Artsen en wetenschappelijk onderzoek: lichte teruggang van het aantal gepromoveerde artsen

Onderzoek
Abstract
M.J. Stukart
M.P.W. Strijbosch
M.H.W. Hooiveld
M.M. van Rees-Wortelboer
J.P. Vandenbroucke
E.C. Klasen
Leestijd
13 minuten
Citeren

Artikel

Inleiding

Veel Nederlandse medische wetenschappers hebben grote zorgen over de toekomstige bemensing van het medisch-wetenschappelijk onderzoek.1 2 In het bijzonder het aantal medici dat een academische onderzoekscarrière zou ambiëren, baart zorgen. Immers, naast biomedici en natuurwetenschappers, zijn wetenschappelijk opgeleide clinici nodig om een brug te slaan tussen het basale…

Auteursinformatie

Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, Postbus 19.121, 1000 GC Amsterdam.

Mw.dr.M.J.Stukart en hr.dr.ing.M.H.W.Hooiveld (thans: Universitair Medisch Centrum Groningen, Programmagroep Junior Scientific Masterclass, Groningen), medisch biologen.

ZonMw, Den Haag.

Mw.drs.M.P.W.Strijbosch, biomedisch wetenschapper; mw.dr.M.M.van Rees-Wortelboer, arts.

Leids Universitair Medisch Centrum, Leiden.

Afd. Klinische Epidemiologie: hr.prof.dr.J.P.Vandenbroucke, klinisch epidemioloog.

Raad van Bestuur: hr.prof.dr.E.C.Klasen, biochemisch geneticus.

Contact mw.dr.M.J.Stukart (m.stukart@bureau.knaw.nl)

Reacties
K.W.M.
Bloemenkamp

Leiden, augustus 2006,

Met belangstelling lazen wij het artikel van Stukart et al. waarin zij constateren dat steeds minder artsen belangstelling hebben voor een academische carrière (2006:1509-12). De auteurs noemen arbeidsomstandigheden en carrièremogelijkheden als redenen waarom jonge artsen een wetenschappelijke carrière aan een universitaire instelling minder aantrekkelijk vinden. Zij gaan daarbij niet verder in op de door hen genoemde arbeidsomstandigheden. Wij willen dat wel doen.

Voor ons is een groot punt van zorg de toenemende bureaucratisering van academische instellingen, waarbij de jonge academisch aangestelde specialist nauwelijks invloed heeft op de organisatie, maar wel de gevolgen van de bureaucratie aan den lijve ondervindt. Deze problematiek van bureaucratisering speelt op veel vlakken. Wij willen – als voorbeeld – specifiek ingaan op de bureaucratisering rondom het klinisch-wetenschappelijk onderzoek zelf.

Wettelijke voorschriften aangaande toetsing van lokale uitvoerbaarheid voor onderzoeken die reeds door medisch-ethische commissies van andere instellingen zijn goedgekeurd, worden door een groot aantal academische instellingen in de praktijk niet gevolgd. Formeel mag de raad van bestuur van een instelling een onderzoeksvoorstel dat door een primair toetsende medisch-ethische commissie elders is goedgekeurd alleen nog toetsen op lokale uitvoerbaarheid. Wij maken echter regelmatig mee dat uitgebreide wijzigingen van zowel protocol als patiënteninformatie gevraagd worden, bijvoorbeeld het herzien van ‘power’-berekeningen of een uitbreiding van het aantal uitkomstmaten. Bij multicentrische studies die wij samen met een groot aantal collega’s in niet-academische ziekenhuizen hebben opgezet, circuleren per studie in Nederland tot wel 40 verschillende versies van de patiënteninformatie. Afgezien van het dubieuze nut van 40 verschillende lokale versies van patiënteninformatie voor één en dezelfde studie, is er mogelijk ook een effect op de bereidwilligheid tot deelname van patiënten. Ook het beleid betreffende de verzekering van proefpersonen in studies is in de verschillende instellingen zeer divers.

Bovengenoemde feiten maken het uitvoeren van multicentrisch onderzoek tot een sisyfusarbeid. Ernstiger is dat onderzoeken forse vertraging oplopen, waardoor inclusieverplichtingen niet gehaald worden, klinisch-wetenschappelijk onderzoekers van hun feitelijke werk gehouden worden en studies soms ondanks het enthousiasme van alle betrokken specialisten in bepaalde centra helemaal niet van start gaan.

Stukart et al. pleiten voor continue landelijke registraties van het type gegevens zoals zij die zelf verzamelden. Wij denken dat de oplossing vooral ook in andere richtingen gezocht moet worden. Het onderwerp bureaucratisering van klinisch-wetenschappelijk onderzoek – en van andere zaken – dient in zeer praktische zin op de agenda van alle raden van bestuur van academische centra geplaatst te worden.

De auteurs hebben naar eigen zeggen nog geen grote zorg over de toekomst van de academische geneeskunde in Nederland. Wij zijn echter, gezien de situatie op de academische werkvloer, zeer bezorgd.

K.W.M. Bloemenkamp
J.J. Duvekot
A. Kwee
B.W. Mol
M.G. van Pampus
J.A. van der Post
H.C. Scheepers
C. Willekes
M.G.A.J. Wouters

Gratis Ask NTVG uitproberen?

Maak met 2 klikken een gratis account aan

Account aanmaken

Heb je al een account of een abonnement? Inloggen

Altijd toegang tot alle publicaties van het NTVG?

Abonneer vandaag nog!

Online toegang tot alle artikelen
Gepersonaliseerde alerts voor artikelen en dossiers
Artikelen voor opleiding en nascholing mét geaccrediteerde toetsen
Onbeperkt luisteren naar de NTVG-podcast
Antwoorden op al je vragen via de AI-toepassing 'Ask NTVG'

Neem het digitaal ntvg abonnement

€ 15,93 per maand!

Ik wil digitaal
NTVG nummer 6 2026
NTVG nummer 7 2026
NTVG nummer 8 2026