De implanteerbare defibrillator

Indicaties en complicaties van de ICD
Stand van zaken
14-11-2013
T.A. (Tim) Simmers en Frank A.L.E. Bracke
  • Het implanteren van een implanteerbare cardioverter-defibrillator (ICD) is geïndiceerd als secundaire preventie van plotse hartdood bij patiënten die een levensbedreigende kamerritmestoornis hebben overleefd die geen omkeerbare of behandelbare oorzaak had.

  • Een ICD is geïndiceerd als primaire preventie van plotse hartdood bij patiënten met een linker-ventrikel-ejectiefractie (LVEF) ≤ 35%.

  • Een biventriculaire ICD is geïndiceerd bij patiënten met hartfalen ≥ klasse II volgens de ‘New York Heart Association’-classificatie, een verbreed QRS-complex en een LVEF ≤ 35%.

  • Richtlijnen maken geen onderscheid tussen man of vrouw of naar leeftijd, maar in de literatuur is er geen bewijs voor sterftereductie door ICD-therapie bij vrouwen en bij patiënten ≥ 70 jaar. Dit is relevant in de discussie over kosteneffectiviteit van de behandeling.

  • Plotse dood komt het vaakst voor bij patiënten met een LVEF ≥ 35%; het effect van ICD’s als primaire preventie is bij hen echter niet onderzocht.

  • De belangrijkste complicaties na ICD-implantatie zijn onterechte ICD-shocks en disfunctioneren van geleiders. Geautomatiseerde thuismonitoring maakt het mogelijk om technische defecten vroegtijdig te signaleren.