Bewegingsziekte

Klinische praktijk
W.J. Oosterveld
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1989;133:2430-3
Download PDF

Inleiding

Klachten en symptomen die ontstaan als de mens onderworpen wordt aan ongebruikelijke bewegingspatronen, worden samengevat onder de term bewegingsziekte of kinetose. Dergelijke bewegingspatronen kunnen worden opgedrongen door allerlei vervoermiddelen, zo verschillend als vliegtuigen en kamelen, maar ook door laboratoriumapparatuur, zoals draaistoelen en voor mensen geschikte centrifuges.

De wetenschappelijke geschiedenis van bewegingsziekte is kleurrijk en bevat behalve anekdotische verhalen over een zeezieke admiraal Nelson, een onbruikbaar geworden dromedariskorps van Napoleon en de collectieve braakpartijen bij de landingen in Normandië, zeer uiteenlopende verklaringen. Verschillende vormen van bewegingsziekte zijn:

– Zeeziekte. De reis per schip tussen Europa en Amerika is nooit een aantrekkelijke aangelegenheid geweest, vooral omdat atmosferische depressies dezelfde route plegen te volgen.

– Luchtziekte. Bij vliegeropleidingen, vooral de militaire, is luchtziekte één van de belangrijkste redenen voor afkeuring.

– Ruimteziekte. De bemande ruimtevluchten brachten aan het licht dat bewegingsziekte ook in gewichtloosheid kan ontstaan. Meer dan de helft van de astronauten heeft er last van gehad.1 Ruimteziekte toont grote overeenkomsten met andere vormen van bewegingsziekte ten aanzien van de symptomen, maar verschilt ten aanzien van de eigenlijke oorzaak, namelijk de afwezigheid van een persistent lineair acceleratiepatroon. Ruimteziekte heeft als kenmerken een verhoogde gevoeligheid voor bewegingen en vooral voor hoofdbewegingen, hoofdpijn, algeheel onwel bevinden, sloomheid, misselijkheid, verlies van eetlust en soms braken.2-4 Tijdens ruimtevluchten ontstaan deze verschijnselen meestal binnen 6 uur na de start, maar in enkele gevallen pas na 2 dagen.1 Geleidelijke vermindering van klachten, soms met kortdurende verergeringen, beslaat in de meeste gevallen een periode van hoogstens 4 dagen. Het veelvuldig voorkomen van ruimteziekte heeft als gevolg gehad dat tijdens ruimtereizen de grotere activiteiten pas na de 3e dag verricht worden om een zo groot mogelijke zekerheid te hebben over een goede lichamelijke toestand van de astronauten. Zolang geen goede maatregelen ter voorkoming van ruimteziekte bekend zijn, heeft een ruimtereis van minder dan 4 dagen weinig zin, als van de bemanning belangrijke activiteiten worden verwacht. Overigens kan ruimteziekte ook een storende factor zijn bij ruimtereizen van 5 tot 10 dagen, aangezien astronauten dan toch een belangrijk deel van hun taak niet kunnen vervullen.5

Symptomen

De verschijnselen van bewegingsziekte kunnen worden onderscheiden in:

– vegetatieve verschijnselen, zoals misselijkheid, zweterigheid, afwisselend koud en warm worden, en soms braken, waardoor een algeheel onwel bevinden ontstaat;

– psychologische verschijnselen, samen te vatten als afstand nemen van de gebruikelijke interesses, depersonalisatie, verminderde aandacht voor bezigheden en gestoord denkpatroon, namelijk een relativering van de gebruikelijke opvattingen over de zin van het bestaan.

De symptomen kunnen in ernst zeer uiteenlopen. De geringste vorm van bewegingsziekte is het ‘sopite-syndroom’, dat symptomen omvat zoals geeuwerigheid, afgenomen werklust en een zekere mate van desinteresse in het dagelijkse gebeuren.6 In omstandigheden waarin een grote mate van oplettendheid gewenst is, kan het sopite-syndroom zeer storend zijn.

Oorzaken

De Tweede Wereldoorlog droeg ertoe bij dat er meer onderzoek naar het voorkómen van zeeziekte gedaan werd, omdat aan de effectiviteit van landingsoperaties van zeestrijdkrachten soms in belangrijke mate afbreuk werd gedaan door het feit dat velen zeeziek waren. Het programma voor de bemande ruimtevluchten waarmee na 1950 begonnen werd, was eveneens een grote stimulans voor het verrichten van wetenschappelijk onderzoek van bewegingsziekte.

Theorieën over het ontstaan van zeeziekte hebben elkaar nogal eens afgewisseld. Dat bewegingspatronen hierbij belangrijk zijn, was reeds in de Oudheid bekend. Pas aan het einde van de vorige eeuw werd men zich bewust van de mogelijke betekenis van het evenwichtssysteem voor deze ziekte.7 Tot 1960 heerste de opvatting dat overprikkeling van het vestibulaire systeem de oorzaak van zeeziekte was: het adaptatievermogen zou het bij te sterke prikkeling laten afweten. Later leek de zintuigconflicttheorie een waarschijnlijker verklaring te geven.8 Hierbij is het uitgangspunt dat informatie afkomstig van verschillende bronnen, zoals evenwichtsorganen, gezicht en proprioceptoren, niet in overeenstemming is. Waarom er in dat geval een syndroom ontstaat met eerder genoemde verschijnselen is nog niet opgehelderd. Overigens is het vestibulaire systeem niet de enige factor in het ontstaan van bewegingsziekte.

VÓÓrkomen en verloop

Er zijn behalve de mens weinig diersoorten gevoelig voor bewegingsziekte: honden, katten, enkele knaagdiersoorten en sommige apen. Voor de mens lijkt de enige voorwaarde een intact evenwichtsorgaan te zijn: zonder labyrint blijkt men niet gevoelig voor bewegingsziekte te zijn. De individuele gevoeligheid wisselt sterk: ook de meest geharde en ervaren zeerob is snel zeeziek te maken met behulp van laboratoriumapparatuur. Niet de sterkte van de bewegingsprikkel, maar de ongebruikelijke combinatie van draaiversnellingen en rechtlijnige versnellingen is verantwoordelijk voor het ontstaan van ‘zeeziekte’. Bij de individuele mens kan de gevoeligheid in de tijd bovendien nogal eens wisselen en afhankelijk zijn van o.a. vermoeidheid, samenstelling van voorafgaande maaltijden en drankgebruik.

Kinderen jonger dan 2 jaar zijn doorgaans ongevoelig voor bewegingsziekte, hun reactie in een bewegend vervoermiddel beperkt zich meestal tot in slaap vallen. Bij kinderen in de leeftijdsgroep van 2-12 jaar is de gevoeligheid sterk toegenomen, maar op latere leeftijd neemt de gevoeligheid af. Deze afneming betekent dat bijvoorbeeld 17-19-jarigen tweemaal zoveel kans hebben op bewegingsziekte dan 30-40-jarigen.1011 Boven de 50 jaar wordt bewegingsziekte veel moeilijker opgewekt. Vrouwen zijn gevoeliger dan mannen. Ook is bij vrouwen tijdens de menstruatie en de zwangerschap de gevoeligheid toegenomen, hetgeen het bestaan van een hormonale factor in het gevoeligheidsmechanisme doet vermoeden.812

De symptomen van bewegingsziekte ontstaan meestal geleidelijk. Eerst wat geeuwerigheid en ongeïnteresseerdheid, vervolgens een onwel voelen dat in ernst toeneemt, en uiteindelijk misselijkheid en braken. Het is opvallend dat de zieken er wasbleek uit kunnen gaan zien. Graybiel et al. ontwierpen een puntenschaal waarmee de opbouw in ziekteverschijnselen kan worden weergegeven.13

Soms wordt bewegingsziekte zeer snel opgewekt, hetgeen vooral bij paraboolvluchten14 en bij ruimtevluchten voorkomt.1516 Ook komt het voor dat bewegingsziekte ontstaat als de prikkelende periode al voorbij is, dus na afloop van een zeereis of een autorit. Dit fenomeen wordt ‘mal de débarquement’ genoemd.17

Er is nog geen goede verklaring voor het ontstaan van bewegingsziekte. Wel zijn er de genoemde theorieën, maar geen ervan bestrijkt het eigenlijke fysiologische werkingsmechanisme. Er zijn aanwijzingen dat tijdens de ziekte bepaalde stoffen in de liquor cerebrospinalis worden afgescheiden. Blokkering van de liquorverbinding tussen 3e en 4e ventrikel bleek bij katten bewegingsziekte te voorkomen.1819 Het syndroom bewegingsziekte is een normale fysiologische reactie op een prikkel die het evenwichtsorgaan wordt aangeboden en die als ‘onaangenaam’ of ‘gevaarlijk’ wordt gesignaleerd. Overeenkomstige reacties komen voor bij prikkeling van andere zintuigen zoals smaak, reuk en gezicht, hoewel de reacties doorgaans iets minder ernstig zijn. Een enorme stank bijvoorbeeld kan een vegetatief symptomencomplex veroorzaken dat identiek is aan datgene wat bij bewegingsziekte wordt aangetroffen. Filmbeelden kunnen zodanige illusies opwekken dat de bioscoopbezoeker misselijk wordt.

De behandeling van bewegingsziekte moet in de preventieve sfeer worden gezocht. Adaptatietraining biedt bescherming, hoewel volledige overdracht van adaptatie tussen verschillende prikkelcondities niet of nauwelijks voorkomt. Gewenning aan zeeziekte biedt geen zekere bescherming tegen wagenziekte: ondanks ongevoeligheid voor de Noordzeedeining kan een zeiltocht op het IJsselmeer een neurovegetatief hoogstandje worden. Er wordt echter wel een basis van bescherming gelegd, want de gewenning aan een andere vorm van bewegingsziekte duurt veel korter.20

Voorspelbaarheid van gevoeligheid

Bij vliegeropleidingen bestaat de wens gevoeligheid voor luchtziekte van kandidaten te voorspellen met behulp van laboratoriumapparatuur. Deze voorspelbaarheid werd door Krijger bepaald met behulp van cupulometrie, waarbij de draaisensaties werden bepaald van personen die op een draaistoel werden geroteerd en vervolgens werden gestopt.21 Voor zeeziekte zeer gevoelige mensen zouden met deze methode volgens Van Egmond et al. ook een sterker reactiepatroon tonen.22 Later onderzoek kon deze bevindingen echter niet bevestigen.23-25

Ten aanzien van de gevoeligheid voor bewegingsziekte kan gesteld worden dat van de normale bevolking 70 in lichte mate gevoelig is, 25 gevoelig en 5 zeer gevoelig. De laatste groep heeft groter moeilijkheden met gewenning; sommigen kunnen niet of nauwelijks wennen aan ongebruikelijke bewegingen. Door de periode te meten waarin een persoon op een roterende draaistoel hoofdbewegingen moet maken, is het mogelijk een verschil in gevoeligheid tussen individuen en bij één individu vast te stellen.26 Hoewel deze methode goed te gebruiken is om de gevoeligheid voor bewegingsziekte te bepalen en te verlagen,21 is de bruikbaarheid beperkt door de omvang van de apparatuur en de omslachtigheid van de te verrichten meting. Met betrekking tot de voorspelbaarheid van de gevoeligheid voor ruimteziekte is met een combinatie van verschillende onderzoeksmethoden wel enig resultaat te bereiken, maar volstrekte zekerheid zal ook hiermee niet verkregen worden.27

Behandeling

De preventie en de behandeling van bewegingsziekte beperken zich tot het geven van farmacotherapie. De afneming van passagiersvervoer over zee, vooral op routes over de Noordelijke Atlantische Oceaan, het op grote hoogte vliegen met grotere vliegtuigen en de aanleg van steeds meer rechte, geasfalteerde autowegen zijn factoren die het ontstaan van bewegingsziekte voorkomen.

De gangbare behandeling van bewegingsziekte is vóór het beginnen van een reis een middel in te nemen dat de gevoeligheid zou verminderen. Als men onverwacht in een situatie komt waarin bewegingsziekte zou kunnen ontstaan, is preventie te laat, als men snel begint te braken. Geen enkel geneesmiddel biedt voldoende bescherming. Enkele geneesmiddelen zoals cinnarizine, cyclizine, domperidon en meclozine hebben bij dubbelblinde onderzoekingen echter wel enige werking bewezen. Veel van de gebruikte geneesmiddelen bevatten cinnarizine.2829 Bij een goede toepassing van dit middel is echter slaperigheid een bijwerking. Scopolaminepleisters die achter het oor moeten worden aangebracht, hebben soms een goede werking, maar zijn door de bijwerkingen niet bruikbaar.30 De opname van scopolamine door de huid gebeurt niet regelmatig, waardoor werking en bijwerkingen onvoorspelbaar zijn. De alternatieve geneeswijzen bieden vele verschillende bewegingsziektebestrijdende methoden die alle soms goed werken; het dragen van een watje in het linker oor bij rechtshandigen, en van armbanden en polsbanden met een drukpunt, maar ook het bevestigen van antistatische strips aan auto's wordt door fervente aanhangers bepleit. Het is een van de gebieden van de geneeskunde waar het geloof meer dan een troostende rol vervult.

Literatuur
  1. Thornton WE, Moore TP, Pool SL, Vanderploeg J. Clinicalcharacterization and etiology of space motion sickness. Aviat Space EnvironMed 1987; 58: A1-8.

  2. Matsnev EI, Yakovleva IY, Tarasov IK, et al. Space motionsickness: phenomenology, countermeasures, and mechanisms. Aviat Space EnvironMed 1983; 54: 312-7.

  3. Nicogossian AE, Parker JF, eds. Space physiology andmedicine. Washington D.C.: U.S. Government Printing Office, 1982: 141-55.NASA SP:; 447.

  4. Vanderploeg JM, Stewart DF, Davis JR. Space motionsickness. Proceedings of the 2nd International Conference on SpacePhysiology, Toulouse, France, 1985: 137-42.

  5. Davis JR, Vanderploeg JM, Santy PA, Jennings RT, StewartDF. Space motion sickness during 24 flights of the space shuttle. Aviat SpaceEnviron Med 1988; 59: 1185-9.

  6. Graybiel A, Knepton J. Sopite syndrome: a sometimes solemanifestation of motion sickness. Aviat Space Environ Med 1976; 47:873-82.

  7. Reason JT, Brand JJ, eds. Motion sickness. London:Academic Press, 1975.

  8. Brooks M. The etiology of seasickness. Med Rec NY 1939;150: 23-6.

  9. Money KE. Motion sickness. Physiol Rev 1970; 50:1-39.

  10. Chinn H, Smith PK. The new therapy of motion sickness.Pharmacol Rev 1955; 7: 33-82.

  11. Lederer LG, Kidera GJ. Passenger comfort in commercialair travel with reference to motion sickness. Int Med 1954; 167:661-8.

  12. Schwab RS. The nonlabyrinthine causes of motion sickness.Int Rec Med 1954; 167: 631-7.

  13. Graybiel A, Wood CD, Miller EF, Cramer DB. Diagnosticcriteria for grading the severity of acute motion sickness. Aerospace Med1968; 39: 453-5.

  14. Lackner JR, Graybiel A. Head movements in nonterrestrialforce environments elicit motion sickness: implications for the etiology ofspace motion sickness. Aviat Space Environ Med 1986; 57: 443-8.

  15. Homick JL. Space motion sickness. Acta Astronautica 1979;6: 1259-72.

  16. Lackner JR, Graybiel A. Sudden emesis following parabolicflight maneuvers: implications for space motion sickness. Aviat Space EnvironMed 1986; 57: 343-7.

  17. Brown JJ, Baloh RW. Persistent mal de debarquementsyndrome: a motion-induced subjective disorder of balance. Am J Otolaryngol1987; 8: 219-22.

  18. Crampton HG, Daunton NG. Evidence for a motion sicknessagent in cerebrospinal fluid. Brain Behav Evol 1983; 23: 36-41.

  19. Treisman M. Motion sickness: an evolutionary hypothesis.Science 1977; 197: 493.

  20. Cramer DB, Graybiel A, Oosterveld WJ. Successful transferof adaptation acquired in a slow rotation room to motion environments in navyflight training. Acta Otolaryngol (Stockh) 1978; 85: 74.

  21. Krijger MWW. De betekenis van het evenwichtsorgaan voorde vlieger. Utrecht, 1954. Proefschrift.

  22. Egmond AA van, Groen JJ, Wit G de. The selection ofmotion sickness susceptible individuals. Int Rec Med 1954; 167:651-60.

  23. Mann CW, Canella CJ. An examination of the technique ofcupulometry. Joint Project Report nr. 42. Pensacola, Fla.: Naval School ofAviation Medicine, 1956.

  24. Dobie TG. Airsickness in aircrew. AGARDograph nr 177.London: Technical Editing and Reproduction, 1974.

  25. Reason JT. An investigation of some factors contributingto individual variation in motion sickness susceptibility. Flying PersonnelRes Comm Rep Nr 1277. London: Ministry of Defence (Air Force Dept.),1967.

  26. Graybiel A, Wood CD, Miller EF, Cramer DB. Diagnosticcriteria for grading the severity of acute motion sickness. Aerospace Med1968; 39: 453-5.

  27. Calkins DS, Reschke MF, Kennedy RS, Dunlop WP.Reliability to provocative tests of motion sickness susceptibility. AviatSpace Environ Med 1987; 58: A50-4.

  28. Oosterveld WJ. The combined effect of cinnarizine anddomperidone on vestibulair susceptibility. Aviat Space Environ Med 1987; 58:218-23.

  29. Oosterveld WJ. De werkzaamheid van twee middelen tegenzeeziekte, beoordeeld naar hun effect op de vestibulaire oogbewegingen.Ned Tijdschr Geneeskd 1965; 109:844-8.

  30. How J, Pheng-Soon L, Lip-Chai S, Peng-Kok T. The Republicof Singapore Navy's scopodern TTS study: results after 2,200 man-days atsea. Aviat Space Environ Med 1988; 59: 646-50.

Auteursinformatie

Academisch Medisch Centrum, afd. Keel-, Neus- en Oorheelkunde, Meibergdreef 9, 1105 AZ Amsterdam.

Prof. dr.W.J.Oosterveld, KNO-arts.

Gerelateerde artikelen

Reacties