Behandeling van neuritis optica

Klinische praktijk
Abstract
H.B. van der Worp
J. van Gijn
G.T. Plant
Leestijd
12 minuten
Downloaden
Citeren

Samenvatting

- Neuritis optica gaat gepaard met visusverlies van één oog binnen enkele dagen, meestal gevolgd door herstel binnen enkele weken. De aandoening kan geïsoleerd optreden of een (eerste) uiting zijn van multiple sclerose (MS).

- De differentiële diagnose is uitgebreid en omvat aandoeningen die een geheel andere behandeling vergen.

- Bij een typische neuritis optica kan intraveneuze behandeling met corticosteroïden het herstel versnellen, maar dit heeft geen effect op de uiteindelijke mate van herstel.

- Patiënten met neuritis optica hebben een aanzienlijke kans op het ontstaan van MS (binnen 20 jaar ongeveer 50), vooral als bij MRI-onderzoek van de hersenen voor MS suggestieve wittestofafwijkingen worden gevonden.

- MS wordt mogelijk iets minder snel manifest indien neuritis optica wordt behandeld met methylprednisolon (intraveneus), maar drie jaar na behandeling is er geen verschil meer met controlegroepen.

- Ook behandeling met interferon bèta-1a kan bij patiënten met verhoogd risico op MS het ontstaan van klinisch zekere MS vertragen, maar het is nog onzeker of deze behandeling ook op de langere termijn effectief is.

- Het verrichten van MRI-onderzoek van de hersenen heeft geen gevolgen voor de behandeling, wel voor het stellen van de prognose.

artikel

Neuritis optica is een aandoening met een incidentie van 1 tot 5 per 100.000 personen per jaar, die leidt tot een subacuut visusverlies van één oog. In zeldzame gevallen kan de ziekte tegelijkertijd of bijna tegelijkertijd aan beide ogen optreden. De aandoening treedt het meest op van het 20e tot het 40e jaar, en verhoudingsgewijs vaak bij vrouwen. Meestal gaat het om een idiopathische ontstekingsreactie, die geïsoleerd kan voorkomen of een (eerste) uiting van multiple sclerose (MS) kan zijn.

Patiënten met een geïsoleerde neuritis optica hebben daarom een vergrote kans om in de jaren na deze aandoening MS te krijgen. Sommige onderzoekingen lijken erop te wijzen dat deze kans gereduceerd kan worden door behandeling met corticosteroïden of interferon bèta, maar deze bevindingen zijn niet onomstreden.

klinische kenmerken

Kenmerkend voor neuritis optica is een in dagen tot twee weken toenemende eenzijdige visusdaling, die in 90 van de gevallen gepaard gaat met pijn rond het oog. Sommige patiënten zien lichtflitsen bij het bewegen van de ogen. Wanneer de aandoening op haar hoogtepunt is, loopt de mate van visusdaling uiteen van wazig zien tot volledige afwezigheid van lichtperceptie.1

Het oude adagium ‘de patiënt ziet niets en de dokter ziet niets’ is niet geheel juist gebleken. Slechts bij een deel van de patiënten worden behoudens de visusdaling en een relatief afferent pupildefect geen andere afwijkingen gevonden. Met de term ‘relatief afferent pupildefect’ wordt bedoeld dat bij het belichten van het aangedane oog een minder sterke vernauwing van de pupil optreedt dan bij het belichten van het gezonde oog. Men spreekt dan van neuritis retrobulbaris (een vorm van neuritis optica). Bij een aanzienlijk percentage (36-58) vindt men echter een gezwollen papil, al dan niet met vlamvormige bloedinkjes of zachte exsudaten (figuur). Bij een veel kleiner percentage is er tevens uveïtis of perifere retinale periflebitis.

De mogelijke oorzaken van een functiestoornis van de N. opticus zijn uitgebreid: onder andere infectieuze, ischemische, oncologische, toxische, erfelijke en auto-immune aandoeningen (tabel).2 Het is van belang deze aandoeningen vroegtijdig te herkennen, omdat de behandeling hiervan sterk kan verschillen van die van typische neuritis optica. Een verwijzing naar een oogarts bij vermoeden van neuritis optica lijkt dan ook in de meeste gevallen noodzakelijk. Op basis van de anamnese en het oogheelkundig onderzoek kan deze de diagnose met grote waarschijnlijkheid stellen.1

natuurlijk beloop

De pijn rond het oog duurt zelden langer dan een paar dagen, en na de geleidelijke achteruitgang van de visus zet zich ook zonder behandeling in de regel herstel in. In de placebogroep van de ‘Optic neuritis treatment trial’ (ONTT) waren er na 3 weken bij 79 van de patiënten tekenen van herstel, en na 5 weken bij 93.3 Verder herstel is mogelijk tot een jaar na het ontstaan van de verschijnselen. In de ONTT hield minder dan 10 van de patiënten een slechtere gezichtsscherpte dan 6/12 over in het aangedane oog.

Recidieven van neuritis optica zijn niet zeldzaam: in de ONTT was de cumulatieve kans op een recidief na 5 jaar 19 voor het aangedane oog, 17 voor het andere oog en 30 voor één van beide ogen.

behandeling met corticosteroïden

In meerdere gerandomiseerde trials is onderzocht of behandeling met corticosteroïden het herstel van de visus kan bevorderen. Uit een meta-analyse van deze trials bleek dat deze behandeling weliswaar leidde tot een vermindering van het aantal patiënten dat na 30 dagen nog geen tekenen van herstel van de visus toonde (oddsratio (OR): 0,60; 95-BI: 0,42-0,85), maar niet tot een verbetering van de visus op de langere termijn (OR: 0,96; 95-BI: 0,71-1,31).4 In de ONTT hadden corticosteroïden zelfs geen enkel effect als de gezichtsscherpte bij inclusie 6/12 of beter was.5 In deze trial, tot op heden de grootste, had orale behandeling met prednisolon geen effect op de korte termijn, in tegenstelling tot intraveneus toegediend methylprednisolon.5

Omdat behandeling met methylprednisolon het herstel van de visus kan versnellen, maar geen effect heeft op het uiteindelijke herstel, en omdat aan behandeling met corticosteroïden altijd risico's verbonden zijn, is deze alleen zinvol onder speciale omstandigheden, zoals reeds bestaande verminderde visus van het andere oog. In dat geval bedraagt de dosering methylprednisolon 1 g i.v. per dag gedurende 3 dagen. Er zijn geen aanwijzingen dat de visus weer zou kunnen verslechteren wanneer de behandeling met corticosteroïden abrupt gestaakt wordt.6 In alle gevallen is frequente controle van de visus gewenst.

Bij kinderen ontstaat neuritis optica gewoonlijk na een virusinfectie en komt de aandoening vaker bilateraal en gelijktijdig voor dan bij volwassenen. Bij kinderen is het effect van behandeling met corticosteroïden niet in trials onderzocht. Gezien de grote kans op spontaan herstel is een afwachtend beleid gerechtvaardigd indien de aandoening unilateraal is of zich in lichte vorm in beide ogen voordoet.7 Wanneer beide ogen ernstig zijn aangedaan, kan intraveneuze behandeling met methylprednisolon gestart worden, in een dosering van 15 mg/kg lichaamsgewicht per dag gedurende 3 dagen.

neuritis optica en ms

Patiënten met neuritis optica hebben een veel grotere kans dan anderen op het ontstaan van MS. In een Amerikaans bevolkingsonderzoek was de kans op het ontstaan van klinisch zekere MS binnen 10 jaar na het doormaken van een geïsoleerde neuritis optica 39, na 20 jaar 49, na 30 jaar 54 en na 40 jaar 60.8 De grootste risicofactor voor het ontstaan van MS na neuritis optica is het bestaan van asymptomatische wittestofafwijkingen van de hersenen bij MRI-onderzoek ten tijde van de aandoening. In de ONTT bleek de kans om na 10 jaar MS te hebben gekregen 22 te zijn indien geen afwijkingen in de hersenen werden aangetroffen, en 56 indien voor MS suggestieve wittestofafwijkingen werden gevonden.9 Deze tendens werd in andere onderzoeken bevestigd. Indien na een neuritis optica MS ontstaat, is de prognose voor wat betreft functionele beperkingen gunstig ten opzichte van die bij MS zonder neuritis optica.10

tijdelijk uitstel van ms

Methylprednisolon

Uit een post-hocanalyse van de ONTT kwam naar voren dat patiënten die wegens neuritis optica met intraveneus methylprednisolon waren behandeld minder kans hadden om in de eerste twee jaren daarna MS te krijgen dan patiënten die waren behandeld met oraal prednisolon of placebo. Het relatieve risico voor het ontstaan van klinisch zekere MS na behandeling met methylprednisolon ten opzichte van placebo, na correctie voor prognostische variabelen bij inclusie, was 0,34 (95-BI: 0,16-0,74).11 Het effect was het grootst bij patiënten die ten tijde van inclusie in de trial afwijkingen hadden op de MRI-scan van de hersenen. Deze resultaten waren echter gebaseerd op een retrospectieve analyse bij een ‘open’ behandeling (de trial kende geen intraveneuze placeboarm) en in totaal hadden in absolute zin slechts weinig patiënten zekere MS gekregen. Ook waren van 50 van de 389 geïncludeerde patiënten geen gegevens beschikbaar, hetgeen de resultaten kan hebben beïnvloed. Tenslotte bleek het effect 3 jaar na de neuritis optica definitief verdwenen te zijn.9 12

Kortom, als intraveneuze behandeling met methylprednisolon het ontstaan van MS al beïnvloedt, is dit effect alleen vertragend, zonder invloed op de uiteindelijke kans op het ontstaan van klinisch zekere MS. Naar onze mening dient intraveneuze behandeling met methylprednisolon dus niet plaats te vinden indien het enige doel bestaat uit het voorkómen van het ontstaan van MS.

Interferon bèta

Of behandeling met interferon bèta na een eerste episode met voor MS verdachte verschijnselen het ontstaan van klinisch zekere MS zou kunnen beïnvloeden, is in een tweetal gerandomiseerde trials onderzocht. In één daarvan werden 383 patiënten geïncludeerd na een eerste episode met klachten en verschijnselen die waarschijnlijk op demyelinisatie berustten.13 Bij de helft van deze patiënten betroffen deze neuritis optica. Daarnaast hadden deze patiënten tenminste 2 asymptomatische afwijkingen op de MRI-scan van de hersenen. De helft van alle patiënten werd behandeld met intramusculair interferon bèta-1a in een dosering van 30 ?g 1 maal per week, de andere helft met placebo. De kans op het ontstaan van klinisch zekere MS binnen 3 jaar bleek significant lager te zijn in de interferongroep dan in de placebogroep (OR: 0,56; 95-BI: 0,38-0,81). In de andere trial werd een vergelijkbare groep patiënten onderzocht (n = 309, van wie 98 met neuritis optica).14 Deze patiënten hadden tenminste 4 asymptomatische wittestofafwijkingen (of 3 indien er één aankleurde na intraveneuze toediening van gadopentetinezuur (gadolinium)). De helft van deze patiënten werd behandeld door subcutane toediening van interferon bèta-1a in een dosering van 22 ?g 1 maal per week en de helft met placebo. Ook in dit onderzoek was de kans op het ontstaan van klinisch zekere MS binnen 2 jaar kleiner bij patiënten die met interferon bèta-1a waren behandeld dan in de placebogroep (OR: 0,61; 95-BI: 0,37-0,99). In beide trials leidde actieve behandeling ook tot een verlaagde kans op nieuwe wittestofafwijkingen op de MRI-scan van de hersenen.

De resultaten van deze beide trials zijn niet verrassend, omdat in eerdere onderzoekingen al was aangetoond dat behandeling met interferon bèta bij patiënten met MS het aantal exacerbaties vermindert en omdat de geïncludeerde patiënten vooraf al een grote kans hadden op het ontstaan van MS vanwege de afwijkingen op de eerste MRI-scan. Het is echter nog onbekend of de onderzochte vroege behandeling met interferon bèta op de langere termijn een gunstig effect heeft op de functionele beperkingen. Uit een recente meta-analyse van de resultaten van gerandomiseerde trials over behandeling met interferon bij patiënten met zekere MS, gekenmerkt door remissies en exacerbaties, blijkt dat zelfs bij deze groep het effect na het eerste jaar onzeker is, zowel wat betreft het aantal exacerbaties als wat betreft de functionele beperkingen.15

mri-onderzoek bij neuritis optica

Door het verrichten van MRI-onderzoek van de hersenen bij patiënten met neuritis optica kan de kans op het ontstaan van MS beter ingeschat worden. Maar ook wanneer vaststaat dat neuritis optica de voorbode was van MS, is het ziektebeloop wat betreft de MS relatief gunstig.10 In Nederland is het geregistreerde indicatiegebied voor interferon bèta-1a in de formulering die wekelijks moet worden toegediend, onlangs uitgebreid tot een enkele episode van demyelinisatie bij een verhoogd risico op het ontstaan van klinisch zekere MS. Toch is onzes inziens het nut van deze behandeling in die omstandigheden nog onvoldoende bewezen. Het maken van een MRI-scan bij een geïsoleerde neuritis optica heeft daarom geen consequenties voor de behandeling. Bij kinderen is de kans op het ontstaan van MS na neuritis optica bij voorbaat al veel kleiner dan bij volwassenen en is interferon bèta niet geregistreerd.

Er bestaat om begrijpelijke redenen nogal wat weerstand om de relatie tussen neuritis optica en MS met de patiënt te bespreken. Het besef een aanzienlijke kans op het ontstaan van deze ziekte te hebben kan immers tot veel onrust leiden. Tegelijkertijd is het meestal minder wenselijk dat patiënten de genoemde relatie vernemen via het internet, de patiëntenvereniging of een verzekeringsmaatschappij. Het lijkt daarom raadzaam de kans op het ontstaan van MS wel met de patiënt te bespreken en daarbij ook het relatief gunstige beloop in het geval zich MS voordoet onder de aandacht te brengen. De vraag of MRI-onderzoek van de hersenen zal plaatsvinden, moet mede in dit licht bezien worden.

Mw.dr.D.Wittebol-Post, oogarts, gaf commentaar op een eerdere versie van dit artikel.

Dit artikel is een bewerking van het artikel ‘Management of acute optic neuritis’ (Lancet 2002;360:1953-62).2

Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: geen gemeld.

Literatuur
  1. Optic Neuritis Study Group. The clinical profile of opticneuritis. Experience of the Optic neuritis treatment trial. Arch Ophthalmol1991;109:1673-8.

  2. Hickman SJ, Dalton CM, Miller DH, Plant GT. Management ofacute optic neuritis. Lancet 2002;360:1953-62.

  3. Beck RW. Optic neuritis. In: Miller NR, Newman NJ,editors. Walsh and Hoyt's clinical neuro-ophthalmology. 5th ed.Baltimore: Williams and Wilkins; 1998. p. 599-647.

  4. Brusaferri F, Candelise L. Steroids for multiple sclerosisand optic neuritis: a meta-analysis of randomized controlled clinical trials.J Neurol 2000;247:435-42.

  5. Beck RW, Cleary PA, Anderson jr MM, Keltner JL, Shults WT,Kaufman DI, et al. A randomized, controlled trial of corticosteroids in thetreatment of acute optic neuritis. N Engl J Med 1992;326:581-8.

  6. Kapoor R, Miller DH, Jones SJ, Plant GT, Bruna A, Gass A,et al. Effects of intravenous methylprednisolone on outcome in MRI-basedprognostic subgroups in acute optic neuritis. Neurology1998;50:230-7.

  7. Morales DS, Siatkowski RM, Howard CW, Warman R. Opticneuritis in children. J Pediatr Ophthalmol Strabismus2000;37:254-9.

  8. Rodriguez M, Siva A, Cross SA, O’Brien PC, KurlandLT. Optic neuritis: a population-based study in Olmsted County, Minnesota.Neurology 1995;45:244-50.

  9. Optic Neuritis Study Group. High- and low-risk profilesfor the development of multiple sclerosis within 10 years after opticneuritis: experience of the optic neuritis treatment trial. Arch Ophthalmol2003;121:944-9.

  10. Ramsaransing G, Maurits N, Zwanikken C, Keyser J de.Early prediction of a benign course of multiple sclerosis on clinicalgrounds: a systematic review. Mult Scler 2001;7:345-7.

  11. Beck RW. The optic neuritis treatment trial: three-yearfollow-up results. Arch Ophthalmol 1995;113:136-7.

  12. Beck RW, Cleary PA, Trobe JD, Kaufman DI, Kupersmith MJ,Paty DW, et al. The effect of corticosteroids for acute optic neuritis on thesubsequent development of multiple sclerosis. N Engl J Med1993;329:1764-9.

  13. Jacobs LD, Beck RW, Simon JH, Kinkel RP, BrownscheidleCM, Murray TJ, et al. Intramuscular interferon beta-1a therapy initiatedduring a first demyelinating event in multiple sclerosis. N Engl J Med2000;343:898-904.

  14. Comi G, Filippi M, Barkhof F, Durelli L, Edan G,Fernández O, et al. Effect of early interferon treatment on conversionto definite multiple sclerosis. Early Treatment of Multiple Sclerosis StudyGroup. Lancet 2001;357:1576-82.

  15. Filippini G, Munari L, Incorvaia B, Ebers GC, Polman C,D'Amico R, et al. Interferons in relapsing remitting multiple sclerosis:a systematic review. Lancet 2003;361:545-52.

Auteursinformatie

Universitair Medisch Centrum Utrecht, afd. Neurologie, HP G 03.228, Heidelberglaan 100, 3584 CX Utrecht.

Hr.dr.H.B.van der Worp en hr.prof.dr.J.van Gijn, neurologen.

The National Hospital for Neurology and Neurosurgery, Londen, Verenigd Koninkrijk.

Hr.dr.G.T.Plant, neuroloog.

(h.b.vanderworp@neuro.azu.nl).

Contact hr.dr.H.B.van der Worp (h.b.vanderworp@neuro.azu.nl)

Reacties

Heffen, België, maart 2004,

De collega's Van der Worp et al. (2004:61-5) hebben er goed aan gedaan een kritisch geluid te laten horen. Jarenlange uitgebreide literatuurstudie over multiple sclerose (MS) en ‘neuritis optica’ deden in mij het inzicht rijpen dat het steeds opnieuw verkondigd geloofsartikel dat het bij beide aandoeningen om ‘een idiopathische ontstekingsreactie’ zou gaan – met alle gevolgen van dien – in ieder geval aanvechtbaar is. Jarenlang heb ik ook onbewust met dat geloof geleefd tot ik in het leerboek van mijn leermeester in de Neurologie, wijlen P.van Gehuchten, diens stelling ‘[. . .] rien dans le tableau histologique ne permet d’affirmer que les lésions soient de nature inflammatoire' [in het histologisch beeld is er niets dat erop wijst dat de afwijkingen van inflammatoire aard zijn] en het daarbij aansluitend betoog weer onder ogen kreeg.1 Dit nadat ik na heronderzoek van één mijner toen nog stevig rokende MS-patiënten (met karakteristieke bleekheid van de temporale sector van de papil) als oorzaak van de ‘retrobulbaire zenuwontsteking’ onder andere het volgende zag vooropgesteld: ‘chronische intoxicatie door tabak’.2 Ook intoxicaties kregen – en krijgen – dus het etiket ‘ontsteking’ opgeplakt. Een misleidende gewoonte,3 met verstrekkende gevolgen, niet in het minst op preventief en therapeutisch gebied. Het verdient alvast aanbeveling dat geïnteresseerden zich niet zouden beperken tot het beluisteren en lezen van het allerlaatste Engelstalig nieuws over MS en ‘neuritis optica’, maar – zo mogelijk – ook eens zouden teruggrijpen naar oudere, ook anderstalige bronnen.

O.A.A. Bartier
Literatuur
  1. Gehuchten A van. Les maladies nerveuses. Leuven: Uystpruyst; 1945. p. 396-7.

  2. Appelmans M. Leçons sur les maladies des yeux. Leuven: Warny; 1949. p. 293.

  3. Apple DJ, Rabb MF. Clinicopathologic correlation of ocular disease. St Louis: Mosby; 1978. p. 434.

Utrecht, maart 2004,

Wij zullen de laatsten zijn om wijlen P.van Gehuchten, leermeester van collega Bartier, tegen te spreken en zijn het geheel met deze eens dat het onjuist is aandoeningen van de N. opticus als ‘neuritis optica’ te benoemen als deze diagnose niet met zekerheid gesteld is. In ons artikel schrijven wij dan ook dat er vele oorzaken bestaan van een functiestoornis van de N. opticus, en dat bij vermoeden van een aandoening van de N. opticus verwijzing naar een oogarts in de meeste gevallen noodzakelijk is.

Het voert te ver om hier in te gaan op de verschillende hypothesen over de oorzaken van MS. Er bestaan inderdaad enige aanwijzingen dat roken een risicofactor is voor het ontstaan van MS,1 maar hierover zijn de boeken nog niet gesloten. Zoals in de tabel van ons artikel is aangegeven, kan chronisch gebruik van tabak inderdaad leiden tot beschadiging van de N. opticus. Anders dan bij neuritis optica treft deze zogenaamde tabaksamblyopie echter beide ogen tegelijk en ontstaat de uitval in weken in plaats van binnen enkele dagen.2 In westerse landen is deze aandoening bovendien uiterst zeldzaam.

Overigens willen wij het volgende rechtzetten: in ons artikel hebben wij erop gewezen dat het gunstige effect van behandeling van MS met interferon bèta op de lange termijn nog onvoldoende bewezen is. Dat is niet hetzelfde als bewijs dat deze behandeling ineffectief is.

H.B. van der Worp
J. van Gijn
Literatuur
  1. Riise T, Nortvedt MW, Ascherio A. Smoking is a risk factor for multiple sclerosis. Neurology 2003;61:1122-4.

  2. Rizzo 3rd JF, Lessell S. Tobacco amblyopia. Am J Ophthalmol 1993;116:84-7.