Wie wel en wie niet?

Cardiale-resynchronisatietherapie

Klinische praktijk
Mariëlle Kloosterman
Alexander H. Maass
Michiel Rienstra
Isabelle C. Van Gelder
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2017;161:D1142
Abstract
Download PDF

Samenvatting

  • Cardiale-resynchronisatietherapie (CRT) is een behandeling voor patiënten met een verlaagde pompfunctie van het hart (linkerkamerejectiefractie ≤ 35%) en een breed QRS-complex die, ondanks maximaal verdraagbare medicamenteuze behandeling, klachten van hartfalen behouden.
  • Naast het verminderen van klachten kan CRT ook ziekenhuisopnames reduceren en de overleving verbeteren.
  • Selectie van patiënten voor CRT blijft moeilijk. Hoewel we steeds beter in staat zijn om te voorspellen of CRT zal slagen en het succes van deze therapie kunnen beïnvloeden, verbetert 30% van de patiënten met CRT niet.
  • Het optimaliseren van de therapie en het vervolgen van patiënten na implantatie vraagt een geïndividualiseerde multidisciplinaire aanpak.
  • Hartrevalidatie met trainingsprogramma's en leefstijladviezen vergroot het positieve effect van CRT.
Leerdoelen
  • Een patiënt dient de maximaal verdraagbare medicamenteuze behandeling te ontvangen alvorens cardiale-resynchronisatietherapie (CRT) kan worden overwogen.
  • Patiënten komen in aanmerking voor CRT wanneer zij een verminderde pompfunctie van het hart hebben, het QRS-complex op het ecg verbreed is en er sprake is van klinische symptomen van hartfalen.
  • CRT heeft de grootste kans van slagen bij patiënten met een compleet linkerbundeltakblok, terwijl patiënten met een rechterbundeltakblok vaak geen verbetering tonen.
  • Hartrevalidatie na implantatie van de resynchronisatiepacemaker leidt tot verdere verbetering van inspanningsvermogen, kwaliteit van leven en cardiale functie.
  • CRT kan hartfalen niet alleen behandelen maar ook voorkómen, bijvoorbeeld bij patiënten met een verminderde linkerkamerfunctie en een atrioventriculair blok die rechterkamerstimulatie nodig hebben.

Patiënt A, een 60-jarige vrouw, en patiënt B, een 60-jarige man, hebben een slechte linkerkamerfunctie ondanks maximaal verdraagbare medicamenteuze behandeling. Beiden komen bij de cardioloog met toenemende klachten van kortademigheid en vermoeidheid, voornamelijk bij inspanning. Patiënt A is sinds 5 jaar bekend met een dilaterende cardiomyopathie. Op het ecg wordt een QRS-duur van 178 ms gemeten bij een compleet linkerbundeltakblok. Patiënt B heeft 3 jaar geleden een groot hartinfarct doorgemaakt. Het ecg toont bij hem een QRS-duur van 168 ms bij een compleet rechterbundeltakblok. Komen deze patiënten in aanmerking voor cardiale-resynchronisatietherapie? Welke patiënt heeft de grootste kans op een positief effect?

Jaarlijks wordt er naar schatting bij meer dan 26.000 landgenoten de diagnose ‘hartfalen’ gesteld. Door een toename van risicofactoren als hypertensie en diabetes mellitus, in combinatie met vergrijzing van de bevolking en de betere behandelmogelijkheden van onderliggend hartlijden, zal het aantal patiënten met hartfalen toenemen tot bijna een kwart miljoen in 2030 (bron: www.volksgezondheidenzorg.info/onderwerp/hartfalen).

De afgelopen decennia is er veel vooruitgang geboekt op het gebied van de behandeling van hartfalen. Het farmacologische arsenaal is groot en omvat diuretica (symptoomverlichting, geen effect op mortaliteitsrisico), ACE-remmers (~25% relatieve-risicoreductie (RRR) van mortaliteit),1 bètablokkers (~30% RRR van mortaliteit wanneer voorgeschreven in combinatie met ACE-remmers),2 angiotensinereceptorblokkers (~15% RRR op cardiovasculaire dood en ziekenhuisopnames wanneer voorgeschreven met ACE-remmers),3 en mineralocorticoïdreceptorantagonisten (34% RRR op mortaliteit wanneer gebruikt in combinatie met een bètablokker en een ACE-remmer).4 Figuur 1 geeft dit arsenaal schematisch weer.

Sinds kort kan de ACE-remmer worden vervangen door sacubitril/valsartan – een combinatiepreparaat van een angiotensinereceptorblokker en een neprilysineremmer – indien patiënten klachten houden en voldoen aan de criteria van de PARADIGM-studie. Deze combinatie vermindert het risico op overlijden door cardiovasculaire oorzaken met 20% en het risico op ziekenhuisopnames voor hartfalen met 21% in vergelijking met enalapril alleen.1 Desondanks blijft hartfalen een progressieve en dodelijke ziekte. De 5-jaarssterfte ligt rond de 50% en van de patiënten met ernstig hartfalen overlijdt zelfs 1 op de 5 binnen een half jaar.

Een deel van de patiënten die klachten houden, ondanks maximaal verdraagbare medicamenteuze behandeling, komt in aanmerking voor cardiale-resynchronisatietherapie (CRT). Deze techniek wordt ook wel ‘biventriculair stimuleren van het hart’ genoemd (zie info). Wanneer de contractiekracht van het hart afneemt gaat dit bij 30-50% van de patiënten gepaard met een vorm van interventriculaire en intraventriculaire geleidingsstoornissen.5 Dit resulteert in een verbreed QRS-complex, vaak met een linkerbundeltakblok(LBTB)-patroon, en leidt tot abnormale en niet gelijktijdige elektrische activatie van beide hartkamers (interventriculaire geleidingsstoornis) en het niet gelijktijdig contraheren van het linkerventrikel-septum en de laterale wand (intraventriculaire geleidingsstoonissen) met een dissynchroon contractiepatroon als gevolg. CRT kan de synchronie herstellen, de hartfunctie verbeteren en de overlevingskans doen toenemen door het gelijktijdig stimuleren van beide hartkamers met een biventriculaire pacemaker. In dit artikel bespreken wij de huidige rol van CRT bij de behandeling voor hartfalen.

Zoekstrategie

Wij zochten naar wetenschappelijke literatuur in de onlinedatabases PubMed, Embase en de Cochrane Library op: (“cardiac resynchronization therapy” OR “CRT” OR “biventriculair pacing” OR “biventricular pacemaker”) AND (“response” OR “outcome” OR “optimization”). Van Europese richtlijnen en geselecteerde artikelen werden de referentielijsten gescreend. Wij includeerden ook additionele literatuur die wij zelf kenden, als die een bijdrage leverde. De publicaties waar wij in ons artikel aan refereren werden geselecteerd op basis van methodologische kwaliteit en belang voor de Nederlandse praktijk.

Indicatie en doel CRT

Bij patiënten met hartfalen die onvoldoende baat hebben bij de maximaal verdraagbare medicamenteuze behandeling kan behandeling met CRT een optie zijn. Patiënten komen in aanmerking voor CRT wanneer zij aan de volgende 3 criteria voldoen (tabel 1):1

(a) een verminderde pompfunctie van het hart (linkerkamerejectiefractie ≤ 35%);

(b) een verbreed QRS-complex als teken van geleidingsvertraging (≥ 130 ms);

(c) symptomatisch hartfalen (New York Heart Association (NYHA)-klasse ≥ II).

CRT verbetert niet alleen de klachten, maar kan ook leiden tot een betere overleving en een vermindering van het aantal ziekenhuisopnames voor hartfalen (tabel 2).6-12 De eerste studies lieten zien dat CRT, ten opzichte van maximaal verdraagbare medicamenteuze behandeling, leidt tot een verbetering van het inspanningsvermogen, zuurstofopname- en zuurstoftransportfunctie (Vo2max), linkerkamerejectiefractie en kwaliteit van leven.6 De COMPANION-studie was de eerste studie die een RRR van 20% aantoonde op de gecombineerde uitkomstmaat van totale sterfte en ziekenhuisopnames voor hartfalen. De reductie van de totale sterfte was echter alleen statistisch significant bij patiënten die naast CRT ook een implanteerbare cardiale defibrillator (ICD) hadden, de zogenoemde CRT-D-groep (RRR: 36%; hazardratio (HR): 0,64; 95%-BI: 0,48-0,86).7 De studie CARE-HF leverde het bewijs dat CRT op zichzelf al de overleving kan verbeteren (RRR op totale sterfte: 36%; HR: 0,64; 95%-BI: 0,48-0,85).8

Diagnostiek vóór de implantatie

Afhankelijk van de gehanteerde uitkomstmaten ondervindt ongeveer 30% van de patiënten geen verbetering.13 Met behulp van patiëntkenmerken, ecg-parameters en additioneel beeldvormend onderzoek kan tegenwoordig de kans op succesvolle CRT steeds beter worden voorspeld.

QRS-morfologie

Een LBTB-patroon op het ecg is een van de belangrijkste voorspellers voor het al dan niet slagen van CRT (figuur 2). Bij patiënten zonder LBTB heeft CRT een significant slechter effect op de overleving.14 Patiënten met het patroon van een rechterbundeltakblok tonen vaak geen verbetering. In substudies van MADIT-CRT en RAFT namen het aantal ziekenhuisopnames voor hartfalen en de totale sterfte niet af bij patiënten met een rechterbundeltakblok (HR ziekenhuisopname: 0,99; 95%-BI: 0,55-1,79; HR totale sterfte: 0,89; 95%-BI: 0,53-1,49).15

QRS-breedte

Voor CRT geldt in het algemeen: hoe groter de geleidingsvertraging, dus hoe breder het QRS-complex bij een LBTB, des te groter het effect van de behandeling. Het QRS-complex weerspiegelt de voortgang van de activatiegolf door de hartkamers. Normaliter is de duur van het QRS-complex 80-100 ms. Bij een incompleet bundeltakblok is het QRS-complex verbreed tot 100-120 ms; bij een compleet bundeltakblok is het QRS-complex verbreed tot 120 ms of meer.

Post-hocanalyses toonden aan dat een effect van CRT op de totale sterfte en ziekenhuisopnames voor hartfalen vaak pas wordt bereikt vanaf een QRS >150 ms (zie tabel 2). Een grote meta-analyse met individuele patiëntgegevens liet zien dat een effect van CRT op totale sterfte pas wordt bereikt vanaf een QRS-breedte ≥ 126 ms, en voor de gecombineerde uitkomstmaat totale sterfte en ziekenhuisopname voor hartfalen vanaf QRS-breedte ≥ 132 ms (figuur 3).16

Bij patiënten met een QRS onder de 130 ms gaat CRT-D, vergeleken met alleen een ICD, zelfs gepaard met een toegenomen overlijdensrisico.12 Het implanteren van een resynchronisatiepacemaker bij patiënten met een QRS < 130 ms is daarom gecontraindiceerd.1

Etiologie van hartfalen

Patiënten met ischemisch hartfalen – dat wil zeggen: hartfalen op basis van veelal een oud hartinfarct – reageren minder goed op CRT. Verlittekening na een infarct verhindert het welslagen van CRT op 2 manieren: (a) uitgebreide littekenvorming laat onvoldoende gezond hartweefsel over voor effectieve contractie; en (b) stimulatie in littekenweefsel vertraagt de lokale geleiding zodanig dat de activatie van de linkerkamer alsnog langzaam verloopt en resynchronisatie verhinderd wordt.

Cardiale MRI is in staat om de verlittekening van het hart in kaart te brengen bij patiënten met ischemisch hartfalen. De aanwezigheid van een oud hartinfarct in de posterolaterale linkerkamerwand, de voorkeursplek voor de linkerkamerelektrode, is dan ook een voorspeller voor het falen van CRT.17

Man-vrouwverschillen

Vrouwen hebben in vergelijking met mannen andere comorbiditeiten, risicofactoren en reacties op medicatie. Daarnaast hebben vrouwen vaker hartfalen dat niet veroorzaakt wordt door coronairlijden. Hierdoor kunnen vrouwen mogelijk meer profijt hebben van CRT. Toch ontvangen ze minder vaak deze behandeling, waardoor ze ten onrechte worden onderbehandeld. Er moet meer aandacht komen – ook in het onderzoek – voor de verschillen tussen het hart van een man en dat van een vrouw en de bijkomende implicaties voor de behandeling van hartfalen.

Dissynchronie

Er zijn de afgelopen jaren verschillende kwalitatieve echocardiografische en MRI-technieken ontwikkeld die de hartfunctie en de mate van niet-gelijktijdig (dissynchroon) samentrekken van beide hartkamers en het niet gelijktijdig samentrekken van het linkerventrikelseptum en de laterale wand kunnen beoordelen. Zo is er aandacht voor nieuwe maten van dissychronie naast de indirecte QRS-duur. Gestandaardiseerde meetmethoden ontbreken op dit moment, maar wellicht kunnen deze technieken in de toekomst het succes van CRT voor de individuele patiënt beter voorspellen.18 Deze technieken worden in de huidige richtlijnen niet aanbevolen als methode om patiënten te selecteren die voor CRT in aanmerking komen.

Opwaarderen van standaardpacemakers

Het is bekend dat bij een deel van de patiënten stimulatie van de rechterkamer door een pacemaker gepaard kan gaan met hartfalen en een toegenomen kans op ziekenhuisopname. CRT kan bij deze patiëntengroep mogelijk een rol spelen.

In de BLOCK-HF-studie werden 691 patiënten met licht hartfalen en een indicatie voor een pacemaker gerandomiseerd naar CRT of rechterkamerstimulatie; 19% van hen had een eerstegraads atrioventriculairblok met PR > 300 ms, 33% had een tweedegraads atrioventriculairblok, en 48% had een derdegraads atrioventriculairblok. In de groep met CRT bedroeg de RRR van de primaire uitkomstmaat – een combinatie van totale sterfte, ziekenhuisopnames voor hartfalen en afname in linkerkamergrootte – 26%.11 Daarom wordt CRT in plaats van een pacemaker aanbevolen voor patiënten die een verminderde linkerkamerfunctie hebben – ongeacht de symptomen – en een atrioventriculairblok met een indicatie voor rechterkamerstimulatie.1 Patiënten met een conventionele pacemaker en toenemend hartfalen die veel worden gestimuleerd in de rechterkamer, kunnen in aanmerking komen voor een opwaardering van de pacemaker naar CRT, maar het bewijs voor het nut daarvan is minder sterk.1

Behandeling

De implantatie van een resynchronisatiepacemaker vindt plaats onder plaatselijke verdoving en duurt gemiddeld 2 uur. De duur is sterk afhankelijk van hoe gemakkelijk de sinus coronarius kan worden gecanuleerd. De 3 elektroden worden via de V. subclavia of de V. cephalica ingebracht, waarna het toestel onder de huid wordt geplaatst, veelal links onder het sleutelbeen (figuur 4). In Nederland moeten implanteurs minimaal 100 implantaties per 5 jaar uitvoeren. Het aantal nieuwe implantaties ten behoeve van CRT in Nederland is de afgelopen 5 jaar stabiel en schommelde tussen de 130 en 114 per miljoen inwoners per jaar in de periode 2011-2015.19

Als een ervaren implanteur de procedure uitvoert ligt het succespercentage boven de 90%. Het risico op overlijden tijdens het implanteren is laag (0,4%). Elektrodegerelateerde complicaties treden vaker op bij een implantatie ten behoeve van CRT, waarbij 3 elektroden worden geplaatst, dan bij implantatie van een pacemaker of ICD met 1 of 2 elektroden. Gemiddeld ligt het risico op complicaties bij een CRT-implantatie rond de 10%. Zo bestaat er een kans op bloeding (1,0%), infectie (1,2%), een pockethematoom (3,1%), pneumothorax (1,1%), tamponnade (0,3%), en sinus-coronariusdissectie (1,7%) of diafragmastimulatie door prikkeling van de N. phrenicus (2,3%).20

Gewoonlijk wordt de linkerkamerelektrode geplaatst in een coronairvene op de linkerkamerwand die te bereiken is via de sinus coronarius in de rechterboezem (zie figuur 4). De draad wordt gepositioneerd waar de lokale activatie van het hart het laatst plaatsvindt. Tegenwoordig is er een grote verscheidenheid aan implantatiematerialen en elektrodevormen waardoor onder meer stimulatie op verschillende punten van de linkerkamerelektrode kan plaatsvinden. Hierdoor kunnen gebieden met verlittekening of gebieden waar de N. phrenicus wordt gestimuleerd worden vermeden.

Bij 4-10% van de patiënten lukt de implantatie van de linkerkamerelektrode niet door een onstabiele positie van de elektrode, hoge stimulatiedrempels, stimulatie van de N. phrenicus of moeilijke coronaire anatomie. Wanneer het niet mogelijk is om via de endocardiale weg een linkerkamerelektrode te plaatsen, kan worden uitgeweken naar een epicardiale benadering. Daarbij wordt onder algehele narcose via linkslaterale thoracotomie of ‘video-assisted thoracic surgery’ (VATS) toegang tot het hart verkregen, waarna de elektrode op de linkerhartkamer kan worden gehecht of geschroefd.

Nazorg

Na implantatie helpt een multidisciplinaire aanpak van cardioloog, elektrofysioloog, hartfalen- en hartrevalidatieverpleegkundigen en pacemakertechnici met korte communicatielijnen, gezamenlijke besluitvorming en een behandeling die op het individu gericht is om het succes van CRT te verbeteren.21

Verbetering van klachten kan al direct na implantatie merkbaar zijn, maar kan ook pas na enkele maanden optreden. Het volgen van een hartrevalidatieprogramma is een bewezen effectieve methode om de patiënt in een zo goed mogelijke fysieke, sociale, en psychische conditie te brengen. Zo kan de patiënt na de CRT-implantatie met een 3 maanden durend trainingsprogramma zowel de cardiale functie als de spierconditie verder verbeteren.22-24 In combinatie met leefstijladviezen kan hierdoor een zo groot mogelijk effect van CRT worden bereikt en vastgehouden.

Een onderdeel van de nazorg is het bepalen van de klinische effecten van CRT en het optimaliseren van de instellingen van de resynchronisatiepacemaker. Daarnaast moet worden gegarandeerd dat het hart continu biventriculair gestimuleerd wordt, zowel in rust als tijdens inspanning. Als patiënten gemiddeld niet > 98% van de tijd biventriculair worden gestimuleerd, bijvoorbeeld door boezemfibrilleren of extrasystolen uit de hartkamer, worden de potentiële positieve effecten van CRT teniet gedaan.25 Thuis monitoren van het hartritme kan helpen vast te stellen dat het hart onvoldoende biventriculair gestimuleerd wordt; deze vorm van nazorg kan een significante verbetering van klinische uitkomsten geven. In Nederland wordt thuismonitoring op dit moment alleen op indicatie toegepast.

De follow-up van patiënten met CRT heeft nog een belangrijk doel: het optimaliseren van medicatie voor het hartfalen. Door de verbetering van de linkerkamerfunctie kan de dosering van diuretica vaak worden verminderd en kunnen de doseringen van bètablokkers en ACE-remmers worden verhoogd.

Op het moment dat de conditie van de patiënt tijdens de follow-up verslechtert, in het bijzonder wanneer de conditie aanvankelijk verbeterde, moet aan een verlies van optimale biventriculaire stimulatie worden gedacht en dient onderzoek naar de oorzaak van de verslechtering plaats te vinden.

CRT-D in de laatste levensfase

Bij patiënten met een CRT-D die in een fase van palliatieve zorg komen, moet worden nagedacht over de defibrillatorfunctie van het apparaat. Het is verstandig te anticiperen op de mogelijk ongewenste effecten van shocks tijdens het overlijdensproces. Daarom dient de behandelaar de mogelijkheid om de defibrillatorcomponent te deactiveren op diverse momenten in het behandeltraject ter sprake te brengen (bron: www.nvvc.nl/richtlijnen/bestaande-richtlijnen).

Toekomst

Om CRT zo effectief mogelijk toe te passen en het maximale succes van de therapie te bewerkstellingen, doet men op dit moment veel onderzoek naar het verbreden van de kennis en het optimaliseren van behandeling op 3 verschillende punten binnen het CRT-traject: (a) betere patiëntselectie voorafgaand aan de implantatie, (b) positie en soort van de elektroden tijdens implantatie en optimalisatie van de CRT-instellingen, en (c) nazorg, waaronder hartrevalidatie en medicatie na de implantatie.

Wie wel en wie niet?

Patiënten met een compleet linkerbundeltakblok en een breed QRS-complex hebben de grootste kans dat de therapie aanslaat, aangezien de linkerkamerelektrode bij hen wordt gepositioneerd ter plaatse van de laterale linkerkamerwand. Zo heeft patiënt A uit de casus aan het begin van dit artikel – met symptomatisch hartfalen, dilaterende cardiomyopathie en een compleet linkerbundeltakblok – een klasse I-indicatie voor CRT en een grote kans op verbetering na implantatie. Voor patiënt B, die een rechterbundeltakblok en een ischemische cardiomyopathie heeft, is de huidige kans op een geslaagde CRT gering.

Meer inzicht in de betekenis van CRT voor deze patiënten is vereist. Een individuele aanpak waarin aandacht is voor verlittekening en gebieden met late mechanische activatie, gecombineerd met nieuwe technologische ontwikkelingen, andere stimulatiealgoritmes en gerichte elektrodeplaatsing, kunnen de kans op succesvolle therapie in de toekomst wellicht verbeteren.

Conclusie

Cardiale-resynchronisatietherapie is een effectieve therapie voor patiënten met een verlaagde pompfunctie van het hart (linkerkamerejectiefractie ≤ 35%), klachten van hartfalen en een QRS-duur ≥ 130 ms die al de maximaal verdraagbare medicamenteuze behandeling krijgen. CRT verlicht niet alleen symptomen, maar zorgt ook voor minder ziekenhuisopnames en een betere overleving. Het optimaliseren van deze therapie en het vervolgen van patiënten na implantatie vraagt een geïndividualiseerde multidisciplinaire aanpak.

Literatuur
  1. Ponikowski P, Voors AA, Anker SD, et al; Authors/Task Force Members. 2016 ESC Guidelines for the diagnosis and treatment of acute and chronic heart failure. Eur Heart J. 2016;37:2129-200. Medlinedoi:10.1093/eurheartj/ehw128

  2. The Cardiac Insufficiency Bisoprolol Study (CIBIS). CIBIS Investigators and Committees. A randomized trial of beta-blockade in heart failure. Circulation. 1994;90:1765-73. Medlinedoi:10.1161/01.CIR.90.4.1765

  3. McMurray JJ, Ostergren J, Swedberg K, et al; CHARM Investigators and Committees. Effects of candesartan in patients with chronic heart failure and reduced left-ventricular systolic function taking angiotensin-converting-enzyme inhibitors: the CHARM-Added trial. Lancet. 2003;362:767-71. Medlinedoi:10.1016/S0140-6736(03)14283-3

  4. Zannad F, McMurray JJ, Krum H, et al; EMPHASIS-HF Study Group. Eplerenone in patients with systolic heart failure and mild symptoms. N Engl J Med. 2011;364:11-21. Medlinedoi:10.1056/NEJMoa1009492

  5. Ghio S, Constantin C, Klersy C, et al. Interventricular and intraventricular dyssynchrony are common in heart failure patients, regardless of QRS duration. Eur Heart J. 2004;25:571-8. Medlinedoi:10.1016/j.ehj.2003.09.030

  6. Abraham WT, Fisher WG, Smith AL, et al; MIRACLE Study Group. Multicenter InSync Randomized Clinical Evaluation. Cardiac resynchronization in chronic heart failure. N Engl J Med. 2002;346:1845-53. Medlinedoi:10.1056/NEJMoa013168

  7. Bristow MR, Saxon LA, Boehmer J, et al; Comparison of Medical Therapy, Pacing, and Defibrillation in Heart Failure (COMPANION) Investigators. Cardiac-resynchronization therapy with or without an implantable defibrillator in advanced chronic heart failure. N Engl J Med. 2004;350:2140-50. Medlinedoi:10.1056/NEJMoa032423

  8. Cleland JG, Daubert JC, Erdmann E, et al; Cardiac Resynchronization-Heart Failure (CARE-HF) Study Investigators. The effect of cardiac resynchronization on morbidity and mortality in heart failure. N Engl J Med. 2005;352:1539-49. Medlinedoi:10.1056/NEJMoa050496

  9. Moss AJ, Hall WJ, Cannom DS, et al; MADIT-CRT Trial Investigators. Cardiac-resynchronization therapy for the prevention of heart-failure events. N Engl J Med. 2009;361:1329-38. Medlinedoi:10.1056/NEJMoa0906431

  10. Tang AS, Wells GA, Talajic M, et al; Resynchronization-Defibrillation for Ambulatory Heart Failure Trial Investigators. Cardiac-resynchronization therapy for mild-to-moderate heart failure. N Engl J Med. 2010;363:2385-95. Medlinedoi:10.1056/NEJMoa1009540

  11. Curtis AB, Worley SJ, Adamson PB, et al; Biventricular versus Right Ventricular Pacing in Heart Failure Patients with Atrioventricular Block (BLOCK HF) Trial Investigators. Biventricular pacing for atrioventricular block and systolic dysfunction. N Engl J Med. 2013;368:1585-93. Medlinedoi:10.1056/NEJMoa1210356

  12. Ruschitzka F, Abraham WT, Singh JP, et al; EchoCRT Study Group. Cardiac-resynchronization therapy in heart failure with a narrow QRS complex. N Engl J Med. 2013;369:1395-405. Medlinedoi:10.1056/NEJMoa1306687

  13. Daubert JC, Saxon L, Adamson PB, et al. 2012 EHRA/HRS expert consensus statement on cardiac resynchronization therapy in heart failure: implant and follow-up recommendations and management. Europace. 2012;14:1236-86. Medlinedoi:10.1093/europace/eus222

  14. Poole JE, Singh JP, Birgersdotter-Green U. QRS duration or QRS morphology: what really matters in cardiac resynchronization therapy? J Am Coll Cardiol. 2016;67:1104-17. Medlinedoi:10.1016/j.jacc.2015.12.039

  15. Sipahi I, Chou JC, Hyden M, Rowland DY, Simon DI, Fang JC. Effect of QRS morphology on clinical event reduction with cardiac resynchronization therapy: meta-analysis of randomized controlled trials. Am Heart J. 2012;163:260-7.e3. Medlinedoi:10.1016/j.ahj.2011.11.014

  16. Cleland JG, Abraham WT, Linde C, et al. An individual patient meta-analysis of five randomized trials assessing the effects of cardiac resynchronization therapy on morbidity and mortality in patients with symptomatic heart failure. Eur Heart J. 2013;34:3547-56. Medlinedoi:10.1093/eurheartj/eht290

  17. Bleeker GB, Kaandorp TA, Lamb HJ, et al. Effect of posterolateral scar tissue on clinical and echocardiographic improvement after cardiac resynchronization therapy. Circulation. 2006;113:969-76. Medlinedoi:10.1161/CIRCULATIONAHA.105.543678

  18. Chung ES, Leon AR, Tavazzi L, et al. Results of the Predictors of Response to CRT (PROSPECT) trial. Circulation. 2008;117:2608-16. Medlinedoi:10.1161/CIRCULATIONAHA.107.743120

  19. Raatikainen MJ, Arnar DO, Merkely B, Camm AJ, Hindricks G. Access to and clinical use of cardiac implantable electronic devices and interventional electrophysiological procedures in the European Society of Cardiology Countries: 2016 Report from the European Heart Rhythm Association. Europace. 2016;18(Suppl 3):iii1-79. Medlinedoi:10.1093/europace/euw244

  20. Bogale N, Witte K, Priori S, et al; Scientific Committee, National coordinators and the investigators. The European Cardiac Resynchronization Therapy Survey: comparison of outcomes between de novo cardiac resynchronization therapy implantations and upgrades. Eur J Heart Fail. 2011;13:974-83. Medlinedoi:10.1093/eurjhf/hfr085

  21. Altman RK, Parks KA, Schlett CL, et al. Multidisciplinary care of patients receiving cardiac resynchronization therapy is associated with improved clinical outcomes. Eur Heart J. 2012;33:2181-8. Medlinedoi:10.1093/eurheartj/ehs107

  22. Patwala AY, Woods PR, Sharp L, Goldspink DF, Tan LB, Wright DJ. Maximizing patient benefit from cardiac resynchronization therapy with the addition of structured exercise training: a randomized controlled study. J Am Coll Cardiol. 2009;53:2332-9. Medlinedoi:10.1016/j.jacc.2009.02.063

  23. Brügemann J, Gerds-Ploeger HZ. Een nieuwe impuls voor hartrevalidatie. Ned Tijdschr Geneeskd. 2015;159:A9409 Medline.

  24. Brügemann J, Edel JP, Zijlstra F. Klinische hartrevalidatie. Ned Tijdschr Geneeskd. 2010;154:A1352 Medline.

  25. Kloosterman M, Maass AH, Rienstra M, Van Gelder IC. Atrial fibrillation during cardiac resynchronization therapy. Card Electrophysiol Clin. 2015;7:735-48. Medlinedoi:10.1016/j.ccep.2015.08.005

Auteursinformatie

Rijksuniversiteit Groningen, Universitair Medisch Centrum Groningen, afd. Cardiologie, Groningen.

M. Kloosterman, promovenda; dr. A.H. Maass, dr. M. Rienstra en prof.dr. I.C. Van Gelder, cardiologen.

Contact prof.dr. I.C. Van Gelder (i.c.van.gelder@umcg.nl)

Belangenverstrengeling

Belangenconflict en financiële ondersteuning: dr. Maass ontving persoonlijke financiële vergoedingen van Medtronic en LivaNova tijdens het onderzoek. ICMJE-formulieren met de belangenverklaring van de auteurs zijn online beschikbaar bij dit artikel.

Auteur Belangenverstrengeling
Mariëlle Kloosterman ICMJE-formulier
Alexander H. Maass ICMJE-formulier
Michiel Rienstra ICMJE-formulier
Isabelle C. Van Gelder ICMJE-formulier
Uitlegkader

Gerelateerde artikelen

Reacties