Medische aspecten van de ruimtevaart

Klinische praktijk
J.H.A. Dambrink
W. Wieling
J.M. Karemaker
J.R. Krol
W.J. Oosterveld
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1989;133:395-5
Download PDF

Zie ook het artikel op bl. 392.

De mens heeft maar weinig mogelijkheden om zich aan te passen aan ongebruikelijke levensomstandigheden. Luchtdruk, zuurstofgehalte van de lucht en omgevingstemperatuur moeten binnen relatief nauwe grenzen blijven. Het verblijf van de mens, als landdier, in de ruimte is pas mogelijk geworden, sinds er technische voorzieningen zijn waarmee een microklimaat wordt gecreëerd dat de aardse situatie zo goed mogelijk benadert. Wanneer een ruimtevaartuig in een baan om de aarde cirkelt met hoge snelheid, ontstaat een middelpuntvliedende kracht die de zwaartekracht vrijwel nivelleert. Deze situatie wordt micrograviteit genoemd.12 In een ruimtevaartuig zijn de klimatologische omstandigheden volledig beheersbaar, de zwaartekracht onttrekt zich echter aan elke bruikbare vorm van simulatie. Het ontbreken van de zwaartekracht heeft bij de mens belangrijke effecten op het evenwichtstelsel, het motorische systeem, de mineralenstofwisseling en het cardiovasculaire stelsel.

Bij langdurig verblijf in de ruimte in een kleine geïsoleerde omgeving, spelen voedings- en sanitaire aspecten, psychische effecten en de gevolgen van kosmische straling in toenemende mate een rol.1-3 In dit artikel worden de voornaamste gevolgen van een verblijf in de ruimte beschreven.

Effecten op korte termijn

Evenwichtstelsel

Complexe sensorische informatie vanuit het vestibulaire apparaat, het visuele systeem en de proprioceptieve berichtgeving vanuit huid, pezen, banden, spieren en gewrichten stellen de mens in staat zijn motorische activiteiten gedeeltelijk als reflex uit te voeren, waardoor houding en beweging nauwkeurig beheersbaar zijn. Van de hierbij betrokken systemen zijn er twee die rechtstreeks door de zwaartekracht worden beïnvloed:

– De proprioceptieve receptoren, en vooral die in de onderste extremiteiten, omdat zij onderhevig zijn aan de druk veroorzaakt door het lichaamsgewicht.

– Het otolietensysteem dat te zamen met de halfcirkelvormige kanalen het evenwichtsorgaan vormt.

Plotselinge hoofdbewegingen geven in gewichtloosheid een prikkel aan otolieten en kanalen die aanzienlijk verschilt van het ervaringspatroon onder aardse omstandigheden. Deze conflictsituatie geeft aanleiding tot storende illusies met een sensatie van zweven, vallen of draaiing bij plotselinge hoofdbewegingen en symptomen van ruimteziekte zoals bleekheid, algeheel onwel bevinden, apathie, misselijkheid en zelfs braken. Deze symptomen zijn een direct gevolg van bewegingen die astronauten maken in gewichtloze toestand.12

Ieder lid van de bemanning van een ruimtevaartuig heeft een speciale taak. Wanneer derhalve een bemanningslid uitvalt door ruimteziekte dan betekent dit dat werktijd verloren gaat. Hoewel de bemanning ervaring heeft met vliegen en voorts goed getraind is, treden ook bij circa 50 van hen gedurende de eerste twee dagen verschijnselen van ruimteziekte op.4-7 Ruimteziekte is een belangrijker probleem geworden sinds de bewegingsmogelijkheid in ruimtevaartuigen is toegenomen. Men had in de Mercury-capsules 1,3 m³ per persoon ter beschikking tegen 100 m³ in de Salyut.17

Bewegingsziekte op aarde wordt vooral veroorzaakt door misleidende kanaalstimulatie. In de ruimte is het vooral de verandering in de otolietenstimulatie die verwarrend werkt. Hieruit kan verklaard worden dat de gevoeligheid van astronauten voor zeeziekte en voor ruimteziekte niet goed correleren.8-10 Een andere aanwijzing dat ruimteziekte etiologisch verschilt van aardse bewegingsziekte is, dat sommige astronauten die nauwelijks gevoelig waren voor bewegingsziekte, toch zeer gevoelig voor ruimteziekte blijken te zijn.1112 Het vestibulaire systeem past zich aan de toestand van gewichtloosheid aan. Dit kon worden aangetoond tijdens de Skylab-vluchten: gedurende de eerste dagen in de ruimte gelukte het de astronauten ziek te maken door ze te onderwerpen aan draaistoelproeven. Herhaling, enkele dagen later, veroorzaakte geen ziekteverschijnselen meer.1

Vooralsnog kan men ruimteziekte niet voorkomen. Adaptatietraining kan de ernst echter wel wat verminderen.12-14 Men kan de symptomen van ruimteziekte bestrijden met farmaca. In de V.S. gaat de voorkeur uit naar 0,3-0,6 mg scopolamine in combinatie met 5-10 mg dexamfetamine.15 Gelukkig is ruimteziekte een zelfbeperkende ziekte: na enkele dagen zijn de meeste astronauten tegen het bewegen in een gewichtloze toestand bestand.112 Echter, tijdens terugkeer naar de aarde en daarna kan ook weer ruimteziekte ontstaan als gevolg van vaartvermindering en terugkeer naar normale zwaartekrachtomstandigheden.4

Cardiovasculair stelsel

Wanneer iemand op aarde vanuit een liggende houding gaat staan, verplaatst zich onder invloed van de zwaartekracht van 1 g, ongeveer 0,5 1 bloed naar de onderste lichaamshelft.16 Tijdens de start van een ruimtevlucht kan de extra G-belasting gedurende enkele tientallen seconden oplopen tot 7 G (Apollo-vluchten) en zo tot een veel sterkere verplaatsing van bloed aanleiding geven. Bij de Space Shuttle-vluchten is dit probleem ten dele opgelost doordat de acceleratie niet boven de 3 G uitkomt. Voorts bevindt de astronaut zich tijdens de start – in zijn stoel gezeten in een rechtopstaande shuttle – loodrecht ten opzichte van de G-krachten,4 en doorstaat zo de maximale belasting in voor-achterwaartse richting. Hierbij is de G-component in de hoofd-voetrichting, die verantwoordelijk is voor de verplaatsing van bloed, nog geringer. Tijdens de terugkeer naar de aarde is de G-kracht kleiner (1,2 G), maar houdt langer aan. Er kan worden volstaan met de zittende houding. Men laat de astronauten een ‘G-pak’ dragen tijdens deze kritische fase van de vlucht, om excessieve ophoping (pooling) van bloed in buik en benen te voorkomen.616

Hoewel de zwaartekracht het gehele vaatsysteem beïnvloedt, berust de mate van effect op de houding van het lichaam. Zo is bij de staande mens de gemiddelde arteriële druk op hartniveau 100 mmHg, in de voeten 200 mmHg en in het hoofd 60 mmHg. In gewichtloze toestand is de situatie geheel anders. Het bloedvolume, bevrijd van de invloed van de zwaartekracht, ondergaat een herverdeling binnen het vaatstelsel: 1,5-2 l bloed verlaat het onderlichaam en vloeit naar thoracale en cervicale delen en naar het hoofd. Dit geeft aanleiding tot het verschijnsel van ‘bird's legs’, ‘stuffy noses’ en ‘puffy faces’.1718 Verondersteld wordt dat de toename in het centrale bloedvolume tot een tijdelijke stijging van de bloeddruk in de rechter boezem leidt, hoewel het nog niet gelukt is dit vast te stellen. Een gangbare hypothese is dat deze stijging aanleiding geeft tot diurese en afname van het extra-cellulaire volume en daarmee leidt tot gewichtsverlies. Men veronderstelt dat het vrijkomen van atriumpeptides, die vocht- en zoutuitscheiding bevorderen, dan wel een neurohumoraal gestuurde remming van hormonale factoren (ADH, aldosteron) aan de verhoogde diurese ten grondslag liggen.1491618 Een andere oorzaak voor de negatieve vochtbalans in de eerste dagen van een ruimtevlucht is dat de astronauten gedurende deze periode (te) weinig drinken ten gevolge van gering dorstgevoel en (of) ruimteziekte.18-20

Voor het toetsen van deze theorieën is tijdens komende ruimtevluchten meer onderzoek noodzakelijk. Onvoldoende is nog bekend over het verloop van de circulatoire en neurohumorale veranderingen in de eerste uren (dynamische fase).6 De interpretatie van deze veranderingen wordt verder gecompliceerd door het ontstaan van ruimteziekte met daarbij veranderingen in hormoonspiegels (cortisol, aldosteron en wellicht ADH).20 Het inzicht in de cardiovasculaire adaptatie tijdens gewichtloosheid berust grotendeels op de resultaten van laboratoriumproeven op aarde en slechts in beperkte mate op waarnemingen tijdens werkelijke gewichtloosheid.1621 Gewichtloosheid is met een vliegtuig korte tijd (20-30 s) te bereiken in een parabolisch vliegpatroon.22 Laboratoriumproeven betreffen onder andere urenlange onderdompeling van proefpersonen met slechts het hoofd boven water. Hierbij neemt het centrale bloedvolume toe zoals ook bij een ruimtevlucht het geval is, en kan men informatie verkrijgen over de neurohumorale adaptatie op betrekkelijk korte termijn.11622 Langdurige bedrust (tot 14 dagen) geeft enig inzicht in de algemene cardiovasculaire deconditionering die ontstaat bij langdurig verblijf in de ruimte.2123

De toestand van gewichtloosheid wordt echter het best benaderd door een gekantelde houding met het hoofd naar beneden onder een hoek van 6-10°.2124-27 Hierbij kunnen zowel de effecten van een hoofdwaartse verplaatsing van lichaamsvocht worden bestudeerd zoals die in de ruimte plaatsvindt, als die van deconditionering ten gevolge van langdurige bedrust.21 Gedurende de eerste uren is het slagvolume dan iets toegenomen, er treedt een compensatoire bradycardie op waarbij de bloeddruk gelijk blijft.1221 Na twee tot vier dagen heeft het lichaam zich aangepast aan de toestand van gewichtloosheid, de zogenaamde adapted stage: het plasmavolume is afgenomen. De linker hartkamer heeft uiteindelijk een kleiner einddiastolisch volume en de spiermassa is afgenomen.124 In tegenstelling tot de geleidelijke en schijnbaar probleemloze aanpassing van het hart- en vaatstelsel aan de toestand van gewichtloosheid, worden hart en vaten bij de terugkeer naar de aarde plotseling gesteld voor de taak zich te weer te moeten stellen tegen de zwaartekracht. Dit uit zich in klachten van verminderde orthostatische en inspanningstolerantie. Deze klachten kunnen dagen tot weken aanhouden.49

Om aan cardiovasculaire deconditionering tegemoet te komen, is in de Sovjetunie gebruik gemaakt van een ‘lower body negative pressure (LBNP)-device’, een soort vacuümbroek waarmee op onderlichaam en benen een onderdruk wordt aangebracht, om zodoende de aardse situatie in de ruimte tijdelijk na te bootsen. Ook is in de Sovjetunie een pak ontworpen, waarin op zodanige wijze elastische banen zijn verwerkt dat de kosmonaut tijdens routine-werkzaamheden toch telkens arbeid moet verrichten met zijn strekspieren. Dit zogenaamde penguin suit beoogt een gedeeltelijke compensatie voor de afwezige zwaartekracht.4 Hoewel in de V.S. tijdens de Skylab-periode ook met een LBNP-device geoefend werd, heeft men zich bij de shuttle-vluchten meer toegelegd op oefeningen op fiets-ergometer en tredmolen om de fysieke conditie (met name het hartminuutvolume) op peil te houden.46 Een potentieel gevaarlijke situatie is aanwezig bij de terugkeer van een ruimtevaartuig, omdat de gedeconditioneerde bemanningsleden worden blootgesteld aan de G-krachten die het gevolg zijn van de vaartvermindering.9 Om hieraan tegemoet te komen gebruiken astronauten in de V.S. extra zout (8 zouttabletten van 1 g op 1 l water) op de dag van terugkeer naar de aarde.28 Zo tracht men het plasmavolume te vergroten en de gevoeligheid voor de invloeden van de zwaartekracht te verminderen.

Effecten op lange termijn

Kosmische straling

Bij ruimtevluchten die een baan dicht bij de aarde beschrijven, worden de astronauten blootgesteld aan 0,15-0,30 millisievert (mSv) per dag (1 sievert = 1 joulekg = 100 rem). Deze stralingsbelasting wordt als acceptabel beschouwd.12930 Bij dit soort ruimtevluchten beschermen de stralingsgordels rond de aarde, de Van Allen-gordels die bestaan uit protonen en elektronen gevangen in het geomagnetische veld, de ruimtevaarders tegen straling vanuit de kosmos (protective magnetic umbrella).1 Bij ruimtevluchten naar een hoger doel hebben de astronauten allereerst te maken met straling tijdens passage van de Van Allen-gordels; daarna wordt de ruimtereiziger bedreigd door twee stralingsbronnen:

– De heersende kosmische straling in het heelal, bestaande uit hoog energetische protonen, ?-deeltjes en zware kernen.1 De zware kernen kunnen de wand van de shuttle doorboren en worden als zij de retina raken door de astronauten waargenomen als lichtflitsen.14

– Een toevallige eruptie van de zon waarbij de blootstelling aan straling (voornamelijk protonen) tijdelijk met een factor 1000 kan toenemen.129

Tijdens de passage van de Van Allen-gordels, op weg naar de maan en terug (Apollovluchten 11 t.m. 17), werd een gemiddelde dosis straling per astronaut per missie gemeten van 5 mSv.4 Ter vergelijking: de stralingsdosis op aarde op zeeniveau is voor de mens 2 mSv per jaar;1 hiervan is 0,4 mSv toe te schrijven aan kosmische straling die tot op zeeniveau doordringt.30 De Radiobiological Advisory Panel Committee on Space Medicine van de National Academy of Sciences heeft in 1970 het advies uitgebracht aan de NASA om de maximale hoeveelheid straling waaraan een astronaut mag blootstaan, te stellen op 250 mSv per missie en op 4 Sv als limiet gedurende de loopbaan van een astronaut.4 Deze grenzen zijn hoger dan die voor personen werkzaam binnen de radiologie voor wie een maximaal toelaatbare dosis van 50 mSv per jaar geldt.2631

Reële angst bestaat voor troebeling van de ooglens bij langdurige ruimtereizen, zoals gezien wordt bij radartechnici wanneer zij jarenlang onbeschermd aan stralen worden blootgesteld.431 In de eventueel dreigende gevaren van ruimtestraling tracht men inzicht te krijgen met behulp van dierproeven. Op dit terrein valt de nadruk vooralsnog op de preventie door het ruimtevaartuig te voorzien van een beschermende buitenlaag die de straling reflecteert of absorbeert.

Spieren en skelet

Een verblijf in de ruimte veroorzaakt een negatieve stikstofbalans (spieratrofie) en een verhoogde calciumuitscheiding in de urine. Tijdens de Skylab-vluchten (28, 59 en 84 dagen, in 1973-1974) werd hieraan uitgebreid aandacht geschonken.632 Het ontbreken van de invloed van de zwaartekracht op het skelet heeft tot gevolg dat de wervelkolom zich strekt: de tussenwervelschijven zetten uit waardoor de astronaut 2-4 cm langer wordt. Dit effect is reversibel.1118 Dit geldt echter niet voor de ontkalking van de botten. Dierexperimenteel zijn zowel aanwijzingen gevonden voor een verhoogde activiteit van osteoklasten als voor een verminderde activiteit van osteoblasten.153334 Studies, verricht tijdens de Apollo- en Skylab-vluchten met betrekking tot de botdichtheid en caiciumbalans, wijzen op een progressief verlies van mineralen in de gewichtdragende botten (bijvoorbeeld calcaneus) tijdens een ruimtevlucht van enige duur.4 In tegenstelling tot de veranderingen in andere orgaansystemen, blijkt het calciumverlies zich bij lange ruimtevluchten voort te zetten. Het totale calciumverlies bedroeg tijdens de 84 dagen durende SkylabIV-vlucht gemiddeld 25 gram per astronaut, en bleek niet te voorkómen door het verrichten van meer lichaamsoefeningen.632

Wat zijn de eventuele gevolgen van een verhoogde calciumuitscheiding? Mede als gevolg van een negatieve vochtbalans bestaat een verhoogde kans op nierstenen. Een nog groter gevaar zal de astronaut bedreigen als hij na een jarenlang verblijf in een ruimtelaboratorium bij terugkeer naar de aarde louter door de last van het eigen gewicht zijn dan broze botten breekt.632 Deze demineralisatie zou kunnen inhouden dat de duur van bemande ruimtevluchten in de toekomst niet onbeperkt kan zijn.5916

Spieratrofie als gevolg van de geringe spierarbeid in de ruimte is niet onvermijdelijk en kan ten dele worden opgevangen door dagelijks op de tredmolen of de fiets te oefenen.635 Na een verblijf van 175 dagen in het Salyutruimtelaboratorium hadden de Russische kosmonauten geen verlies aan spiermassa, dank zij een stringent oefenprogramma.1

Hemopoëtisch stelsel

Tijdens een verblijf in de ruimte neemt al binnen enkele dagen het erytrocytenvolume af met 15.59 De snelheid van deze afname doet hemolyse, sekwestratie, bloedverlies of extravasatie vermoeden. Daarnaast speelt onvoldoende beenmergrespons een rol. Er bestaat een relatieve reticulocytopenie. Zelfs na de landing duurt het nog lange tijd voordat het erytrocytenvolume op het oude niveau is.5 Het aantal leukocyten blijkt na de vlucht te zijn toegenomen, waarschijnlijk als gevolg van stress.6 Humorale en cellulaire immuniteit zijn normaal bij vluchten van korte duur. Bij langere ruimtevluchten is een verminderde proliferatie van T-cellen bij in vitroactivering gevonden. De klinische implicatie van deze bevinding is nog onduidelijk.536

Aanpassingen van de mens aan een verblijf in de ruimte

Met de gevolgen van inactiviteit en een verstoord dag- en nachtritme waren in het verleden al ervaringen opgedaan na transmeridiane vluchten.37 Het dag- en nachtritme wordt verstoord door het ontbreken van referentie aan een op logische tijden op- en ondergaande zon. Het slapen in een gewichtloze omgeving in een hangende, liggende of welke stand dan ook vergt aanpassing. In de slaap gaan armen en benen zweven (waarschijnlijk door het ontbreken van proprioceptieve impulsen). Dit effect en de afwezigheid van druk van een deken of iets dergelijks op het lichaam, veroorzaken slaapstoornissen. De oplossing bleek een slaapzak, ontwikkeld door Wubbo Ockels, waarin kunstmatig druk wordt aangebracht. Een tweede storende factor is de voortdurende aanwezigheid van lawaai van mensen, iadiocommunicatie, pompen, ventilatoren, etc.637 Spacelab-astronauten werken in ploegen en slapen tegenwoordig in een aparte ruimte, vastgesjord in hun aangepaste slaapzak.38 Soms blijkt het toch nodig om slaapmiddelen te gebruiken.

Aangezien het niet doenlijk is langer dan enige uren achtereen een ruimtepak te dragen, vliegt men in een drukcabine met 20 02 en 800 N2. Het nadeel van dit soort airconditioning is de sterk uitdrogende werking.39 Ook maakt men zich zorgen over het op den duur ontstaan van psychische problemen zoals derealisatie. Afwisselende voeding, zo min mogelijk voedsel uit blik, een goed werk-rustschema, enerzijds privacy en anderzijds een gezellige gezamenlijke verblijfsruimte, alsmede de mogelijkheid om uit een raam naar buiten te kijken, blijken belangrijke factoren om psychische problemen te voorkomen.6

Gebleken is, dat astronauten de neiging hebben lichamelijke klachten te onderdrukken – niet ongewoon in de vliegwereld – om geen spelbreker te zijn. Hierdoor kan de vliegveiligheid in het geding komen. Getracht wordt deze potentieel gevaarlijke houding te voorkomen door voor ieder lid van de bemanning communicatie mogelijk te maken met de ‘eigen’ arts op aarde. Deze moet in overleg met de ‘patiënt’ bepalen of openheid van zaken naar de overige bemanning toe moet worden gegeven en welke maatregelen geboden zijn.4 Men realiseert zich wel dat de kans dat iemand een ernstige ziekte krijgt, groter is naarmate de vlucht in de toekomst langer gaat duren. Het ruimterecord is in handen van de Sovjetunie: in 1984 verbleven 3 Russische kosmonauten gedurende 237 dagen in een Salyut-7-ruimtestation40 en in 1987 één astronaut zelfs 326 dagen. Stringente selectie van de bemanning, goede preventieve maatregelen, inenting en strenge persoonlijke hygiëne tijdens de vlucht moeten de kans op onaangename verrassingen verkleinen.

Omdat het aantal bemanningsleden voorlopig nog beperkt is, is er als regel geen arts aan boord. Men heeft gekozen voor de oplossing dat een van de technici een uitgebreide EHBO-opleiding krijgt, terwijl hij kan beschikken over een uitgebreide medische hulpuitrusting.37 Tot nu toe zijn de problemen beperkt gebleven tot slaapstoornissen, maag- en darmstoornissen en ruimteziekte. Kort geleden is evenwel een kosmonaut teruggekeerd wegens hartritmestoornissen.

Technische problemen

Het werken in een kleine ruimte met een beperkte hoeveelheid energie maakt het noodzakelijk dat veel aandacht wordt besteed aan biotechniek. Dit heeft al geleid tot bruikbare ontwikkelingen in de medische techniek. Veel onderzoek wordt verricht naar de mogelijkheden om water en zuurstof te herwinnen uit afvalstoffen.6 Waterstof en zuurstof zijn bijprodukten bij de winning van elektriciteit uit brandstofcellen. Het gebruikte water moet worden gezuiverd en de afvalstoffen moeten worden opgeruimd met behulp van bacteriën. Men wil algen meevoeren, die immers bij hun stofwisseling uit kooldioxyde zuurstof maken, en zo trachten om een gesloten ecologisch systeem te verkrijgen.41 De efficiënte bereiding van gevarieerde maaltijden is nog steeds een punt van zorg. Aanvankelijk werden tubes met voedselpasta gebruikt maar, vooral om psychologische redenen, wordt nu gezocht naar een oplossing voor maaltijden, zoals we die op aarde gewoon zijn. Een stap naderbij is de toevoeging van een gelatine-achtige substantie, waardoor het eten goed aan vork en lepel plakt, zodat het op normale wijze te nuttigen is. Een boterham met beleg is zo geen probleem meer. Drinken bevindt zich in alle denkbare variëteiten in plastic bakjes, die men met een rietje leeg kan zuigen.642

Tot slot vormt de verwijdering van de menselijke excreta een moeilijk probleem. Aanvankelijk werd een soort Coloplast-zakjes gebruikt en werden urine en faeces bewaard voor biochemisch en bacteriologisch onderzoek. Tegenwoordig worden de excreta afgezogen met een centrifugaalpomp en vervolgens in de ruimte gedumpt.38

Concluderend kan gesteld worden dat de ervaringen opgedaan in de ruimtevaart, een bijdrage hebben geleverd aan inzicht in fysiologie en pathofysiologie van een aantal belangrijke lichaamsprocessen.

Wij danken prof.dr.G.W.Barendsen en dr.J.B.A.Kipp, afd. Radiobiologie, Academisch Medisch Centrum te Amsterdam, voor hun commentaar op de paragraaf over kosmische straling, en H.Nieuwenhuis voor het beschikbaar stellen van gegevens uit het ruimtevaartarchief van het Planetarium Eyse Eysinga in Franeker.

Literatuur
  1. Planel H, Oser H. A survey of space biology and spacemedicine. ESA BR-17. Noordwijk: European Space Agency Scientific &Technical Publications Branch, 1984.

  2. Oosterveld WJ. Life sciences and microgravity. In: Nes Pvan, Battrick B, eds. Microgravity research: status and prospects. Utrecht:Stichting Ruimtevaartonderzoek Nederland, 1987: 135-43.

  3. Santy PA. Psychiatric components of a health maintenancefacility on space station. Aviat Space Environ Med 1987; 58:1219-24.

  4. Nicogossian AE, Parker JF. Space physiology and medicine.Washington, DC: Government Printing Office, 1982.

  5. Tavassoli M. Medical problems of space flight. Am J Med1986; 81: 850-4.

  6. Vanderploeg JM. Medical aspects of space exploration. In:Proceedings of the Medical Society of the World Health Organization (WHOPublication nr OCH86.1). Geneva: World Health Organization,1984.

  7. Lackner JR, Graybiel A. Etiological factors in spacemotion sickness. Aviat Space Environ Med 1983; 54: 675-81.

  8. Leigh RJ, Daroff RB. Space motion sickness: etiologicalhypotheses and a proposal for diagnostic clinical examination. Aviat SpaceEnviron Med 1985; 56: 469-73.

  9. West JB. Man in space. News in Physiological Sciences1986; 1: 189-92.

  10. Graybiel A, Miller EF, Homick JL. Susceptibility tomotion sickness among Skylab astronauts. 25th International AstronauticalCongress, Amsterdam, 1974: 81.

  11. Benson AJ. Possible mechanisms of motion and spacesickness. Proceedings of the First European Symposium on Life SciencesResearch in Space (Cologne, 1977), ESA SP-130 1977: 101-8.

  12. Thornton WE, Moore P, Pool SL, Vanderploeg J. Clinicalcharacterization and etiology of space motion sickness. Aviat Space EnvironMed 1987; 58: A1-8.

  13. Cramer DB, Graybiel A, Oosterveld WJ. Successful transferof adaptation acquired in a slow rotation room to motion environments. RecentAdv Aerospace Med 1977; 203.

  14. Oosterveld WJ, Graybiel A, Cramer DB. Susceptibility toreflex vestibular disturbances and motion sickness as a function of mentalstates of alertness and sleep. Adv Otorhinolaryngol 1973; 19:286-94.

  15. Gillingham KK, Wolfe JW. Spatial orientation in flight.In: DeHart RL, ed. Fundamentals of aerospace medicine. Philadelphia: Lea& Febiger, 1985; 299-382.

  16. Blomqvist CG, Stone HL. Cardiovascular adjustments togravitational stress. Handbook of Physiology. The cardiovascular system.Washington, DC: Am Physiol Society, 1983; III, 2: 1025-63.

  17. Money KE. Biological effects of space travel. CanAeronautics Space J 1981; 27: 299-382.

  18. Pace N. Weightlessness. A matter of gravity. N Engl J Med1977; 297: 32-7.

  19. Greenleaf JE. Mechanism for negative water balance duringweightlessness: an hypothesis. J Appl Physiol 1986; 60: 60-2.

  20. Leach CS. Fluid control mechanisms in weightlessness.Aviat Space Environ Med 1987; 58: A74-9.

  21. Sandler H. Cardiovascular responses to weightlessness andgroundbased simulations. In Zero-g simulation for ground-based studies inhuman physiology with emphasis on the cardiovascular and body fluid systems.Noordwijk: European Space Agency Scientific & Technical Publications. ESASP-180 ESTEC, 1982.

  22. Haber H, Haber F. Possible methods of producing thegravity free state for medical research. J Aviat Med 1980; 21: 395.

  23. Vogt FB, Mack PB, Johnson PC, Wade L. Tilt table responseand blood volume changes associated with fourteen days in recumbency.Aerospace Med 1967; 38: 43-8.

  24. Gazenko OG, Shumakov VI, Kakurin LI, et al. Centralcirculation and metabolism of the healthy man during postural exposures andarm exercise in the head-down position. Aviat Space Environ Med 1980; 51:113-20.

  25. Mikhailov VM. Development of countermeasure againstadverse effects of weightlessness on the human body. In: Proceedings XXXIIInternational Congress of Aviation and Space Medicine. Madeira,1984.

  26. Katkov VE, Chestukhin VV, Nikolayenko EM, Rumyantsev VV,Gvozdev SV. Central circulation of a normal man during 7-day head-down tiltand decompression fo various body parts. Aviat Space Environ Med 1983; 54:S24-30.

  27. Blomqvist CG, Gaffney FA, Nixon JV. Cardiovascularresponses to head-down tilt in young and middle aged men. Physiologist 1983;26: S81-2.

  28. Bungo MW, Charles JB, Johnson PC. Cardiovasculardeconditioning during space flight and the use of saline as a countermeasureto orthostatic intolerance. Aviat Space Environ Med 1985; 56:985-90.

  29. Preston FS. Medical aspects of supersonic travel. Proc RSoc Med 1972; 65: 187-92.

  30. Ionizing radiation: sources and biological effects.United Nations Scientific Committee on the Effects of Atomic Radiation, 1982.Report to the General Assembly with annexes, United Nations. New York,1982.

  31. Radiation protection; recommendations of theinternational commission on radiological protection. (IRCP publication 26).Oxford: Pergamon, 1977.

  32. Rambaut PC, Goode AW. Skeletal changes during spaceflight. Lancet 1985; ii: 1050-2.

  33. Veldhuyzen JP, Klein-Nulend J, Burger EH. An in vitromodel system to study the effect of microgravity and loading conditions onthe mineralisation and resorption of skeletal tissues. Proceedings ThirdEuropean Symposium on Life Sciences Research in Space (Graz 1987). ESA SP1987; 271: 173-8.

  34. Roberts WE, Mozsary PG, Money ER. Suppression ofosteoblast differentiation during weightlessness. Physiologist 1981; 24:75-6.

  35. Frey MAB. Considerations in prescribing preflight aerobicexercise for astronauts. Aviat Space Environ Med 1987; 58: 1014-22.

  36. Hillman AL. After the challenger. Biomedicalopportunities in space. N Engl J Med 1986: 315: 1196-1200.

  37. Nicholson AN. Sleep patterns in the aerospaceenvironment. Proc R Soc Med 1972; 65: 192-4.

  38. Smolders P. Wonen in de ruimte. Handboek vanruimtereizigers. Weesp: Unieboek, 1985.

  39. Spacelab databook. Noordwijk: European Space AgencyScientific & Technical Publications Branch, 1983.

  40. Canby TY. Are the Sovjets ahead in space? NationalGeographic 1986; 170: 420-58.

  41. Dubertret G, Lefort-Tran M, Chipaux C. Ecological algalsystem in microgravity conditions; preliminary results. Proceedings ThirdEuropean Symposium on Life Sciences Research in Space (Graz 1987). ESA SP1987; 271: 113-5.

  42. Rambaut PC, Smith MC. Nutrition support of space shuttlecrews. Nutrition Today 1977; juliaugustus: 6-30.

Auteursinformatie

J.H.A.Dambrink, vliegerarts en huisarts, Br.Halbertsmastraat 21, 8802 ZW Franeker,.

Academisch Medisch Centrum, Amsterdam.

Afd. Inwendige Geneeskunde: dr.W.Wieling, internist.

Afd. Keel-, Neus- en Oorheelkunde: prof.dr.W.J.Oosterveld, KNO-arts.

Universiteit van Amsterdam, Fysiologisch Laboratorium, Amsterdam.

Dr.J.M.Karemaker, fysioloog.

Stichting Nationaal Lucht- en Ruimtevaart Geneeskundig Centrum, Soesterberg.

J.R. Krol, internist.

Contact J.H.A.Dambrink

Gerelateerde artikelen

Reacties