Beroepsvoorkeuren van studenten geneeskunde

Onderzoek
Marc B.M. Soethout
Olle Th.J. ten Cate
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2014;158:A6655
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Doel

Onderzoek naar de beroepsvoorkeuren van geneeskundestudenten in Nederland en de aantrekkelijkheid van aspecten van het medisch beroep in de periode 2009-2012.

Opzet

Retrospectief, beschrijvend onderzoek.

Methode

Uit de gegevens die geneeskundestudenten in Nederland hadden ingevuld in het computerprogramma Inventaris Medische Beroepskeuze (IMBK) werd geanalyseerd wat hun beroepsvoorkeur was en hoe aantrekkelijk zij diverse aspecten van het medisch beroep vonden. Het IMBK-programma was via de KNMG-website ‘Arts in Spe’ in de periode 2009-2012 gratis beschikbaar. Het IMBK-programma was gebaseerd op de vragenlijst van het medisch profielenboek dat ontwikkeld is door de farmaceutische firma GlaxoSmithKline.

Resultaten

Huisartsgeneeskunde was het populairst, vooral onder vrouwelijke geneeskundestudenten, en de belangstelling hiervoor nam toe gedurende de opleiding. Voor verzekeringsgeneeskunde, bedrijfsgeneeskunde en ouderengeneeskunde hadden geneeskundestudenten nauwelijks belangstelling. Directe patiëntenzorg was het aantrekkelijkste beroepsaspect voor geneeskundestudenten. Vrouwelijke studenten hechtten hierbij meer aan direct en langdurig patiëntencontact dan mannelijke. Het aantal uren dat men in de toekomst maximaal wil gaan werken nam af gedurende de opleiding; vrouwen hechtten meer aan regelmatige werktijden met voldoende vrije tijd dan mannen.

Conclusie

Gedurende de geneeskundeopleiding treden veranderingen op in de beroepsvoorkeur van de studenten. Er zijn grote verschillen tussen mannelijke en vrouwelijke studenten in beroepsvoorkeur en in wat zij aantrekkelijke aspecten van het medisch beroep vinden.

Inleiding

De komende jaren worden grote tekorten verwacht op de Nederlandse arbeidsmarkt. Mede door de toenemende vergrijzing en toename van het aantal chronische aandoeningen zal ook een tekort aan artsen ontstaan.1,2 Door de huidige economische crisis staat tevens de financiering van de opleiding onder druk, met dreigende kortingen op de medische vervolgopleidingen.3 Een goede aansluiting van de medische vervolgopleiding op de geneeskundestudie is daarom essentieel. Voor aankomende artsen is het daarbij belangrijk dat de arbeidsmarkt aantrekkelijk is.

Eerder onderzoek heeft laten zien dat er verschillen zijn tussen de beroepsvoorkeuren van medisch studenten en de uiteindelijke keuze voor medische vervolgopleiding.4-9 Dit hangt enerzijds samen met gender, maar anderzijds ook met het beeld dat studenten van het medisch beroep hebben en met de beschikbaarheid van opleidingsplaatsen.10-13

Om inzicht te krijgen in de beroepsvoorkeur van geneeskundestudenten gedurende hun opleiding en de aspecten van het medisch beroep die aantrekkelijk gevonden worden, is onderzoek verricht in de jaren 2009-2012 onder alle geneeskundestudenten van Nederland. Daarin stonden de volgende vragen centraal: (a) wat zijn de beroepsvoorkeuren van studenten geneeskunde? (b) welke aspecten van het medisch beroep worden aantrekkelijk gevonden door geneeskundestudenten? (c) zijn hierin verschillen die bepaald worden door gender of stadium van opleiding?

Onze verwachting was dat het beroep van huisarts het meest populair zou zijn onder geneeskundestudenten en dat studenten vooral het aspect van het ‘beter maken’ van patiënten als meest aantrekkelijke aspect van hun latere beroepsuitoefening zouden zien. Wij waren benieuwd of het omgaan met chronisch zieken belangrijk gevonden wordt en of de voorkeur voor specialismen gericht op ouderen in populariteit toenemen.

Methode

In 2007 hebben UMC Utrecht en VU medisch centrum het computerprogramma ‘Inventaris Medische Beroepskeuze’ (IMBK) ontwikkeld.14 Dit programma bevat een lijst van 36 vragen en subvragen over diverse kenmerken van de medische beroepsuitoefening. Daaronder zijn vragen naar 4 domeinen: vereiste kennis en vaardigheden (zoals medisch/technische vaardigheden), type patiënten (bijvoorbeeld volwassenen of chronisch zieken), kenmerken van het dagelijks werk (zoals praktijkadministratie) en werktijden.15 Het programma inventariseert de voorkeur van de deelnemer voor medische beroepen die destijds door de KNMG werden erkend en de mate van aantrekkelijkheid van kenmerken van de medische beroepsuitoefening en matcht deze vervolgens met kenmerken van medische specialismen en profielen die reeds in het programma zijn opgenomen.

Het IMBK-programma is gebaseerd op een bestaande vragenlijst die was ontwikkeld door de farmaceutische firma GlaxoSmithKline (GSK) en was opgenomen in het medisch profielenboek.16 De beroepskenmerken in het IMBK-programma zijn ontleend aan de antwoorden van 4150 artsen op de eerder genoemde vragenlijst.17,18 Per vraag en per specialisme of profiel werden gemiddelde scores berekend, die vervolgens in het IMBK-programma zijn ingebracht.

In de periode mei 2009-december 2012 werd het IMBK-programma gratis beschikbaar gesteld aan geneeskundestudenten via de KNMG-internetsite ‘Arts in Spe’. In deze periode konden zij inloggen met hun studentnummer om het programma te doorlopen. Iedere deelnemer werd toestemming gevraagd om de data te bewaren voor wetenschappelijk onderzoek. Studenten konden zo vaak deelnemen aan het programma als zij wilden, maar moesten iedere keer inloggen met hetzelfde studentnummer.

Na het inloggen konden deelnemers 3 specialismen of profielen van voorkeur aangeven. Vervolgens werden zij verzocht de vragenlijst te beantwoorden. Na afloop kregen de studenten van het programma te horen welk specialisme of profiel het meest overeenkwam met hun eigen voorkeur. Tevens kregen zij per vraag te zien in hoeverre hun antwoord overeenkwam met de gemiddelde score van de medisch specialisten of profielartsen voor dat onderdeel.

In de periode mei 2009-december 2012 maakten 5512 studenten gebruik van het IMBK-programma. Van studenten die meerdere keren hadden deelgenomen werd voor de uiteindelijke analyse alleen de eerste deelname meegenomen. Respondenten die niet een categorie ‘medisch student’ maar de categorie ‘overig’ voor zichzelf hadden gekozen, werden buiten de analyses gehouden. Op grond hiervan werden uiteindelijk de antwoorden van 4045 studenten verder geanalyseerd.

Om inzicht te krijgen in mogelijke verschuivingen in de loop der tijd werd bij de analyse een onderscheid gemaakt tussen studenten die in de periode mei 2009-december 2010 hadden deelgenomen en studenten die in de periode januari 2011-december 2012 hadden deelgenomen.

De uitkomsten werden geanalyseerd met het statistische programma SPSS 20.0 en getoetst met t-toetsen of χ2-toetsen.

Resultaten

De groep respondenten omvatte circa 30% van alle medisch studenten. In totaal namen 1000 mannelijke en 3045 vrouwelijke geneeskundestudenten deel aan het onderzoek, met een goede spreiding over de verschillende geneeskundeopleidingen in Nederland (tabel 1). In de periode mei 2009-december 2010 namen 1475 studenten deel (23% man, 77% vrouw); in de periode januari 2011-december 2012 waren er 2570 deelnemers (26% man, 74% vrouw). De man-vrouwverhouding van de totale groep respondenten (24,7 vs. 75,3%) week niet veel af van de huidige man-vrouwverdeling onder geneeskundestudenten in Nederland. Van de respondenten was 36% bachelorstudent (n = 1453; 26% man en 74% vrouw) en 64% masterstudent (n = 2592; 24% man en 76% vrouw).

Figuur 1

In de periode 2009-2012 was het specialisme huisartsgeneeskunde het populairst onder geneeskundestudenten (17%), gevolgd door de specialismen kindergeneeskunde (12%) en inwendige geneeskunde (11%). De specialismen verzekeringsgeneeskunde (0,1%) en bedrijfsgeneeskunde (0,2%) waren het minst aantrekkelijk. Ook het specialisme ouderengeneeskunde was weinig populair; slechts 23 studenten kozen hiervoor (0,6%).

Er waren verschillen in voorkeur tussen vrouwelijke en mannelijke studenten (figuur 1). Vrouwelijke studenten hadden de grootste voorkeur voor huisartsgeneeskunde (19%), gevolgd door kindergeneeskunde (14%) en inwendige geneeskunde (10%), terwijl mannelijke studenten de grootste voorkeur hadden voor inwendige geneeskunde (12%), gevolgd door huisartsgeneeskunde (11%) en heelkunde (10%).

Figuur 2

De voorkeur voor huisartsgeneeskunde nam toe gedurende de opleiding, zoals blijkt uit de vergelijking van bachelor- en masterstudenten (figuur 2). Van de bachelorstudenten hadden er 179 (12%) een voorkeur voor huisartsgeneeskunde, van de masterstudenten waren dit er 508 (19%; p < 0,001). De voorkeur voor kindergeneeskunde daarentegen nam af gedurende de opleiding, van 16% (n = 235) tot 9% (n = 247; p < 0,001). De voorkeur voor ouderengeneeskunde bleef nagenoeg constant, namelijk 0,5% voor zowel bachelorstudenten (n = 7) als masterstudenten (n = 16).

Figuur 3

In de loop der jaren verschoven de voorkeuren enigszins. De voorkeur voor huisartsgeneeskunde nam het sterkst toe, van 15% (n = 229) in de periode 2009-2010 tot 18% (n = 458) in de periode 2011/2012. Ook ouderengeneeskunde nam iets toe in populariteit, van 0,5% (n = 8) tot 0,6% (n = 15).

Geneeskundestudenten vonden patiëntenzorg het aantrekkelijkste aspect van de medische beroepsuitoefening. Brede kennis, status en hoog inkomen, omgaan met acuut zieke mensen en bestuurlijke activiteiten waren voor mannen belangrijker dan voor vrouwen (figuur 3). Vrouwen hechtten meer aan een langdurige arts-patiëntrelatie dan mannen. Ook vonden vrouwen regelmatige werktijden en vrije tijd belangrijker dan mannen. Tot slot gaven vrouwen aan minder uren te willen werken (maximaal 46 uur) dan mannen (maximaal 53 uur). Al deze verschillen tussen mannelijke en vrouwelijke studenten waren statistisch significant (p < 0,001).

Figuur 4

Bij de vergelijking van bachelorstudenten met masterstudenten bleken de eersten meer te hechten aan brede kennis en omgang met acuut zieke patiënten dan de laatsten (figuur 4). Ook waren bachelorstudenten bereid maximaal iets meer uren te werken dan masterstudenten (48 uur vs. 47 uur). Masterstudenten daarentegen vonden zelf beleid bepalen en het hebben van voldoende ‘andere activiteiten’ aantrekkelijker dan bachelorstudenten. De genoemde verschillen tussen bachelor- en masterstudenten waren statistisch significant (p < 0,001).

Figuur 5

De vergelijking tussen de studenten die in de periode 2009-2010 hadden deelgenomen en studenten die in de periode 2011-2012 hadden deelgenomen liet nauwelijks veranderingen zien in de aantrekkelijkheid van aspecten van het medisch beroep.

Beschouwing

Onder geneeskundestudenten blijkt het specialisme huisartsgeneeskunde het populairst te zijn, gevolgd door het specialisme kindergeneeskunde, dat vooral onder vrouwelijke studenten populair is. Gedurende de opleiding neemt de belangstelling voor huisartsgeneeskunde toe en die voor kindergeneeskunde neemt af. Voor verzekeringsgeneeskunde, bedrijfsgeneeskunde en ouderengeneeskunde hebben geneeskundestudenten nauwelijks belangstelling. Deze resultaten komen overeen met die van eerder onderzoek, wat laat zien dat er in de loop der jaren geen verandering in beroepsvoorkeur is opgetreden.19-21

Directe patiëntenzorg is het meest aantrekkelijke beroepsaspect voor geneeskundestudenten. Vrouwen hechten hierbij meer aan direct en langdurig patiëntencontact dan mannen. Het aantal uren dat men in de toekomst maximaal wil gaan werken neemt af gedurende de opleiding; vrouwen hechten meer aan regelmatige werktijden met voldoende vrije tijd dan mannen. Deze resultaten bevestigen wat uit eerder onderzoek gebleken is.13,22-23

De toenemende voorkeur voor parttime werken zal ook consequenties hebben voor de ramingen voor de vervolgopleidingen zoals die door het Capaciteitsorgaan worden berekend.24-25 Huisartsgeneeskunde zal ook bij de toenemende verschuiving van de zorg naar de eerste lijn niet aan belangstelling hoeven in te boeten. De belangstelling voor de huisartsgeneeskunde onder geneeskundestudenten is relatief groot – 17% geeft de voorkeur aan dit specialisme – en eerder onderzoek heeft laten zien dat deze belangstelling nog verder toeneemt gedurende de opleiding tot basisarts.26 Er zijn dus geen aanwijzingen dat de gewenste instroom voor huisartsgeneeskunde, zoals geraamd door het Capaciteitsorgaan, niet gehaald zal worden.25

De belangstelling voor kindergeneeskunde neemt weliswaar af gedurende de basisopleiding, maar lijkt nog ruim voldoende om het aantal opleidingsplaatsen dat volgens het Capaciteitsorgaan nodig is, te kunnen vervullen.

Gezien de huidige tekorten op de arbeidsmarkt voor ouderengeneeskunde en de toenemende vergrijzing van de patiëntenpopulatie kunnen er in de nabije toekomst problemen verwacht worden bij de gewenste instroom van de vervolgopleiding tot specialist ouderengeneeskunde. Dit wordt onderstreept door ramingen van het Capaciteitsorgaan, dat heeft berekend dat circa 5% van de afgestudeerde artsen in deze vervolgopleiding dient in te stromen, terwijl volgens onze gegevens slechts 0,6% van de studentenpopulatie belangstelling heeft voor de opleiding tot specialist ouderengeneeskunde.25 Meer belangstelling voor ouderengeneeskunde kan in de medische opleiding worden gestimuleerd door meer aandacht aan dit vakgebied te besteden, zoals VUmc en het Radboudumc doen in de vorm van een coschap; de recente Visitatiecommissie Geneeskunde heeft ook andere faculteiten aanbevolen meer aandacht aan ouderengeneeskunde te besteden.27

De belangstelling voor bedrijfs- en verzekeringsgeneeskunde is nihil. De instroom in de vervolgopleiding ligt nagenoeg stil en het Capaciteitsorgaan verwacht grote tekorten in deze sector.25 De te verwachte tekorten hebben zelfs geleid tot kamervragen aan de huidige minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, die heeft toegezegd dat er gesprekken met het veld zullen plaatsvinden om hier aandacht aan te besteden.28 Uit eerder onderzoek onder geneeskundestudenten is gebleken dat er een grote discrepantie is tussen de gewenste kenmerken van het latere beroep en de beroepsuitoefening zoals bedrijfs- en verzekeringsartsen die ervaren. Om meer belangstelling voor deze disciplines te kweken werd gepleit voor een voldoende ‘zichtbaarheid’ van de bedrijfs- en verzekeringsgeneeskunde in het medisch curriculum, onder meer door voldoende praktijkonderwijs.19

Met ons onderzoek zijn voor het eerst gegevens van geneeskundestudenten in Nederland beschikbaar gekomen die uitgesplitst konden worden naar studenten in de bachelorfase en in de masterfase. Doordat IMBK-programma via de website Arts in Spe langdurig beschikbaar was, konden gegevens worden verzameld over een periode van meerdere jaren. Daarmee konden wij nagaan of de beroepsvoorkeur in de loop der jaren veranderde. Het grote databestand dat wij hebben opgebouwd kan de komende jaren als uitgangspunt gebruikt worden voor landelijk onderzoek naar de beroepsvoorkeuren van geneeskundestudenten en factoren die hiermee samenhangen; het NIVEL heeft dit landelijke onderzoek recent vormgegeven.29

Om een adequate aansluiting te bereiken tussen de opleiding tot basisarts en de medische vervolgopleiding is naast monitoring echter ook voorlichting en gericht loopbaanadvies tijdens de geneeskundestudie gewenst. Bovendien zouden geneeskundestudenten een praktische kennismaking met de diverse beroepen en disciplines moeten krijgen.30

Conclusie

In de loop van de geneeskundeopleiding treden veranderingen op in de beroepsvoorkeur van de studenten. Ook zijn er grote verschillen tussen mannelijke en vrouwelijke studenten in beroepsvoorkeur en in wat zij aantrekkelijke aspecten van het medisch beroep vinden. Goede monitoring van de beroepsvoorkeur gedurende de opleiding en van factoren die hiermee samenhangen is daarom essentieel voor een adequate beroepskrachtenplanning en voor een goede aansluiting tussen de basisopleiding en de medische vervolgopleiding.

Leerpunten

  • Onder geneeskundestudenten bestaan verschillen in beroepsvoorkeur, vooral tussen mannelijke en vrouwelijke studenten.

  • Huisartsgeneeskunde is het populairst onder geneeskundestudenten, vooral onder de vrouwelijke studenten.

  • De belangstelling van studenten voor het beroep van huisarts neemt toe gedurende de opleiding tot basisarts.

  • Voor verzekeringsgeneeskunde, bedrijfsgeneeskunde en ouderengeneeskunde hebben geneeskundestudenten nauwelijks belangstelling.

  • Directe patiëntenzorg is het aantrekkelijkste beroepsaspect voor geneeskundestudenten.

  • Vrouwelijke geneeskundestudenten hechten meer aan direct en langdurig patiëntencontact dan mannelijke studenten.

Literatuur
  1. De medische specialist van straks. Toekomstscenario’s medische vervolgopleidingen. Utrecht: NFU; 2010.

  2. Numerus fixus geneeskunde: loslaten of vasthouden (RVZ advies 09-13). Den Haag: Raad voor de Volksgezondheid en Zorg; 2010.

  3. Bruggen slaan. Regeerakkoord VVD-PvdA, 29 oktober 2012. www.rijksoverheid.nl/bestanden/documenten-en-publicaties/rapporten/2012/10/29/regeerakkoord/regeerakkoord.pdf, geraadpleegd op 29 januari 2014.

  4. Lambert TW, Davidson JM, Evans J, Goldacre MJ. Doctor’s reason for rejecting initial choices of specialties as long term career. Med Educ. 2003;37:312-8 Medline. doi:10.1046/j.1365-2923.2003.01473.x

  5. Mahoney R, Katona C, McParland M, Noble L, Livingston G. Shortage specialties: changes in career intentions from medical student to newly qualified doctor. Med Teach. 2004;26:650-4 Medline. doi:10.1080/01421590400019591

  6. Soethout MBM. Career preference of medical students and career choice of recent graduates. Factors influencing the preference for a choice of a medical specialty in general and in public health in particular [proefschrift]. Amsterdam: Vrije Universiteit/Ponsen & Looyen bv; 2007.

  7. Goldacre MJ, Goldacre R, Lambert TW. Doctors who considered but did not pursue specific clinical specialties as careers; questionnaire surveys. J R Soc Med. 2012;105:166-76 Medline. doi:10.1258/jrsm.2012.110173

  8. Gibis B, Heinz A, Jacob R, Muller CH. The career expectations of medical students: findings of a nationwide survey in Germany. Dtsch Arztebl Int. 2012;109:327-32 Medline.

  9. Svirko E, Goldacre MJ, Lambert T. Career choices of the United Kingdom medical graduates of 2005, 2008 and 2009; questionnaire surveys. Med Teach. 2013;35:365-75 Medline. doi:10.3109/0142159X.2012.746450

  10. Rademakers JJDJM, Bloemen ALS, Soethout MBM, Cohen-Schotanus J, ten Cate ThJ. Verschillen in belangstellingsprofielen van vrouwelijke en mannelijke studenten geneeskunde. Tijdschr Med Onderwijs. 2008;27:171-80. doi:10.1007/BF03078266

  11. Heiligers PhJM. Gender differences in medical students, motives and career choice. BMC Med Educ. 2012;12:82. Medline

  12. van Offenbeek MA, Kiewiet DJ, Oosterhuis MJ. The compatibility of future doctors career intentions with changing health care demands. Med Educ. 2006;40:530-8 Medline. doi:10.1111/j.1365-2929.2006.02485.x

  13. Diderichsen S, Johanson EE, Verdonk P, Lagro-Jansen T, Hamberg K. Few gender differences in specialty preferences and motivational factors: a cross-sectional Swedish study on last-year medical students. BMC Med Educ. 2013;13:39 Medline. doi:10.1186/1472-6920-13-39

  14. van der Plank LO, Easton EW, Rademakers J, ten Cate ThJ, Soethout MB, Oosterveld P. Inventaris Medische Beroepskeuze. In: Programmaboek NVMO-congres 2007. Egmond aan Zee: NVMO; 2007:244.

  15. Nieuwhof MG, Rademakers JJ, Kuyvenhoven MM, Soethout MB, ten Cate TJ. Students’ conceptions of the medical profession; an interview study. Med Teach. 2005;27:709-14 Medline. doi:10.1080/01421590500271159

  16. Het medisch Profielenboek. Utrecht: KNMG/GlaxoSmithKline; 2007.

  17. Visser GJ. Veel specialisten zitten in een passend beroep. Med Contact (Bussum). 2007;62:1400-1.

  18. Eilander Tj. Specialisme onderzoek. Utrecht/Bussum: KNMG en Medisch Contact; 2007.

  19. Soethout MBM. Een carrière als bedrijfsarts of verzekeringsarts; niet voor de huidige geneeskundestudent. Tijdschr Bedrijfs Verzekeringsgeneeskd 2010;18:4-8.

  20. Zurro AM, Villa JJ, Hijar AM, Tuderi XM, Puime AO, Alonso-Coello P. Medical student attitudes towards family medicine in Spain; a statewide analysis. BMC Fam Pract. 2012;13:47. Medline

  21. Biggs WS, Bieck AD, Pugno PA, Crosley PW. Results of the 2011 National resident matching program; family medicine. Fam Med. 2011;43:619-24 Medline.

  22. Saad SM, Fatima SS, Faruqi AA. Student’s views regarding medicine as a profession. J Pak Med Assoc. 2011;61:832-6 Medline.

  23. Buddeberg-Fischer B, Klaghofer R, Abel T, Buddenberg C. The influence of gender and personality traits on the career planning of Swiss medical students. Swiss Med Wkly. 2003;133:535-40. Medline

  24. Crommentuyn R. Aantal artsen groeit als kool. Med Contact (Bussum). 2011;66:98-101.

  25. Capaciteitsplan 2010 voor de medische, tandheelkundige klinisch technologische en aanverwante (vervolg)opleidingen. Utrecht: Capaciteitsorgaan voor Medische en Tandheelkundige Vervolgopleidingen; 2011.

  26. Soethout M, van Wigheren P. Stalman, Cate O ten. Voorkeuren van studenten geneeskunde en recent afgestudeerden voor het beroep van huisarts. Huisarts Wet. 2005;48:12-5.

  27. Geneeskunde Onderwijs in Nederland 2012. Utrecht: QANU; 2012. http://iwooweb.umcn.nl/fmw/PDFforms/Algemeen/Visitaties/QANU_ConceptStateOfTheArtRapport_Geneeskunde_2012.pdf, geraadpleegd op 29 januari 2014.

  28. Bedrijfsartsen onder druk. www.rijksoverheid.nl/bestanden/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2011/08/31/beantwoording-kamervragen-bedrijfsarts-onder-druk/beantwoording-kamervragen-bedrijfsarts-onder-druk.pdf, geraadpleegd op 29 januari 2014.

  29. Monitor beroepskeuzes, beroepsvorming en loopbanen in de geneeskunde, een eerste schets. Utrecht/Maastricht: Maastricht University, NIVEL en ROA; 2009.

  30. Lambert TW, Goldacre MJ. Views of doctors in training on importance and availability of career advice in UK medicine. Med Educ. 2007;41:460-6 Medline. doi:10.1111/j.1365-2929.2006.02675.x

Auteursinformatie

VU medisch centrum, afd. Sociale Geneeskunde, EMGO+ Instituut, Amsterdam.

Dr. M.B.M. Soethout, arts Maatschappij en Gezondheid.

UMC Utrecht, Expertisecentrum voor Onderwijs en Opleiding, Utrecht.

Prof.dr. Th.J. ten Cate, medisch-onderwijskundige.

Contact dr. M.B.M. Soethout (mbm.soethout@vumc.nl)

Verantwoording

Belangenconflict en financiële ondersteuning: geen gemeld.
Aanvaard op 5 december 2013

Auteur Belangenverstrengeling
Marc B.M. Soethout ICMJE-formulier
Olle Th.J. ten Cate ICMJE-formulier
Keuze vervolgopleiding vereist sturing en begeleiding

Gerelateerde artikelen

Reacties

Arie
van Vugt

Buitengewoon storend dat een specialisme dat inmiddels erkend is als zodanig niet is betrokken bij dit nuttige onderzoek.

Ik mis het specialismen SEH-arts!

Hoe is het mogelijk dat dit zowel bij de onderzoekers als de redactie aan de aandacht ontsnapt is.

Het betreft een populair specialisme, waar veel aandacht voor is bij de student en in het bijzonder de co-assistent. Helaas in de bachelor fase op diverse faculteiten nog steeds onvoldoende aandacht voor de acute geneeskunde, en ook in de master-fase geen verplicht onderdeel, maar wel als keuze-stage zeer geliefd.

Het is ontzettend jammer dat deze optie niet in het onderzoek is opgenomen!

 

Arie van Vugt, traumachirurg

 

marc
soethout

Het is inderdaad jammer dat de voorkeur voor het profiel SEH-arts niet in het onderzoek betrokken kon worden. De reden hiervan is dat het profiel van de SEH-arts nog niet in het bestaande beroepskeuzeprogramma  IBMK is opgenomen, aangezien het programma in 2007 is ontwikkeld en het profiel SEH-arts toen nog niet bestond. Recent is de onderliggende vragenlijst van het programma herzien en opnieuw voorgelegd aan de medische beroepsgroep, waaronder die van de SEH-arts. De verkregen antwoorden zullen binnenkort in het beroepskeuze programma  IMBK worden opgenomen, zodat ook kan worden nagegaan hoe groot de belangstelling van studenten is voor het profiel SEH-arts.

 

Marc Soethout