt moeilijker de link naar school, gemeentelijke diensten en nuldelijnszorg. Daar heeft de huisarts de ingangen en de tijd niet voor. School of maatschappelijk werk, aan de andere kant, mist de expertise om klachten in te schatten en een goede sociaal-medische analyse te maken. Dat is het werk van jeugdartsen.’

In die hoedanigheid ziet Reijs bijvoorbeeld ouders en kinderen nadat een school melding maakt van opvallend gedrag. Aan haar de opdracht in te schatten of het gedrag inderdaad ongezond of ‘gek’ is. Is een puber gewoon laks omdat hij 13,5 is? Of is hij apathisch en schiet hij snel uit zijn slof omdat hij een depressieve stoornis ontwikkelt? ‘Hier zijn mijn medische expertise en mijn kennis van de brede marge van ‘normaal’ van groot belang om te kunnen demedicaliseren, normaliseren en – indien nodig – de juiste zorg op tijd te betrekken.’

De jeugdarts merkt dat nauwe samenwerking met scholen belangrijk is bij het signaleren van problematisch gedrag. ‘Bij scholen waar ik goed contact mee heb, kan ik me vaker vinden in de zorgen die ze uiten over de ontwikkeling van het kind. Dat kan gaan over buikpijn, afleidbaarheid of vervelend gedrag naar klasgenootjes.’ Maar ook als ze de zorgen herkent, verwijst ze niet meteen door voor ADHD-onderzoek of naar een kinderarts. ‘Ik kijk vanuit een biopsychosociaal model naar de klachten en kan vanuit dat perspectief bijvoorbeeld meer belang hechten aan pestproblematiek in de klas, armoede thuis of slapeloze nachten door herrie bij de buren. Die wil ik dan eerst in kaart brengen en bekijken in hoeverre ze te verhelpen zijn.’

Reijs staat pal voor het vak en vindt dat jeugdartsen zich meer moeten doen gelden in Nederland. ‘Als ik in beleid 1 ding mocht veranderen, dan zou ik meer jeugdartsen betrekken bij beleidsvorming. Ja, ik wens nog 7 wensen’, benoemt ze haar eigen sluwheid met een knipoog. Met die wens roept ze niet alleen overheden op beter naar jeugdartsen te luisteren. Ze probeert vooral haar vakgenoten aan te zetten zich in beleid te verdiepen, en niet na 2 jaar profielopleiding als jeugdarts aan de slag te gaan, maar de volledige specialisatie tot arts maatschappij en gezondheid te doorlopen, zodat ze medisch leiderschap kunnen tonen binnen hun gemeente of zorginstelling. ‘Jeugdartsen weten wat er speelt in een wijk en kunnen dat duidelijk maken aan de vergadertafel. Waar een gemeenteambtenaar aankomt met misdaadcijfers, kan ik illustreren wat die cijfers betekenen; dat kinderen opgroeien achter gesloten rolluiken omdat hun moeder zwaailichten, ruzies en scooters in de straat vreest. Dat kinderen niet buiten spelen en daarmee risico lopen op overgewicht en de nood voor actuele en toekomstige GGZ als we dit te veel aan de eigen kracht van de wijk overlaten. Met die kennis moeten we als jeugdartsen de boer op om ook op beleidsniveau betere voorwaarden voor kinderen te bewerkstelligen.’

‘Als mensen hebben wij allemaal gelijke rechten en daarbij horen gelijke kansen’

Spruiten

Wanneer Reijs over haar werk praat, lijkt het alsof ze over iedere situatie en interactie al eens heeft nagedacht en voor zichzelf heeft vastgesteld hoe te handelen, wie erbij te betrekken en welke gevoeligheden bij voorbaat te ondervangen. Haar contact met en begrip voor ouders is daar een voorbeeld van. Tot voor kort was het niet gebruikelijk dat ouders aanwezig waren bij rondetafelgesprekken met school, maatschappelijk werk, jeugdzorg, jeugdarts en eventuele andere betrokkenen, omdat zorgverleners zich dan vrijer voelen de situatie van een kind te bespreken. Maar die vrijheid is juist een belemmering, meent Reijs. ‘Het feit dat je zonder ouders sneller praat, betekent dat je de finesse mist, de complexiteit van het echte leven, hun leven, kunt simplificeren. De problemen van een ander lijken altijd makkelijker op te lossen. Denk aan het sentiment van “breng ‘m maar een paar dagen bij mij, dan leert ie z’n spruiten wel eten”, wat de meeste ouders kennen van familie.’ Tot haar genoegen zitten ouders tegenwoordig vaker als gesprekspartner aan tafel. ‘Dat dwingt tot nuance en het checken van aannames. Is er inderdaad ruzie tussen de ex-partners na een scheiding? Bovendien kunnen wij als zorgteam tot mooie conclusies en adviezen komen, uiteindelijk zijn het de kinderen en ouders die het werk moeten verrichten en de offers brengen. Die bijvoorbeeld in therapie moeten of tot andere eetgewoonten moeten komen. Zo’n oplossing roept weerstand op als ouders geen onderdeel zijn van de besluitvorming en dan kom je nergens.’

Gevraagd naar situaties waar positivo Reijs moeite mee heeft, komen verhalen naar voren waarin het ondanks verwoede pogingen toch niet lukt ouders goed te betrekken en mee te krijgen op een pad waar hulpverleners in geloven. Een moeizame levensloop vloeit generaties door en uiteindelijk zijn ouders en niet de hulpverleners verantwoordelijk voor het welzijn van hun kind. ‘Ik vind het moeilijk te verkroppen als ouders zeggen: “we hebben het besproken, ik weet wat er speelt, maar ik vind deze situatie oké”.’ Ouders willen het beste voor hun kind, weet Reijs, maar wat het beste is, is niet altijd duidelijk. Wat doe je met kinderen met flink overgewicht, waarbij de ouders zeggen: ‘ach, als het maar gelukkig is’ of met een depressieve vader die daar geen hulp bij accepteert? ‘In sommige gevallen is het niet goed voor een kind om bij zijn ouders te zijn, maar misschien is het nog slechter om niet bij die ouders te zijn. Dat zijn keer op keer lastige afwegingen.’ Er is een ondergrens, gevat in, of af te leiden van het ‘Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind’. ‘Daarnaast toets ik of ik het kind recht in de ogen kan kijken omdat ik heb gedaan wat binnen mijn macht ligt om een situatie goed te krijgen.’

Reijs benadrukt dat onwil van ouders uitzonderlijk is. Doorgaans ervaart ze juist hun kwetsbaarheid waar het hun kind betreft. ‘Een kind is er bij de gratie van de ouders, dus kritiek op het kind wakkert automatisch beschermdrift aan. Daarnaast hebben ouders vaak het gevoel dat het hun schuld is als er iets aan schort bij hun kroost. Ze voelen zich dus op 2 manieren aangesproken.’ Maar bepalen wat hen dan te doen staat om hun kind te helpen, is niet eenvoudig. Wederom verwoordt Reijs het perspectief van de ouders om hun worsteling te schetsen: ‘Zij schommelen bijvoorbeeld tussen de sentimenten, “oh jee, mijn kind lijdt, ik had hem al lang naar een psycholoog moeten brengen”, en “mijn kind heeft er niets aan een psycholoog te zien en een label opgeplakt te krijgen”. Ergens binnen die ambivalentie maken we onze keuzes en zo modderen we aan. Iedere ouder ervaart dat.’

‘Ik zou meer jeugdartsen betrekken bij beleidsvorming’

Maar in een samenleving waar we maakbaarheid op ieder vlak veronderstellen, ontbreekt het begrip voor ambivalentie en onzekere uitkomsten van een hulpverleningstraject, ondervindt Reijs. ‘Is de thuissituatie van een kind met een autistische stoornis niet ideaal? Dan maken we een SMART-plan en moet het probleem binnen 3 maanden zijn opgelost. “Wacht, ik pak mijn toverstafje even”, zeg ik dan.’ Reijs’ linker hand grijpt naar een bureaula waar ze het denkbeeldige wondermiddel uit zal vissen. ‘We hebben grote moeite te accepteren dat de uitkomst van een behandelplan niet gegarandeerd is, dat er een mogelijkheid is dat het niet lukt.’ Met haar begripvolle, menselijke blik biedt Reijs juist ruimte voor de complexiteit waarin medische en sociale problemen zich manifesteren, en probeert ze een veiliger omgeving te scheppen voor de scholen, kinderen en ouders die ze ondersteunt. ‘We zijn mensen, geen opvoedmachines. Als ouders doen we veel op goed geluk.’

Haar idealisme vormt haar drijfveer, maar de dagelijkse interactie met kinderen en hun ouders zorgt daarnaast voor de nodige lol in haar werk. ‘Ik was al 29 en had 2 kinderen toen het eindelijk tot me doordrong dat het ook belangrijk is plezier te hebben. Ik geniet van de bijzondere verhalen en ideeën van mijn patiënten, om bijvoorbeeld deelgenoot te zijn van de kracht van tienerouders in hun worsteling serieus genomen te worden om de verantwoordelijkheid voor hun kinderen te kunnen nemen.’ Dat die interactie doorgaans positief verloopt, hangt vast samen met Reijs’ kijk op effectieve gedragsverandering. ‘Wij denken dat we leren van onze fouten, maar dat maken we onszelf wijs om de pijn te verzachten bij het falen. We leren juist van wat we goed doen. Mits bekrachtigd. Dus ik lees niet de les, maar geef zo veel mogelijk complimenten. Over een net opgeruimd huis, bijvoorbeeld, of over een geïnteresseerde vraag naar de schooldag van een zoon.’ Met haar onverstoorbaar positivisme is Reijs de bekrachtiger bij uitstek. ‘Ik heb een vak gevonden waar ik echt iets in kan.’

‘Als je echt iets aan kindermishandeling wilt doen, moet je iets tegen armoede doen’

Gerelateerde artikelen

Reacties