Niet-farmacologische behandeling van hartfalen: implanteerbare cardioverter-defibrillator (ICD) en cardiale-resynchronisatietherapie

Klinische praktijk
I.C. van Gelder
M.D. Smit
W. Nieuwland
D.J. van Veldhuisen
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2006;150:2238-44
Abstract
Download PDF

Samenvatting

- Niet-farmacologische behandeling van hartfalen, in het bijzonder een implanteerbare cardioverter-defibrillator (ICD) en cardiale-resynchronisatietherapie ofwel biventriculaire kamerstimulatie, verbetert symptomen en overleving bij patiënten met hartfalen.

- Na een eerdere hartstilstand is een ICD bij veel patiënten met hartfalen geïndiceerd, tenzij er reversibele oorzaken worden aangetoond.

- Geselecteerde patiënten met een linkerventrikelejectiefractie ≤ 35 op basis van ischemische (meer dan 40 dagen na myocardinfarct) of niet-ischemische cardiomyopathie komen in aanmerking voor ICD-implantatie als primaire preventie van acute hartdood.

- Patiënten die ondanks maximaal medicamenteuze therapie ernstige symptomen blijven houden, een linkerventrikelejectiefractie ≤ 35 en een breed QRS-complex hebben, komen in aanmerking voor cardiale-resynchronisatietherapie ter verbetering van symptomen en overleving.

Ned Tijdschr Geneeskd. 2006;150:2238-44

Hartfalen komt steeds meer voor, deels door de vergrijzing van de bevolking, deels door betere behandelingsmogelijkheden van het onderliggend hartlijden. In Nederland zijn er ongeveer 200.000 patiënten met hartfalen (H.J.G.M.Crijns, schriftelijke mededeling, 2002). Nadat de diagnose ‘hartfalen’ gesteld is, moet worden onderzocht wat de oorzaak is. Therapie start met behandeling van de onderliggende (hart)ziekte, voorlichting en het geven van leefregels (dagelijks wegen, zout- en vochtbeperking, voorkómen van overgewicht, bewegen en stoppen met roken). Daarnaast wordt medicamenteuze behandeling gestart, die momenteel bestaat uit angiotensineconverterendenzymremmers, bètablokkers, diuretica, mogelijk digoxine en sinds kort angiotensinereceptorblokkers en aldosteronantagonisten.1

Ondanks deze verbeterde farmacologische therapie heeft hartfalen een slechte prognose. De 5-jaarssterfte is ongeveer 50.1 2 Hoe ernstiger het hartfalen, hoe hoger het risico op sterfte. Het gevaar op plotse dood lijkt vooral aanwezig bij patiënten met matig ernstig hartfalen, terwijl patiënten met de ernstigste symptomen uiteindelijk overlijden aan terminaal pompfalen.3

Er zijn nieuwe niet-farmacologische technieken ontwikkeld die niet alleen de klachten en de kwaliteit van leven verbeteren, maar ook de overleving. Deze technieken betreffen een implanteerbare cardioverterende defibrillator (ICD) en cardiale-resynchronisatietherapie. In dit artikel willen wij de rol van deze nieuwe technieken voor de behandeling van patiënten met hartfalen nader toelichten.

implanteerbare cardioverter-defibrillator

Het plaatsen van ICD’s is primair gericht op het voorkómen van acute hartdood. Een ICD kan gegeven worden voor (a) primaire preventie, indien een patiënt nog niet eerder een hartstilstand heeft gehad, maar daar wel een verhoogd risico op heeft, en (b) secundaire preventie, indien een patiënt een eerdere episode van kamerfibrilleren of -tachycardie heeft gehad.

Secundaire preventie

Secundaire preventie verbetert de overleving tenzij een behandelbare oorzaak aanwezig is of kamerfibrilleren of -tachycardie optreedt ten tijde van een acuut myocardinfarct,4-6 vooral bij patiënten met hartfalen (tabel 1).7 Individuele patiëntgegevens van de ‘Antiarrythmics versus implantable defibrillator’(AVID)-studie,4 de ‘Canadian implantable defibrillator study’ (CIDS),5 en de ‘Cardiac arrest study Hamburg’ (CASH)6 werden tezamen geanalyseerd.7 In deze studies werden patiënten geïncludeerd met voornamelijk coronairlijden (80) en een oud myocardinfarct (70). De gemiddelde ejectiefractie was 34 in AVID en CIDS, maar 45 in CASH. Alleen de grootste studie, te weten het AVID-onderzoek, toonde statistisch significant minder sterfte in vergelijking tot medicamenteuze behandeling (met name amiodaron) aan.

De meta-analyse van deze 3 studies toonde een statistisch significante reductie van het relatieve risico van de totale sterfte van 28 aan bij patiënten behandeld met een ICD versus zij die behandeld werden met amiodaron (zie tabel 1). Voor sterfte ten gevolge van ritmestoornissen was er een relatieverisicoreductie van 50 in het voordeel van de ICD-behandelde patiënten. Dit betekent dat vrijwel iedereen die een levensbedreigende kamerritmestoornis overleefd heeft, in aanmerking komt voor een ICD.

Primaire preventie

Slechts een minderheid van de patiënten overleeft een hartstilstand buiten het ziekenhuis. Daarom is onderzocht of patiënten met een verhoogd risico op plotse dood, maar geen eerdere hartstilstand ook voordeel hebben van een ICD. Gezien de kosten en de complicaties die kunnen optreden, is het cruciaal hoogrisicopatiënten voor deze primairepreventie-indicatie te selecteren.

De eerste studies waarin men dit onderzocht, waren de ‘Multicenter automatic defibrillator implantation trial’ (MADIT) en ‘Multicenter unsustained tachycardia trial’ (MUSTT).11 12 Deze studies toonden aan dat patiënten met coronairlijden, linkerkamerdisfunctie en opwekbare kamerritmestoornissen tijdens elektrofysiologisch onderzoek, een lagere sterfte hebben indien zij profylactisch een ICD krijgen.

Definitief bewijs hiervoor werd vervolgens door 3 recente studies geleverd. In de eerste studie, de ‘Multicenter automatic defibrillator implantation trial II’ (MADIT II) werden ruim 1200 patiënten geïncludeerd, allen met een oud myocardinfarct (90 > 6 maanden tevoren) met als enige risicofactor linkerkamerdisfunctie (linkerventrikelejectiefractie (LVEF) ? 30).8 De studie werd voortijdig, na 20 maanden, beëindigd omdat er een significant verschil was in sterfte tussen beide groepen. Er bleek een significante afname van de totale sterfte te zijn in de met een ICD behandelde groep (relatieverisicoreductie: 31; zie tabel 1). Complicaties bleven beperkt tot geleiderproblemen (1,8) en infectie (0,7).

Opmerkelijk was dat verergering van hartfalen iets vaker vóórkwam in de met een ICD behandelde groep (19,9 versus 14,9; p = 0,09). Naast deze kanttekening zijn er andere punten van kritiek op deze studie. Het voortijdige stoppen kan geleid hebben tot een overschatting van het langetermijneffect van een ICD. Daarnaast werd er voor de implantatie geen coronairangiogram gemaakt. Er werd dus niet gezocht naar behandelbare oorzaken van kamerritmestoornissen (ischemie) of linkerkamerdisfunctie. Dit laatste is overigens een probleem in de meeste studies.

Alhoewel enkele studies in selecte patiëntenpopulaties geen duidelijk positief effect aantonen, onder anderen bij patiënten die een ICD kregen kort (9 en patiënten die een electieve coronairebypassoperatie ondergingen na een oud myocardinfarct en een LVEF ? 35 hadden,13 werden de resultaten van MADIT II in 2 grote studies bevestigd. In de ‘Sudden cardiac death in heart failure trial’ (SCD-HeFT) werd bij ruim 2500 patiënten met matig ernstig hartfalen (70 kortademigheidsklachten bij zware inspanning, 30 bij lichte inspanning) en als enige risicofactor voor plotse dood linkerkamerdisfunctie (LVEF ? 35) eveneens een duidelijke afname van de totale sterfte in de voor ICD gerandomiseerde patiënten gevonden (zie tabel 1).10 De absolute afname in sterfte was 7,2 na 5 jaar. Bovendien toonde deze studie het gunstige effect van primaire preventie aan bij zowel patiënten met ischemisch als patiënten met niet-ischemisch hartfalen.

Dit laatste werd eerder ook gevonden in de derde positieve studie, de COMPANION-studie,14 een kleiner onderzoek waarin de effectiviteit van biventriculaire kamerstimulatie alléén vergeleken werd met biventriculaire stimulatie tezamen met een ICD en met conventionele behandeling bij patiënten met een ernstiger vorm van hartfalen (kortademigheidsklachten bij geringe inspanning of in rust, LVEF ? 35, zie verder).

Complicaties

Ondanks het evident gunstige effect kan een ICD ook leiden tot complicaties, zowel tijdens en direct na de implantatie (tamponnade en nabloeding), alsook veel langer daarna (infectie en onterechte shocks). Onterechte shocks komen voor ondanks verbeteringen van herkenningsparameters in de ICD en zijn meestal het gevolg van boezemfibrilleren met snel volgen of van geleiderproblemen. Deze laatste complicatie wordt tegenwoordig meer gezien, doordat de patiënten langer leven met een ICD. Veelal wordt dan een tweede geleider geïmplanteerd. Dit kan natuurlijk niet eindeloos doorgaan, maar verwijdering van de geleider geeft, ook in ervaren handen, een hoge morbiditeit en sterfte.15 Daarnaast is verergering van hartfalen beschreven, die mogelijk samenhangt met continue kamerstimulatie.16 Dit werd, zoals boven vermeld, wel in de MADIT II-studie gevonden, maar niet in de SCD-HeFT-studie, wellicht doordat in deze laatste studie de geleider in de rechter kamer alleen stimuleerde indien de hartfrequentie

Kosteneffectiviteit

Elke patiënt dient dus vooraf ingelicht te worden over de voor- en de nadelen van een ICD. Veelal weegt het voordeel duidelijk op tegen de kans op complicaties. Bovendien blijkt, ondanks de hoge kosten van ICD’s, dat ze ook voor primaire preventie kosteneffectief zijn.17-19 De kosten per gewonnen levensjaar zijn in verschillende studies ongeveer 40.000 euro. Bovengenoemde studies hebben dan ook geleid tot belangrijke veranderingen in de behandeling van patiënten met hartfalen.1 17 In 2004 werd hier eerder melding van gemaakt in dit tijdschrift.20

Indicaties

Patiënten die een levensbedreigende kamerritmestoornis hebben overleefd, komen in aanmerking voor een ICD, tenzij een behandelbare oorzaak aanwezig is of kamerfibrilleren of -tachycardie optrad ten tijde van een acuut myocardinfarct. Tevens komen patiënten zonder een eerdere hartstilstand met als enige risicofactor linkerkamerdisfunctie (ejectiefractie ? 35) ten gevolge van ischemische (> 40 dagen na een myocardinfarct) of niet-ischemische cardiomyopathie in aanmerking voor een ICD ter preventie van acute hartdood. Vooraf dient onderliggend lijden, inclusief eventuele ischemie, optimaal behandeld te zijn. Deze uitbreiding van de ICD-indicatie heeft natuurlijk gevolgen, zowel voor cardiologen als voor de samenleving. Het aantal van ongeveer 200.000 patiënten met hartfalen groeit elk jaar. Dit betekent dat in de toekomst steeds meer patiënten in aanmerking zullen komen voor (profylactische) implantatie van een ICD. In 2002 werden in Nederland 54 ICD’s per miljoen inwoners geïmplanteerd. Naar verwachting zal dit getal in 2006 waarschijnlijk meer dan 150 zijn, en het zal de komende jaren verder toenemen.

Toekomstig onderzoek dient zich onder andere te richten op een nog betere selectie van patiënten die in aanmerking komen voor profylactische implantatie van een ICD, eenvoudiger, geleiderloze ICD’s voor een geselecteerde groep patiënten (het gaat daarbij om ICD’s die geen geleiders hebben in het hart, maar bijvoorbeeld subcutaan), verbetering van de geleiders en verbeterde technieken om geleiders te verwijderen.

cardiale-resynchronisatietherapie

Een derde van de patiënten met hartfalen heeft een vorm van intraventriculaire geleidingsstoornis, op het ECG zichtbaar als een verbreed QRS-complex (? 120 ms), meestal een linkerbundeltakblok.21 Dit leidt tot elektrische dyssynchronie van de hartkamers en daardoor mechanische dyssynchronie en verergering van hartfalen.22 Cardiale-resynchronisatietherapie (CRT) met behulp van biventriculaire stimulatie (figuur) kan elektrische resynchronisatie bewerkstelligen en hierdoor de ernst van het hartfalen doen afnemen. Implantatie van een biventriculaire pacemaker is lastiger dan een ICD-implantatie, waardoor complicaties vaker voorkomen. Naast de bekende complicaties komen het niet kunnen plaatsen van de linkerkamergeleider en dislocatie daarvan voor. Derhalve is het belangrijk dat degene die biventriculaire pacemakers implanteert, dit vaak genoeg doet om een goede routine te onderhouden. Een biventriculaire pacemaker kan met of zonder ICD geïmplanteerd worden.

Effectiviteit

De eerste studies bij patiënten met linkerkamerdisfunctie (LVEF ? 35), breed QRS-complex en, in tegenstelling tot bovengenoemde ICD-studies, ernstiger symptomatisch hartfalen (kortademigheidsklachten bij geringe inspanning of in rust) bewezen een verbetering van de functionele status, kwaliteit van leven, 6-minutenlooptest en maximale zuurstofopname tijdens inspanning.23-25

De COMPANION-studie was het eerste onderzoek dat aantoonde dat CRT met of zonder ICD de gecombineerde uitkomst van totale sterfte en ziekenhuisopnamen statistisch significant reduceert (tabel 2).14 In deze studie kregen ruim 1500 patiënten met ernstig hartfalen gerandomiseerd optimale medicamenteuze therapie, CRT, of CRT in combinatie met ICD-behandeling. Na een follow-upperiode van 1 jaar was er een relatieverisicoreductie van de gecombineerde primaire uitkomst van 19 in de CRT-groep en 20 in de CRT-ICD-groep (zie tabel 2). De secundaire uitkomst, reductie van totale sterfte, werd alleen significant verlaagd (36 relatieverisicoreductie; hazardratio: 0,64 (95-BI: 0,48-0,86); p = 0,004) door CRT in combinatie met ICD-behandeling, en niet door CRT alleen (relatieverisicoreductie 24; hazardratio: 0,76 (95-BI: 0,58-1,01); p = 0,06). Een belangrijk nadeel van deze studie was dat in de medicatiegroep 26 van de patiënten voortijdig uitviel versus 6 in de CRT-groep en 7 in de CRT-ICD-groep. Desalniettemin was deze studie de eerste die liet zien dat CRT zonder ICD een gunstig effect heeft op symptomen en morbiditeit. Een gunstig effect op sterfte werd niet aangetoond.

Het bleef dus onduidelijk of CRT alleen ook tot een verlaging van de sterfte kan leiden. Dit werd recent door de ‘Cardiac resynchronization-heart failure’(CARE-HF)-studie bewezen (zie tabel 2).26 In het CARE-HF-onderzoek kregen ruim 800 patiënten gerandomiseerd optimale medicamenteuze behandeling of een CRT (zonder ICD) en werden gedurende gemiddeld 29 maanden gevolgd. De primaire uitkomst, totale sterfte en ongeplande opname voor hartproblemen, was significant lager in de CRT-groep (39 versus 55). Ook de secundaire uitkomst, de totale sterfte, was significant lager in de met CRT behandelde groep (20 versus 30). CRT bleek dus niet alleen effectief voor behandeling van klachten van de patiënt met ernstig hartfalen, maar bleek bovendien de totale sterfte te verlagen.

Theoretisch kan de combinatie van CRT met een ICD tot verdere afname van de sterfte leiden, aangezien een deel van de plotse sterfte (in de CARE-HF-studie 35 van de totale sterfte) voorkómen kan worden. Patiënten die zich kwalificeren voor CRT, hebben vaak ook een primairepreventie-indicatie voor een ICD en ontvangen derhalve CRT in combinatie met een ICD.

Prognostische factoren

Circa 30 van de patiënten die behandeld worden met een CRT, toont geen hemodynamische verbetering. Daarom wordt veel onderzoek verricht naar parameters die de kans op een succesvolle CRT kunnen inschatten. Naast de mate van dyssynchronie27 lijken ook de hoeveelheid myocardweefsel dat laat wordt geactiveerd en de hoeveelheid goed functionerend myocard daarin een belangrijke rol te spelen.28

Kosteneffectiviteit

Desondanks is ook CRT-implantatie met of zonder ICD kosteneffectief. De kosten per gewonnen levensjaar waren in de COMPANION- en de CARE-HF-trial lager dan 40.000 euro.29 30 Nog onderzocht wordt of CRT ook voordelen heeft bij patiënten met minder ernstig hartfalen (kortademigheidsklachten bij zware inspanning).

Indicaties

Momenteel komen patiënten met symptomatisch hartfalen, kortademigheidsklachten bij geringe inspanning of in rust, QRS-duur ? 120 ms, ejectiefractie ? 35 in aanmerking voor CRT, mits farmacologische therapie optimaal is ingesteld en onderliggend lijden maximaal behandeld is.1 Aangezien CRT effectief kan zijn door cardiale dyssynchronie op te heffen en omdat momenteel nog steeds 30 van de patiënten behandeld met een CRT geen hemodynamische verbetering laat zien, lijkt, zeker indien het QRS-complex 120-150 ms breed is, aantoonbare dyssynchronie essentieel. Alhoewel implantatie van een biventriculaire pacemaker lastig kan zijn, blijkt in geroutineerde handen het risico op complicaties acceptabel te zijn.21 In Nederland werden in 2005 738 ICD’s in combinatie met een biventriculaire pacemaker en 122 biventriculaire pacemakers alleen geïmplanteerd. Met name het aantal biventriculaire pacemakers in combinatie met een ICD zal de komende jaren sterk toenemen.

conclusie

Niet-farmacologische behandeling van hartfalen neemt een steeds grotere vlucht. In geselecteerde groepen kan behandeling met een ICD en/of een biventriculaire pacemaker zowel de sterfte alsook de klachten van de patiënt verminderen. Medicijnen blijven de hoeksteen van de behandeling van hartfalen en de patiënt dient medicamenteus optimaal ingesteld te zijn alvorens een ICD of biventriculaire pacemaker overwogen wordt.

Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: geen gemeld.

Literatuur
  1. Swedberg K, Cleland J, Dargie H, Drexler H, Follath F, Komajda M, et al. Guidelines for the diagnosis and treatment of chronic heart failure: executive summary (update 2005). The Task Force for the Diagnosis and Treatment of Chronic Heart Failure of the European Society of Cardiology. Eur Heart J. 2005;26:1115-40.

  2. MacIntyre K, Capewell S, Stewart S, Chalmers JW, Boyd J, Finlayson A, et al. Evidence of improving prognosis in heart failure: trends in case fatality in 66 547 patients hospitalized between 1986 and 1995. Circulation. 2000;102:1126-31.

  3. Effect of metoprolol CR/XL in chronic heart failure: Metoprolol CR/XL Randomised Intervention Trial in Congestive Heart Failure (MERIT-HF). Lancet. 1999;353:2001-7.

  4. A comparison of antiarrhythmic-drug therapy with implantable defibrillators in patients resuscitated from near-fatal ventricular arrhythmias. The Antiarrhythmics versus Implantable Defibrillators (AVID) Investigators. N Engl J Med. 1997;337:1576-83.

  5. Connolly SJ, Gent M, Roberts RS, Dorian P, Roy D, Sheldon RS, et al. Canadian implantable defibrillator study (CIDS): a randomized trial of the implantable cardioverter defibrillator against amiodarone. Circulation. 2000;101:1297-302.

  6. Kuck KH, Cappato R, Siebels J, Ruppel R. Randomized comparison of antiarrhythmic drug therapy with implantable defibrillators in patients resuscitated from cardiac arrest: the Cardiac Arrest Study Hamburg (CASH). Circulation. 2000;102:748-54.

  7. Connolly SJ, Hallstrom AP, Cappato R, Schron EB, Kuck KH, Zipes DP, et al. Meta-analysis of the implantable cardioverter defibrillator secondary prevention trials. AVID, CASH and CIDS studies. Antiarrhythmics vs Implantable Defibrillator study. Cardiac Arrest Study Hamburg. Canadian Implantable Defibrillator Study. Eur Heart J. 2000;21:2071-8.

  8. Moss AJ, Zareba W, Hall WJ, Klein H, Wilber DJ, Cannom DS, et al. Prophylactic implantation of a defibrillator in patients with myocardial infarction and reduced ejection fraction. Multicenter Automatic Defibrillator Implantation Trial II Investigators. N Engl J Med. 2002;346:877-83.

  9. Hohnloser SH, Kuck KH, Dorian P, Roberts RS, Hampton JR, Hatala R, et al. Prophylactic use of an implantable cardioverter-defibrillator after acute myocardial infarction. DINAMIT Investigators. N Engl J Med. 2004;351:2481-8.

  10. Bardy GH, Lee KL, Mark DB, Poole JE, Packer DL, Boineau R, et al. Amiodarone or an implantable cardioverter-defibrillator for congestive heart failure. Sudden Cardiac Death in Heart Failure Trial (SCD-HeFT) Investigators. N Engl J Med. 2005;352:225-37.

  11. Moss AJ, Hall WJ, Cannom DS, Daubert JP, Higgins SL, Klein H, et al. Improved survival with an implanted defibrillator in patients with coronary disease at high risk for ventricular arrhythmia. Multicenter Automatic Defibrillator Implantation Trial Investigators. N Engl J Med. 1996;335:1933-40.

  12. Buxton AE, Lee KL, Fisher JD, Josephson ME, Prystowsky EN, Hafley G. A randomized study of the prevention of sudden death in patients with coronary artery disease. Multicenter Unsustained Tachycardia Trial Investigators. N Engl J Med. 1999;341:1882-90.

  13. Bigger jr JT. Prophylactic use of implanted cardiac defibrillators in patients at high risk for ventricular arrhythmias after coronary-artery bypass graft surgery. Coronary Artery Bypass Graft (CABG) Patch Trial Investigators. N Engl J Med. 1997;337:1569-75.

  14. Bristow MR, Saxon LA, Boehmer J, Krueger S, Kass DA, de Marco T, et al. Cardiac-resynchronization therapy with or without an implantable defibrillator in advanced chronic heart failure. Comparison of Medical Therapy, Pacing, and Defibrillation in Heart Failure (COMPANION) Investigators. N Engl J Med. 2004;350:2140-50.

  15. Bracke FA, Meijer A, Gelder LM van. Lead extraction for device related infections: a single-centre experience. Europace. 2004;6:243-7.

  16. Wilkoff BL, Cook JR, Epstein AE, Greene HL, Hallstrom AP, Hsia H, et al. Dual-chamber pacing or ventricular backup pacing in patients with an implantable defibrillator: the Dual Chamber and VVI Implantable Defibrillator (DAVID) Trial. JAMA. 2002;288:3115-23.

  17. Al-Khatib SM, Anstrom KJ, Eisenstein EL, Peterson ED, Jollis JG, Mark DB, et al. Clinical and economic implications of the Multicenter Automatic Defibrillator Implantation Trial-II. Ann Intern Med. 2005;142:593-600.

  18. Sanders GD, Hlatky MA, Owens DK. Cost-effectiveness of implantable cardioverter-defibrillators. N Engl J Med. 2005;353:1471-80.

  19. Mark DB, Nelson CL, Anstrom KJ, Al-Khatib SM, Tsiatis AA, Cowper PA, et al. Cost-effectiveness of defibrillator therapy or amiodarone in chronic stable heart failure: results from the Sudden Cardiac Death in Heart Failure Trial (SCD-HeFT). SCD-HeFT Investigators. Circulation. 2006;114:135-42.

  20. Smeets JLRM. De implanteerbare cardioverterende defibrillator: soms noodzakelijk. Ned Tijdschr Geneeskd. 2004;148:2113-5.

  21. Hemel NM van, Mosterd A. Chronische gelijktijdige stimulatie van beide hartkamers, een nieuwe behandelingsoptie voor ernstig hartfalen. Ned Tijdschr Geneeskd. 2002;146:158-62.

  22. Baldasseroni S, Opasich C, Gorini M, Lucci D, Marchionni N, Marini M, et al. Left bundle-branch block is associated with increased 1-year sudden and total mortality rate in 5517 outpatients with congestive heart failure: a report from the Italian network on congestive heart failure. Italian Network on Congestive Heart Failure Investigators. Am Heart J. 2002;143:398-405.

  23. Cazeau S, Leclercq C, Lavergne T, Walker S, Varma C, Linde C, et al. Effects of multisite biventricular pacing in patients with heart failure and intraventricular conduction delay. N Engl J Med. 2001;344:873-80.

  24. Abraham WT, Fisher WG, Smith AL, Delurgio DB, Leon AR, Loh E, et al. Cardiac resynchronization in chronic heart failure. N Engl J Med. 2002;346:1845-53.

  25. Abraham WT, Young JB, Leon AR, Adler S, Bank AJ, Hall SA, et al. Effects of cardiac resynchronization on disease progression in patients with left ventricular systolic dysfunction, an indication for an implantable cardioverter-defibrillator, and mildly symptomatic chronic heart failure. Circulation. 2004;110:2864-8.

  26. Cleland JG, Daubert JC, Erdmann E, Freemantle N, Gras D, Kappenberger L, et al. The effect of cardiac resynchronization on morbidity and mortality in heart failure. Cardiac Resynchronization-Heart Failure (CARE-HF) Study Investigators. N Engl J Med. 2005;352:1539-49.

  27. Yu CM, Abraham WT, Bax J, Chung E, Fedewa M, Ghio S, et al. Predictors of response to cardiac resynchronization therapy (PROSPECT) – study design. PROSPECT Investigators. Am Heart J. 2005;149:600-5.

  28. Tse HF, Lee KL, Wan SH, Yu Y, Hoersch W, Pastore J, et al. Area of left ventricular regional conduction delay and preserved myocardium predict responses to cardiac resynchronization therapy. J Cardiovasc Electrophysiol. 2005;16:690-5.

  29. Feldman AM, de Lissovoy G, Bristow MR, Saxon LA, de Marco T, Kass DA, et al. Cost effectiveness of cardiac resynchronization therapy in the Comparison of Medical Therapy, Pacing, and Defibrillation in Heart Failure (COMPANION) trial. J Am Coll Cardiol. 2005;46:2311-21.

  30. Calvert MJ, Freemantle N, Yao G, Cleland JG, Billingham L, Daubert JC, et al. Cost-effectiveness of cardiac resynchronization therapy: results from the CARE-HF trial. CARE-HF Investigators. Eur Heart J. 2005;26:2681-8.

Auteursinformatie

Universitair Medisch Centrum Groningen, Postbus 30.001, 9700 RB Groningen.

Afd. Cardiologie: mw.dr.I.C.van Gelder, hr.dr.W.Nieuwland en hr.prof.dr.D.J.van Veldhuisen, cardiologen; mw.drs.M.D.Smit, student geneeskunde.

Contact mw.dr.I.C.van Gelder (i.c.van.gelder@thorax.umcg.nl)

Gerelateerde artikelen

Reacties