De prevalentie van chronische ziekten bij ouderen; het ERGO-onderzoek

Onderzoek
A. Hofman
P.A. Boerlage
M.L. Bots
J.H. den Breeijen
A.M. de Bruijn
D.E. Grobbee
A.W. Hoes
P.T.V.M. de Jong
M.J. Koenders
E. Odding
H.A.P. Pols
R.P. Stolk
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1995;139:1975-8
Abstract
Download PDF

Samenvatting

In het ‘Erasmus Rotterdam gezondheid en ouderen’ (ERGO)-onderzoek werden prevalentie en determinanten van chronische ziekten bij ouderen van 55 jaar en ouder beschreven in de Rotterdamse wijk Ommoord. Het gaat om de volgende aandoeningen: hartziekten (myocardinfarct, angina pectoris, cardiovasculaire risicofactoren), glaucoom, macula-degeneratie, osteoporose, osteoartrose en invaliditeit, dementie (ziekte van Alzheimer, vasculaire dementie, ziekte van Parkinson), epilepsie, cerebrovasculair accident. In totaal participeerden 7983 inwoners (3105 mannen, 4878 vrouwen), een respons van 78. De deelnemers werden geïnterviewd en tweemaal poliklinisch onderzocht.

Inleiding

Zie ook de artikelen op bl. 1978 en 1983.

Vier jaar geleden beschreven wij in dit tijdschrift de achtergronden en de opzet van een onderzoek naar chronische ziekten bij ouderen.1 Het onderzoek, dat als naam het acroniem ERGO draagt (van: Erasmus Rotterdam gezondheid en ouderen), heeft als doel factoren die van invloed zijn op het ontstaan en de verergering van ziekten te bestuderen.

Wij publiceren nu de eerste resultaten van het ERGO-onderzoek in het Nederlands. In tien korte artikelen die in de komende weken in het Tijdschrift zullen verschijnen, worden de prevalentie en daarmee samenhangende factoren van enkele belangrijke cardiovasculaire, locomotore, neurologische en oogheelkundige ziekten beschreven. In dit artikel gaan wij in op de opzet van het onderzoek, de deelneming aan het onderzoek en de metingen die bij de deelnemers gedaan zijn.

Methoden

Opzet

Het ERGO-onderzoek is een prospectief follow-up-onderzoek bij inwoners van de Rotterdamse wijk Ommoord van 55 jaar en ouder. Het onderzoek ging, na een vooronderzoek in 1989, in juni 1990 van start met een eerste fase (de prevalentiefase), waarin bij alle deelnemers ziekten en daarmee mogelijk samenhangende factoren werden vastgesteld. In het najaar van 1993 werd de tweede fase gestart (de follow-up-fase), waarin alle deelnemers opnieuw werden onderzocht en waarin de aanwezigheid van nieuwe ziekten en veranderingen in determinanten werden vastgesteld. Het onderzoek in de eerste fase bestond uit een bezoek aan huis bij de deelnemer en twee bezoeken van de deelnemer aan een speciaal ingericht onderzoekcentrum. De onderzoekprocedures zijn elders beschreven.2 Het onderzoek werd goedgekeurd door de medisch-ethische commissie van de Erasmus Universiteit en van iedere deelnemer werd schriftelijk instemming met de deelneming verkregen. De ziekten die in het ERGO-onderzoek worden bestudeerd, zijn eerder uitvoerig beschreven,2 en in tabel 1 zijn de ziekten opgesomd waarvan in de komende artikelen de prevalentie zal worden gerapporteerd. Voor een uitvoerige beschrijving van de opzet van het onderzoek wordt naar een eerdere publikatie verwezen.3 Het ERGO-onderzoek wordt uitgevoerd door een team van onderzoekers (voorzitter: A.H.) met hoofdonderzoekers voor deelgebieden cardiovasculaire ziekten (D.E.G.), neurologische ziekten (A.H.), oogziekten (P.T.V.M.d.J.) en locomotore ziekten (H.A.P.P).

Deelname

Alle 10.275 inwoners van Ommoord die 55 jaar of ouder waren op 1 januari 1993 werd gevraagd aan het onderzoek deel te nemen: 3950 mannen (38) en 6325 vrouwen. Van alle potentiële deelnemers woonden 1114 (11) in een verzorgings- of verpleegtehuis. Aan het onderzoek namen uiteindelijk 7983 inwoners deel, 78. Er was geen duidelijk geslachtsverschil in de deelname: 31053950 mannen (79) en 48786325 vrouwen (77). Niet van alle deelnemers werden alle beoogde gegevens verkregen: 7129 deelnemers (69) bezochten het onderzoekcentrum en van hen waren de gegevens compleet. In tabel 2 zijn de deelnemingcijfers naar leeftijd en geslacht weergegeven.

Metingen

Bij de deelnemers aan het onderzoek werd een groot aantal gegevens verzameld tijdens een gemiddeld 1,5 h durend huisbezoek waarbij een interview werd afgenomen (tabel 3; 8 onderdelen) en tijdens een 3-4 h poliklinische onderzoek (tijdens twee bezoeken) in het onderzoekcentrum (tabel 4; 11 metingen).

In het serum en aan de bloedcellen van de deelnemers werden vele bepalingen en metingen verricht, die zijn beschreven in de zogenoemde ‘data dictionary’ van het ERGO-onderzoek, die op verzoek verkrijgbaar is.4

Beschouwing

De toenemende vergrijzing van onze bevolking is het gevolg van veranderingen in de bevolkingsopbouw en van toegenomen levensverwachting. Met name de langere levensduur, die wel wordt samengevat als compressie van de mortaliteit,5 heeft geleidelijk de aandacht in het klinisch en epidemiologisch onderzoek doen verschuiven van sterfte naar ziekte. Daarmee gepaard gaand, is de aandacht voor determinanten van morbiditeit op oudere leeftijd toegenomen. De vraag die daarbij centraal staat, is of naast compressie van mortaliteit ook compressie van morbiditeit mogelijk zal blijken.6

Gebrek aan kennis over oorzaken van ziekte bij ouderen vormt het belangrijkste motief voor het ERGO-onderzoek. Het onderzoek heeft primair ten doel met een epidemiologische aanpak de determinanten van ziekte-incidentie te ontdekken. Daarnaast was het, in de eerste fase van het onderzoek, mogelijk de prevalentie van belangrijke ziekten bij ouderen vast te stellen. Onderzoek naar de prevalentie van ziekten wordt ingegeven door de vraag naar de omvang van een gezondheidsprobleem. Voor de beschrijving van die omvang staan diverse wegen open; vaak wordt gekozen voor vragenlijstonderzoek van de gehele bevolking of klinisch onderzoek van specifieke populaties. Het ERGO-onderzoek is bij de vaststelling van de prevalentie van ziekten op te vatten als een tussenvorm tussen veelomvattend maar oppervlakkig vragenlijstonderzoek en diepgaand maar beperkt klinisch onderzoek. In het ERGO-onderzoek werd gekozen voor een zo goed mogelijke vaststelling van de ziekte met moderne methoden van diagnostiek, vaak in nauwe samenwerking met huisarts en klinisch specialist. De wens was daarbij de verbinding tussen populatie-onderzoek en klinisch onderzoek te vormen.

De bestudering van de prevalenties in het ERGO-onderzoek kent specifieke beperkingen en problemen. Een eerste probleem is dat van de non-respons. Hoewel de respons van 78 voor een dergelijk uitvoerig onderzoek bij ouderen hoog te noemen is, lijkt het voor de hand te liggen dat de niet-deelnemers meer morbiditeit hadden dan de deelnemers. Dit zal misschien met name een rol spelen bij bestudering van bijvoorbeeld dementie en locomotore invaliditeit. Zoals uit een aanvullend onderzoek naar de prevalentie van dementie is gebleken, lijkt onderschatting van de prevalentie door non-respons mee te vallen,7 maar helemaal kunnen wij de gevolgen van non-respons natuurlijk niet uitsluiten.

De geografische locatie van het onderzoek in de Rotterdamse wijk Ommoord roept de vraag op naar de generaliseerbaarheid van deze prevalentiegegevens. Ommoord heeft een sociaal-economische opbouw die redelijk goed met die van de totale Nederlandse bevolking overeenkomt. De sociaal-economische status is er gemiddeld iets hoger dan die van de gemeente Rotterdam. Bij aandoeningen die een zeer sterke samenhang met sociaal-economische status hebben, lijkt het verstandig de prevalentiecijfers specifiek voor sociaal-economische categorieën weer te geven. Dit geldt natuurlijk a fortiori voor leeftijd en geslacht: alle ERGO-prevalentiecijfers worden specifiek voor 5- of 10-jaarsleeftijdsgroepen en voor mannen en voor vrouwen weergegeven.

Hoewel in het ERGO-onderzoek qua diagnostiek zo veel mogelijk aansluiting bij de moderne klinische praktijk wordt nagestreefd, zijn er natuurlijk noodgedwongen beperkingen. Zo was het onmogelijk om bij alle patiënten die een cerebrovasculair accident hebben doorgemaakt een goede subdiagnostiek met behulp van computertomografiekernspinresonantie-tomografie uit te voeren.

Ondanks genoemde beperkingen menen wij in de komende tien artikelen schattingen van de prevalentie van belangrijke ziekten bij ouderen te kunnen presenteren die een goede aanvulling vormen van bekende klinische en epidemiologische gegevens. Wij hopen ook dat deze gegevens een stimulans zijn voor de verdere kwantificering van belangrijke gezondheidsproblemen in onze oudere bevolking.

Dit onderzoek was niet mogelijk geweest zonder de medewerking van de deelnemers, noch zonder de grote bijdrage van de huisartsen en apothekers in Ommoord: mw.M.Bikker, dr.F.M.Braams, A.J.Bras, M.T.Breijer, mw.M.J.Brummer, mw.M.D.Derksen, C.J.Esser, C.P.Gerretsen, C.M.A.Grimbergen, J.A.Ham, J.Heeringa, J.W.H.A.M.Hopmans, mw.G.M. Joppe, F.Keizer, P.van Leeuwen, J.T.Mooij, mw.P.van der Rijst, mw.A.T.van der Schoot-van Venrooy, W.T.Smid, H. Vervat en J.Zaat. Wij danken dr.F.A.van den Ouweland, internist, en prof.dr.H.A.Valkenburg, arts-epidemioloog, voor hun grote bijdrage aan de opzet van het onderzoek.

Het ERGO-onderzoek wordt mogelijk gemaakt door een subsidie van het ‘Nederlands stimuleringsprogramma ouderenonderzoek’ (NESTOR), ingesteld door de ministeries van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en van Onderwijs en Wetenschappen. Daarnaast zijn de belangrijkste subsidiegevers voor deelprojecten: de gemeente Rotterdam, de Nederlantdse Hartstichting, de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), de Europese Gemeenschap, de Stichting ROMERES, de Nederlandse Trombosestichting, het Diabetes Fonds Nederland, het Haagsche Ondersteunings Fonds, de Nederlandse Vereniging ter Voorkoming van Blindheid, de Rotterdamse Vereniging voor Blindenbelangen, de Stichting Volkskracht en het Praeventiefonds.

Literatuur
  1. Ouweland FA van den, Grobbee DE, Jong PTVM de, Hofman A.Oorzaken en preventie van chronische ziekten bij ouderen; het ErasmusRotterdam gezondheid en ouderen (ERGO)-onderzoek.Ned Tijdschr Geneeskd1991;135:574-7.

  2. Odding E. Locomotor disability in the elderlyproefschrift. Rotterdam: Erasmus Universiteit, 1994.

  3. Hofman A, Grobbee DE, Jong PTVM de, Ouweland FA van den.Determinants of disease and disability in the elderly: the Rotterdam ElderlyStudy. Eur J Epidemiol 1991;7:403-22.

  4. The Rotterdam Study. Data-dictionary. Rotterdam: ErasmusUniversity Medical School, Department of Epidemiology & Biostatistics,1994.

  5. Fries JF. Aging, natural death, and the compression ofmorbidity. N Engl J Med 1980;303:130-5.

  6. Fries JF, Green LW, Levine S. Health promotion and thecompression of morbidity. Lancet 1989;i:481-3.

  7. Ott A, Breteler MMB, Birkenhager-Gillesse EB, Harskamp Fvan, Koning I de, Hofman A. De prevalentie van de ziekte van Alzheimer,vasculaire dementie en dementie bij de ziekte van Parkinson; hetERGO-onderzoek. 1995;1975-8 Ned Tijdschr Geneesk.

  8. Rose GA, Blackburn H. Cardiovascular survey methods.Geneva: World Health Organization, 1968.

  9. Roth M, Huppert FA, Tijm E, Mountjoy CQ. Camdex, theCambridge examination for mental disorders in the elderly. Cambridge:Cambridge University Press, 1988.

Auteursinformatie

Erasmus Universiteit, Instituut Epidemiologie en Biostatistiek, Postbus 1738, 3000 DR Rotterdam.

Prof.dr.A.Hofman, mw.dr.M.L.Bots, prof.dr.D.E.Grobbee, dr.A.W. Hoes, mw.dr.E.Odding, dr.R.P.Stolk, artsen-epidemiologen; P.A. Boerlage, hoofd algemeen beheer; mw.ir.J.H.den Breeijen, voedingskundige: ing.A.M.de Bruijn, hoofd laboratorium; M.J.Koenders, hoofd computing.

Academisch Ziekenhuis Rotterdam-Dijkzigt, Rotterdam.

Afd. Inwendige Geneeskunde: dr.H.A.P.Pols, internist.

Instituut Oogheelkunde: prof.dr.P.T.V.M.de Jong, oogarts.

Contact prof.dr.A.Hofman

Verantwoording

Het Tijdschrift staat bij publikatie niet meer dan 6 auteurs toe. Bij dit algemene inleidende artikel van een reeks artikelen uit het totale ERGO-onderzoek is van deze regel afgeweken.

Gerelateerde artikelen

Reacties