Asielkinderen tussen wal en schip?

Sjors van Beek
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2016;160:C2902
Download PDF

Het klinkt eenvoudig: een jeugdige asielzoeker krijgt een verblijfsvergunning, verhuist vanuit het asielzoekerscentrum (AZC) naar een gemeente, en gaat naar de dokter. De praktijk is weerbarstiger. Taalproblemen – en vooral het ontbreken van tolken – spelen de zorgverleners ernstig parten, het niet doorzenden van medische dossiers ook.

Eind 2014 verbleven er volgens een schatting van VluchtelingenWerk al zo’n 200.000 vluchtelingen in Nederlandse gemeenten. De taakstelling voor 2015 was 29.000, voor 2016 nog eens 43.000. Dat komt neer op 4,4 vergunninghouders per duizend inwoners. Een derde van hen is kind, in kleine gemeenten is dat aandeel nog groter. Een rondgang langs mensen in het veld leert dat de overgang van medische zorg onder de vleugels van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) naar de reguliere gezondheidszorg niet overal even vlekkeloos verloopt.

Taal en tolken als struikelblok

Met afstand het grootste knelpunt is het afschaffen van de vergoeding voor tolken, zo vertellen de geraadpleegde hulpverleners. Omdat het niet meer wordt betaald, zien veel huisartsen en jeugdartsen en -verpleegkundigen ervan af om een professioneel vertaler in te schakelen. Met als gevolg: ‘handen- en voetenwerk’, Google Translate en het inschakelen van familieleden of bekenden. ‘Geen ideale situatie’, zegt Karin Kelly, jeugdarts bij GGD Noord- en Oost-Gelderland. ‘Je weet nooit hoe betrouwbaar zo’n vertaling is. Zeker bij precaire onderwerpen is het moeilijk. Neem meisjesbesnijdenis of menstruatieklachten. Zonder professionele tolk kun je gewoon geen open gesprek hebben, en dús de gewenste hulp niet inzetten’. Haar collega, jeugdverpleegkundige Maria Krabbenborg: ‘Het is een heel gemis. Dan zie ik een klein meisje in groep 1 op school dat scheel kijkt, ik wil de ouders dan uitleggen dat het kind echt naar de oogarts moet en dat lukt dan niet. Soms hoop je dat er iemand is die een beetje Arabisch spreekt, maar je moet uitkijken wie je laat vertalen. Leerkrachten en huisartsen lopen hier ook tegenaan.’

‘Zonder professionele tolk kun je gewoon geen open gesprek hebben’

Maria van den Muijsenbergh, huisarts in Nijmegen en in deeltijd verbonden aan Pharos (Expertisecentrum gezondheidsverschillen): ‘Bij een verstuikte enkel red je je nog wel zonder tolk, maar niet bij complexe klachten. Een tolkend familielid kent bijvoorbeeld de term voor milt niet.’ Huisartsen schakelen tolken nauwelijks nog in sinds ze het zelf moeten betalen, is bekend uit onderzoek. Van den Muijsenbergh: ‘Een tolk kost ongeveer €40 voor twintig minuten, méer dus dan die huisarts van €18. Zes van die gesprekken per dag en dan ga je bij wijze van spreken failliet.’ Ze vindt het onbegrijpelijk dat VWS de tolkenvergoeding heeft afgeschaft. ‘De gedachte was: mensen moeten maar Nederlands spreken, dat is hun eigen verantwoordelijkheid. Maar het kán evident niet als je net in Nederland bent gearriveerd.’

Simone Goosen, epidemioloog en beleidsmedewerker bij GGD GHOR Nederland (de koepelorganisatie voor GGD’en en de Geneeskundige Hulpverleningsorganisaties in de Regio), wijst op een passage in het bestuursakkoord Verhoogde Asielinstroom: ‘Het is van belang om rechtmatig verblijvende vreemdelingen op tijd in beeld te hebben en te signaleren wanneer zich gezondheidsrisico’s voordoen. De JGZ moet in staat blijven deze taak (incl. de inzet van tolken) te kunnen verrichten.’ Goosen: ‘De tolkenvergoeding moet gewoon geregeld worden.’

‘We zitten heel vaak te wachten op dossiers’

GGD GHOR Nederland en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) roepen in een onlangs uitgebrachte notitie ‘De gezondheid van vluchtelingen in gemeenten: preventie centraal’ het Rijk op met extra geld over de brug te komen. ‘Met de huidige asielinstroom gaat het om zóveel extra kinderen en vraagt het zóveel extra, dat kun je er als GGD zonder extra middelen niet allemaal even bij doen’, aldus Goosen.

‘Dat vergunninghouders kwetsbaar zijn op het gebied van gezondheid is eigenlijk vanzelfsprekend’, aldus de notitie. Daarbij wordt vooral gedacht aan psychische klachten en infectieziekten. ‘Maar ook chronische ziekten zoals diabetes en hart- en vaatziekten, complicaties bij zwangerschap en bevalling en opvoedingsproblemen komen bij vluchtelingen vaker voor dan gemiddeld in Nederland.’ Het extra geld is onder meer nodig voor ‘het inrichten van informatiesystemen waarmee GGD’en en JGZ-instellingen op tijd weten waar en wanneer vergunninghouders zich vestigen in gemeenten en gegevens kunnen worden overgedragen’. Ook monitoren is belangrijk.

De overdracht van gegevens hapert

De overdracht van dossiers vanuit de COA-locaties naar de reguliere zorg vormt een andere hobbel in de keten. Jeugdverpleegkundige Krabbenborg: ‘We zitten heel vaak te wachten op dossiers. Bij “gewone” kinderen is het bij een verhuizing na één telefoontje naar een zuster-JGZ-organisatie geregeld, bij vluchtelingenkinderen niet. Ik heb géén idee waarom dat zo moeilijk is. Maar we hebben ze wel nodig om in kaart te brengen welke zorg het kind al heeft gehad.’

‘Er vallen kinderen tussen wal en schip, ze verdwijnen uit ons gezichtsveld’

Ze is niet de enige met deze ervaring. Jeugdarts Karin Kelly werkt zowel in AZC’s als – tot voor kort – in de reguliere JGZ. ‘In de AZC’s in onze regio sturen we de dossiers actief naar de JGZ-organisatie in de gemeente waar een kind wordt ondergebracht. Maar vanuit mijn werkzaamheden aan de andere kant weet ik dat ik een nieuw kind lang niet altijd volledig krijg overgedragen vanuit de AZC’s elders. Er zijn zóveel AZC’s, zóveel verschillende werkwijzen, het is absoluut niet uniform. Maar dus vallen er kinderen tussen wal en schip, ze verdwijnen uit ons gezichtsveld.’

Het probleem zit deels in de digitale systemen die niet aan elkaar zijn gekoppeld, legt Kelly uit. ‘Dan moeten de dossiers soms dus worden uitgeprint, ingescand en per e-mail verzonden. En die plakken we dan weer in ons eigen systeem.’

Ook de overdracht van de dossiers van het Gezondheidscentrum Asielzoekers (GC A, de reguliere huisartsenzorg in de AZC’s) naar de huisarts gaat het momenteel stroef, vertelt huisarts Van den Muijsenbergh. ‘Je kunt het dossier opvragen met een speciaal formulier, maar er is een achterstand van ongeveer twee maanden.’ Simone Goosen: ‘Ik ken de zorgen binnen de curatieve zorg, en die zijn heel reëel. Het verdient urgent aandacht.’

Snelle doorstroming

‘Het zijn kwetsbare kinderen met een rugzakje, ze hebben veel meegemaakt’

Met de huidige snelle doorstroming zijn niet alle kinderen al gezien door de JGZ voordat ze naar gemeenten verhuizen. Normaliter krijgt een asielzoekerskind bij binnenkomst in de opvang binnen 6 weken een verpleegkundige intake, en 1 tot 3 weken daarna een medisch onderzoek door de arts PGA JGZ (‘PGA’ staat voor Publieke Gezondheidzorg Asielzoekers). Daarbij wordt het JGZ-dossier en het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) opgestart, vertelt Marjolein van der Laan, stafarts JGZ bij GGD Noord- en Oost-Gelderland en lid van een werkgroep van het Nederlands Centrum Jeugdgezondheidszorg (NCJ) en GGD GHOR Nederland. ‘Maar sommige kinderen, met name Syrische en Eritrese, krijgen vrijwel meteen een status, nog voordat ze zijn gezien door de PGA JGZ.’ Momenteel bekijken GGD GHOR en NCJ gezamenlijk wat die kinderen kan worden geboden, hiervoor wordt landelijk ook een toolkit ontwikkeld. ‘We denken aan intake en onderzoek à la PGA JGZ voor jeugdigen die nog niet door PGA JGZ gezien zijn’, aldus Van der Laan. ‘Het zijn toch kwetsbare kinderen met een rugzakje, ze hebben veel meegemaakt. We willen hen dus graag goed in beeld hebben. Maar daarbij lopen we wel tegen capaciteitsproblemen aan omdat dit werk er extra bij komt.’ Volgens Van der Laan zijn JGZ-organisaties om die reden momenteel druk aan het werven onder jeugdartsen en -verpleegkundigen en ontstaat er een heuse ‘krapte op de personeelsmarkt’.

Zeker de jonge kinderen komen uit de systemen van GGD en consultatiebureaus wel tevoorschijn, vertellen de mensen in de praktijk. Maar eventuele oudere kinderen in een vluchtelingengezin niet. ‘En dat willen we eigenlijk wél, dus daar gaan we afspraken over maken met wethouders’, zegt Simone Goosen. ‘We willen een omslag tot stand brengen, van “oproepen als ze in aanmerking komen voor een contactmoment” naar “alle kinderen een keer zien kort nadat ze in de gemeente zijn komen wonen”. Het NCJ ontwikkelt ook daar op dit moment een richtlijn voor’, aldus Goosen. Sommige GGD-regio’s als Twente en West-Brabant zijn, volgens Goosen, al erg actief op dit terrein.

Achterstand in vaccinaties

Hoeveel kinderen verlaten de AZC’s met achterstanden in de vaccinaties? Simone Goosen: ‘Harde cijfers hierover zijn er niet. Het is niet eenvoudig uit de registraties te halen. En nergens is vastgelegd hoeveel vaccinaties een kind al heeft gehad bij binnenkomst in Nederland. Maar ze hoeven natuurlijk niet te wachten tot ze gevaccineerd zijn vóórdat ze naar een gemeente kunnen.’

Het RIVM stuurt ouders van kinderen van wie 20 weken na binnenkomst in Nederland nog geen vaccinatieplan is ontvangen, een standaard inhaalschema, met de oproep zich te melden bij de GGD.

Harald Wychgel, woordvoerder van het RIVM: ‘We hebben iedereen in het vizier en bij ons heerst niet het beeld dat kinderen niet of onvoldoende worden gevaccineerd. Alle asielkinderen zitten in het RVP, zelfs als ze illegaal zijn. Ons is ook niets bekend over kwetsbare regio’s waar infectieziekten zich méér voordoen.’

Wel zijn er ‘inhaalspreekuren’ voor kinderen die uit de asielopvang komen en andere nieuwkomerskinderen. ‘En die zitten behoorlijk vol’, zegt JGZ-arts Van der Laan. ‘Het is veel werk om uit te zoeken of iemand alles uit het basis-vaccinatieschema heeft gehad. Ze komen binnenlopen met Arabische vaccinatieboekjes, het moet allemaal worden uitgezocht.’

Jeugdarts Kelly is stellig: ‘Er zijn váák nog vaccinatieachterstanden als kinderen in gemeenten komen wonen. Ze stromen de laatste tijd soms zó snel door dat er nog geen plan is opgesteld. Of ze hebben 1 of 2 prikken DKTP/hepatitis B gehad, maar de laatste prik na 6 maanden nog niet. Meestal zijn ze voor die tijd al uit het AZC vertrokken. De GGD zegt: die mensen moeten zich zelf maar melden. Maar dat doen ze niet. Ik vind dat we ze actief zouden mogen opsporen.’

Onvoldoende aandacht voor psychische problemen

‘Met het gros van de asielkinderen gaat het psychisch-sociaal gezien goed’

Zeker ten aanzien van de psychische noden van asielkinderen ontbreekt een helder beeld. ‘We weten nog veel te weinig over hoeveel kinderen, én hun ouders, behandeling nodig hebben en wie bereid zijn hulp te zoeken en te aanvaarden’, aldus Goosen. Met name de alleenstaande minderjarige vreemdelingen (AMV’s) baren zorgen. Eind 2015 waren er zo’n 4000 kinderen in deze groep. Een zeer groot deel van de AMV’s heeft psychosociale problemen, aldus Van den Muijsenbergh. ‘Hier ligt een taak voor de huisarts, want deze kinderen komen na hun 18e niet meer bij de JGZ. Als ze 18 worden en geen verblijfsvergunning krijgen, verdwijnen ze vaak in de illegaliteit. De meisjes raken ongewenst zwanger, de jongens krijgen gedragsproblemen en raken verslaafd. Met name bij Eritrese jongens is de situatie zorgelijk.’ Jeugdarts Kelly bevestigt het beeld. ‘Met de alleenstaande pubers gaan we problemen krijgen. Ze zeggen weinig, hebben een schild opgebouwd. Ze kunnen niet vrolijk zijn, hebben een sombere blik, ze komen niet uit bed en zijn ongemotiveerd. Ze zijn zó vaak overgeplaatst dat ze zich niet meer durven te hechten. Daar komt een grote vraag naar hulp.’

Psychische problemen zullen zich vooral aandienen als vluchtelingenkinderen eenmaal zijn gesettled in een gemeente, denkt Kelly. ‘In de AZC’s staan ze nog in de overlevingsmodus. Maar daarna hebben ze eindelijk de rust om na te denken.’

‘De meeste kinderen met traumatische ervaringen herstellen, mits de omstandigheden goed zijn’

Huisarts Van den Muijsenbergh werkt momenteel mee aan een rapport dat Pharos in opdracht van VWS maakt over de verwachtingen ten aanzien van gezondheid en benodigde zorg van vluchtelingen. ‘Met het gros van de asielkinderen gaat het psychisch-sociaal gezien goed, in de zin van “lekker in hun vel zitten”’, stelt Van den Muijsenbergh. ‘En de meeste kinderen met traumatische ervaringen herstellen, mits de omstandigheden goed zijn. Een stabiele thuissituatie is belangrijk. Risicofactoren zijn psychiatrische problemen van met name de moeder, en heel veel verhuizingen binnen de asielprocedure. Het is belangrijk dat huisartsen wéten dat deze mensen vaak geen contact leggen. Het is dus goed om hen actief te benaderen en daarbij te letten op de risicofactoren. De problematische gezinnen verdwijnen onder de radar, daar moeten we echt op gaan letten.’ Ze pleit er dan ook voor dat huisartsenpraktijken nieuwkomersgezinnen uitnodigen voor een kennismakingsgesprek, en wanneer er aanleiding voor zorgen is, zo nodig bij hen thuis op bezoek gaan, ‘net als bij kraamvisites’.

Uitlegkaders

Dit artikel is gepubliceerd in het dossier
Public Health

Gerelateerde artikelen

Reacties