Thea van Zeben wil de tussenschotten in de zorg voor het kind doorbreken

‘Als je echt iets aan kindermishandeling wilt doen, moet je iets tegen armoede doen’

Marieke Buijs
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2016;160:C3079
Download PDF

Wie zijn de drijvende krachten in de zorg voor jongeren? Wat doen ze? En wat beweegt hen? Kinderarts-sociale pediatrie Thea van Zeben: ‘Het vermogen van mensen om hun kinderen ondanks enorme problemen toch goede zorg en opvoeding te bieden, verrast me steeds weer.’

‘Een vasthoudend type, dat ben ik wel.’ Kinderarts-sociale pediatrie Thea van Zeben lacht beschroomd wanneer ze zichzelf zo bestempelt. ‘Ik laat me niet snel afschrikken door de mededeling dat iets onmogelijk is, maar zoek door totdat ik een manier vind waarop het wel kan.’ Die volharding komt goed van pas bij haar werk als kinderarts-sociale pediatrie. Ze heeft zich namelijk ten doel gesteld de tussenschotten in de zorg voor het kind – die is onderverdeeld in onder meer jeugdgezondheidszorg, de jeugd-ggz en de jeugdhulpverlening – te doorbreken. ‘Als ouder van bijvoorbeeld een autistisch kind met zindelijkheidsproblemen heb je er geen boodschap aan dat de zorg in bepaalde domeinen is onderverdeeld en dat je toevallig op meerdere instellingen en organisaties een beroep doet, dan wil je gewoon hulp. Ik zie het als mijn taak dat te organiseren en daarbij te waarborgen dat het kind centraal staat.’

Van Zeben werkt sinds 1984 als kinderarts en stond aan de wieg van het subspecialisme sociale pediatrie. In de jaren 60 en 70 werkten kinderartsen veel buiten het ziekenhuis, bij het consultatiebureau, in de jeugdhulpverlening, of in de zorg voor kinderen met een handicap. Maar in de daaropvolgende decennia trokken ze zich terug binnen de muren van het ziekenhuis. Achteraf blijkt dat geen goede zaak, vindt Van Zeben. ‘Wij moeten als medisch specialisten juist contact zoeken met niet-ziekenhuisgebonden organisaties om zicht te houden op kinderen met complexe fysieke, geestelijke en sociale problemen.’ De Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde deelde die visie en erkende in 1998 het subspecialisme sociale pediatrie. Van Zeben was een van de 30 kinderartsen die zich op basis van hun staat van dienst de eerste kinderartsen-sociale pediatrie van Nederland mochten noemen.

Het college dat ze gaf aan een groep coassistenten liep uit, dus Van Zeben komt gehaast haar werkkamer in het Maastricht UMC+ binnen gespurt. Ze neemt plaats onder 2 kleurrijke waterverfschilderijen, vervaardigd door haar jeugdige patiënten. Het raam biedt uitzicht op een grauwe parkeerplaats, met daarachter de karakteristieke Sint-Pietersberg, waar ze in de weekenden graag wandelt. Tijdens de lunch geeft ze vast een inkijkje in de ingewikkelde puzzels waar ze zich dagelijks voor gesteld ziet door patiënten. Wat te denken van een oververmoeid jongetje? Is er sprake van een lichamelijk probleem als ijzertekort? Of kan hij door drukte in huis de rust niet vinden om te slapen? En hoe zit het met een meisje dat niet naar school komt? Is ze ziek? Wordt ze gepest? Of heeft haar moeder een drankverslaving en durft ze haar niet alleen te laten? ‘Als kinderarts-sociale pediatrie ben ik er in getraind met een open vizier naar zowel de somatische als de psychosociale aspecten van een klacht te kijken.’

‘Slechter lijkt het soms niet te kunnen’

30 jaar ervaring in het vak klinken door in haar reële kijk en professionele distantie. Het idee dat ieder kind onder ideale omstandigheden moet opgroeien heeft ze los gelaten, ze heeft het liever over ‘goed genoeg’: ‘De omgeving waarin een kind opgroeit moet voldoen aan een soort minimumeisen, ieder kind moet zich veilig voelen en ontwikkelingsmogelijkheden krijgen. Het is mijn taak daar oog voor te hebben en zo nodig in te grijpen.’ Dat die veiligheid juist in de kindertijd heel belangrijk is, kan Van Zeben niet genoeg benadrukken. ‘En uit ettelijke studies blijkt dat de kindertijd dan weer bepalend is voor het verdere leven.’ Maar zichzelf op de borst kloppen voor het feit dat zij kinderen op die manier helpt, ligt niet in haar aard. Desgevraagd mompelt ze met gevoel voor understatement: ‘Dat ik in de jaren zo veel kinderen mogelijk op pad heb kunnen helpen is natuurlijk best wel een goede gedachte.’

Haar werk lijkt zwaar, Van Zeben wordt vaak geconfronteerd met lijden: kinderen die gebukt gaan onder ernstige ontwikkelingsproblemen of die de sporen van verwaarlozing en mishandeling dragen. Toch heeft ze er in de loop van decennia een goed gevoel bij gehouden. ‘Slechter lijkt het soms niet te kunnen’, zegt ze zonder enig cynisme. ‘Dus met mijn kennis, aandacht en inzet kan de situatie van een kind alleen maar verbeteren.’ Deze uitspraak verraadt een diepgeworteld optimisme bij de kinderarts.

Zelfreflectie

Van Zebens werk is per definitie complex. Ze raakt alleen betrokken bij kinderen die kampen met een combinatie van fysieke, sociale en psychosociale klachten en treedt dan op als gids door het onoverzichtelijke Nederlandse zorglandschap. Krijgt ze bijvoorbeeld een ondervoede peuter op haar spreekuur, dan is het in eerste instantie de uitdaging te doorgronden waar de oorzaak van de ondervoeding ligt. Gaat het mis bij het metabolisme in het kinderlijf, of krijgt het kind niet genoeg te eten? Een opname met voedzaam dieet kan daar meer duidelijkheid over geven. Komt het kind tijdens de opname aan, dan is dat een indicatie dat het thuis mogelijk niet genoeg voeding binnenkrijgt. ‘Maar met die constatering ben je er niet. Juist dan moet je in gesprek met de ouders en goed doorvragen om te bepalen wat er speelt.’ Is er geen geld voor goede voeding? Kunnen de ouders niet lezen en lukt het niet om 90 milliliter af te meten? Of heeft de moeder zelf een eetstoornis en is ze bang haar kind te dik te maken? ‘Als je daar geen zicht op hebt, stuur je het gezin weg met een pak peutermelk en gaat het thuis toch weer mis. Het bekijken van een kind in zijn context is cruciaal voor adequate behandeling.’ Wanneer de onderliggende oorzaak duidelijk is, begint de volgende uitdaging: die oorzaak weg te nemen. Daar komt Van Zebens volharding goed van pas. ‘Blijkt er niet genoeg geld voor goede voeding, dan ga ik net zo lang bellen tot ik bij de gemeente of thuiszorg een potje gevonden heb om voedzame melk van te betalen.’

‘Er is buitengewoon veel mogelijk in Nederland’

Het vinden van de juiste connecties en opstellen van een behandelplan is een taak op zich in Nederland, waar de zorg is onderverdeeld in instanties die zich specifiek bezighouden met eerste- of juist tweede- en derdelijnszorg, fysiek of geestelijk, jeugd of volwassen, gezin of kind, curatief of preventief en ga zo maar door. ‘Die opsplitsing is een erfenis van ons verzuilde verleden en zit niet alleen in het aanbod van zorg, maar ook in de financiering ervan. Formele, financiële ontschotting is zo ingewikkeld vorm te geven, dat ligt niet in de lijn der verwachting. Dus streef ik ernaar om systeemexperts op te leiden tijdens de subspecialisatie sociale pediatrie, kinderartsen die overzicht hebben over het hele bestel en die op inhoud de belemmeringen tussen verschillende systemen kunnen wegnemen. Dat klinkt omslachtig, maar is efficiënter dan het alternatief, dat alle zorgverleners proberen zich het hele overzicht eigen te maken.’ Daarnaast investeert Van Zeben in bijscholing van huisartsen, verpleegkundigen, maatschappelijk werkenden en collega-kinderartsen, zodat men in het werkveld weet wat kinderartsen-sociale pediatrie zijn en waar ze bij kunnen helpen.

Gefrustreerd over de doolhofvorming in het Nederlands zorgstelsel is de optimistische Van Zeben niet, ze interpreteert het als symptoom van een positief gegeven. ‘Er is buitengewoon veel mogelijk in Nederland, we hebben specialistische kennis en professionele hulp te bieden bij een scala aan problemen, van vechtscheidingen tot overgewicht en van verstandelijke beperking tot groeistoornissen. De kunst is alleen die hulp goed in te zetten.’

De samenwerking met andere zorgverleners vergt flexibiliteit en zelfreflectie. Bij het ene kind treedt Van Zeben op als dossierhouder, bij een ander geeft ze slechts advies. Per patiënt wordt in samenspraak met andere betrokken professionals de beste aanpak bepaald. Als medisch specialist is Van Zeben zich extra bewust van haar rol in dat proces. ‘Medisch specialisten hebben de neiging zichzelf centraal te stellen binnen het plan van aanpak, ook al ligt die rol bij een andere professional. Voor niet-artsen kan dat bedreigend zijn. Het is belangrijk je respectvol op te stellen tegenover andere zorgverleners, ongeacht hun functie. Als de leiding elders ligt, moet je je daarin kunnen schikken. Dit is een belangrijke voorwaarde voor een echte transmurale samenwerking. Kun je dat niet, dan moet je niet voor de sociale pediatrie kiezen, maar comfortabel in de hiërarchie van het ziekenhuis blijven.’ Toch betekent haar gevoeligheid voor sociale verhoudingen niet dat Van Zeben zich klakkeloos in een behandelplan schikt. ‘Als ik zelf een duidelijk idee heb van de beste aanpak, probeer ik een bondje te sluiten met de juiste mensen, zodat mijn plan loopt. Daar moet je de sociale handigheid voor hebben.’ Samen een behandelplan maken, de juiste partijen erbij zoeken en duidelijke afspraken maken over de voortgang, is precies de rol die Van Zeben ligt. ‘Ik ben geen maatschappelijk werker die iedere week langskomt om te kijken hoe het gaat. Ik maak een plan, zorg dat dat loopt en dan is het ook weer klaar, opgelost, door’, zegt ze resoluut.

‘Het bekijken van een kind in zijn context is cruciaal voor adequate behandeling’

Armoedepreventie

Gevraagd naar problematiek die tekenend is voor dit moment, noemt Van Zeben kindermishandeling. Niet omdat die nu meer voorkomt dan vroeger, maar omdat het thema door het tragisch overlijden van de peuter Savanna en de broertjes Ruben en Julian op de politieke agenda is komen te staan. Maar juist bij dit thema maakt de kinderarts-sociale pediatrie zich geen illusies over de reikwijdte van haar vak. ‘Wij zijn er voor de curatieve zorg aan individuen. Wij kunnen kindermishandeling signaleren en expertise leveren voor beleidsveranderingen, maar collectieve preventie, dat kunnen wij niet. Terwijl daar de meeste winst te halen is, bijvoorbeeld via armoedebestrijding.’ Ze schetst de situatie van een gezin dat moet rondkomen van 60 euro per week. Dat maakt het lastig de kinderen gezonde en veelzijdige voeding te bieden en brengt tegelijkertijd stress met zich mee. Bijvoorbeeld angst om afgesloten te worden van gas en licht, of om de woning te verliezen. Daarmee kan armoede een voedingsbodem zijn voor ruzies tussen ouders. ‘Als je echt iets aan kindermishandeling wilt doen, moet je iets tegen armoede doen, een andere oplossing zie ik niet.’

Maar ook op het grensvlak van de kindergeneeskunde en de jeugdgezondheidszorg ziet Van Zeben ruimte voor verbetering, vooral in de postnatale zorg voor de allerkleinsten. ‘Zuigelingen en peuters zijn zowel fysiek als psychisch het meest kwetsbaar en een goede start is cruciaal. Via consultatiebureaus is er gratis zorg beschikbaar voor alle kinderen in ons land. Dat is geweldig! Maar het gebruik van deze zorg is vrijblijvend.’ Wat Van Zeben betreft moeten consultatiebureaus er feller achteraan als ouders zorg mijden. ‘Dat ouders niet komen opdagen na een uitnodiging is op zich al een indicatie dat er iets wringt, ik denk dat er enorme winst te halen valt door die gezinnen nog actiever op te sporen.’ De kwetsbare ouders en kinderen in het zicht te houden, is niet altijd makkelijk. En het feit dat dat soms mislukt, is een gedachte die de onverstoorbare Van Zeben even van haar stuk brengt. ‘Een telefoontje van de dagopvang, dat zich een kind heeft gemeld met een ernstige groeiachterstand, maakt me heel verdrietig. Dan is zo’n kind bij ons, hulpverleners – het ziekenhuis, de huisarts, het consultatiebureau of andere hulpverlening – op de één of andere manier uit het zicht verdwenen. Dan hebben we niet goed genoeg afgesproken wie welke verantwoordelijkheid op zich neemt. ‘Ik kan daar heel slecht tegen.’ Van Zeben klinkt aangedaan. ‘Soms resulteert dat in onherstelbare lichamelijke of cognitieve schade. En die was te voorkomen geweest.’

Maar de kinderarts herpakt zich spoedig. Gevraagd of belangrijke aspecten van haar werk buiten beschouwing zijn gebleven tijdens het interview, hervindt ze haar positieve toon meteen. ‘Ik wil benadrukken dat ik ervaren heb hoe belangrijk het is ieder gezin onbevooroordeeld en neutraal te benaderen. De omstandigheden bepalen niet altijd hoe ouders het doen. Het vermogen van mensen om hun kinderen ondanks enorme problemen toch goede zorg en opvoeding te bieden, verrast me steeds weer. Hoe bijvoorbeeld een alleenstaande moeder met weinig middelen er toch in slaagt een veilige, liefdevolle omgeving te creëren voor haar zoontje met ernstige gedragsproblemen. Die veerkracht van mensen bewonder ik.’

‘Ik heb een vak gevonden waar ik echt iets in kan’

Gerelateerde artikelen

Reacties