Arts en farmaceutische industrie. I. Langs de koninklijke weg of per Royal Class?

Klinische praktijk
L. Offerhaus
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1992;136:13-6
Download PDF

Zie ook de artikelen op 7en 36

Inleiding

In 1986 schreef een bekende en alom gerespecteerde Zweedse cardioloog naar aanleiding van een bezoek aan een cardiologisch wereldcongres een onverbloemde aanklacht tegen de farmaceutische industrie en de zijns inziens onoorbare praktijken die worden toegepast om artsen ertoe te krijgen bepaalde produkten voor te schrijven.1 Zijn felle kritiek was echter evenzeer gericht op de artsen en de vaak onbeschaamde wijze waarop bij de farmaceutische industrie wordt gebedeld om financiële steun voor bepaalde wetenschappelijke en nietwetenschappelijke activiteiten. Evenmin liet hij de uitgevers- en congresindustrie ongenoemd, die haar graantje van deze ongezonde relaties meepikt zonder zich te bekommeren over de ethische consequenties. Hij eindigde zijn artikel met een dringende oproep tot de medische beroepsgroepen om in eigen huis orde op zaken te stellen voordat de overheid de botte bijl zou gaan hanteren.

Kritiek van de zijde van het publiek is er al sedert jaren. Consumenten hebben hun stem laten horen,2 en ook medische journalisten hebben individueel in niet mis te verstane bewoordingen gewaarschuwd voor de toenemende ‘medicalisering’ van de samenleving door wat Illich heeft aangeduid als ‘het medisch-industriële complex’.3-5 Het grote publiek werd pas goed wakker geschud toen de BBC in 1982 een in de Orient Express opgenomen documentaire uitzond over een groep Britse artsen die onder leiding van een bekende reumatoloog op weg waren naar Venetië om wetenschappelijk geïnformeerd te worden over een antirheumaticum – dat overigens kort daarna wegens ernstige bijwerkingen uit de handel werd genomen.

Vrij recentelijk zijn artsen in hun eigen media kritiek gaan leveren op de toenemende vervaging van de grenzen tussen samenwerking en corruptie. Het in 1984 gepubliceerde geruchtmakende artikel van de Britse klinische farmacoloog Rawlins bevat onder een wat tendentieuze titel een nuchtere analyse van wat er misgegaan is in de verhouding tussen arts en farmaceutische industrie;6 de zelfcontrole van de farmaceutische industrie schiet te kort, zogenaamd postacademisch onderwijs wordt in toenemende mate door de industrie gefinancierd en de universitaire research wordt door geldgebrek in de richting van geneesmiddelenonderzoek gedwongen. Ook hij steekt een beschuldigende vinger naar de artsen en hun organisaties uit. Hoewel de farmaceutische industrie uiteraard in alle toonaarden fel protesteerde tegen wat zij als onterechte aanklachten voelde,7-9 werd de schrijver door collegae geprezen om zijn gematigde verwoording van alom levende gevoelens.10 In de V.S. zijn de emoties over het onethische gedrag van medici al zo hoog opgelaaid dat door sommigen met luider stemme gevraagd is om overheidsmaatregelen waarmee geldverkwisting en overeenkomsten tussen arts en industrie die de smalle scheidingslijn tussen vriendendienst en corruptie overschrijden, kunnen worden voorkomen;11 anderen vroegen zich af waarom geen bindende codes zouden kunnen worden opgesteld om onethisch gedrag uit te bannen.1213

Voorbeelden

Is er nu werkelijk een probleem en is dat relevant voor Nederland? Dat dit inderdaad het geval is, kan met enkele voorbeelden geïllustreerd worden.

Het ‘Tupperware Party’-syndroom

Een kort krantebericht meldde onlangs dat 27 farmaceutische industrieën zich bereid verklaard hebben om 150.000 gulden te betalen voor postacademische cursussen voor provinciale huisartsen, op voorwaarde dat zij tijdens de bijeenkomsten hun produkten mogen presenteren.

Een groep artsen mag – samen met echtgenote – gratis op wintersportvakantie, op voorwaarde dat zij een lezing over een nieuw produkt bijwonen onder het genot van een glas Glühwein.

Het verwende kind

Een jonge universitaire medewerker krijgt buiten zijn schuld in het buitenland een ernstig auto-ongeval met tragische afloop. Behalve een vergoeding voor andere ernstige schade claimt hij bij de verzekering van de tegenpartij een bedrag in verband met het missen van de financiële steun van de farmaceutische industrie voor het enkele malen per jaar met zijn echtgenote bijwonen van congressen in de V.S. en het Verre Oosten.

Het ‘Wandervogel’-syndroom

De term werd in de jaren zestig door de redactie van Lancet geïntroduceerd voor het vele reizen van bepaalde hoogleraren naar verre promotiecongressen. Men hoeft slechts een recent nummer van Current Contents op te slaan om een pakkende titel te lezen als ‘The Sixth International Sucralfate Symposium: Current Worldwide Research and New Perspectives – Proceedings of a symposium held in Surfers’ Paradise on the Gold Coast in Queensland, Australia, August 19-21, 1900‘.14 De dienstregeling van Qantas en een telefoongesprek met het Australische verkeersbureau leren al snel dat de kosten van deze ’voorlichtings‘-bijeenkomst minstens een half miljoen gulden hebben bedragen. Iedereen zal zich soortgelijke voorbeelden uit zijn naaste omgeving kunnen herinneren.

Belangenverstrengeling

Een ambtenaar die belast is met overheidstoezicht promoveert op een proefschrift dat bekostigd is door een farmaceutisch bedrijf.

Niemand zal de belangrijke rol die de farmaceutische industrie speelt bij het ontwikkelen van nieuwe geneesmiddelen willen ontkennen. Dat neemt niet weg dat scheef- en wildgroei in de verhoudingen tussen en arts en industrie veel frequenter is dan velen denken,1 en dat veel ongewenste en soms onethische situaties beter openlijk besproken kunnen worden dan met hardnekkigheid onder de tafel gestopt.1516

Reizen en geschenken

Het is bekend dat de soorten transacties die in deze voorbeelden zijn genoemd, aan de overzijde van de Atlantische Oceaan soms bizarre vormen aannemen: artsen worden betaald voor het bijwonen van promotiebijeenkomsten, vliegreizen worden op grote schaal vergoed (niet in de toeristenklasse), kortingen op vliegreizen worden aangeboden aan de arts die een bepaald produkt liberaal voorschrijft en geschenken in een andere orde van grootte dan balpennen worden regelmatig verstrekt, ook indien iedere connectie met de uitoefening van de medische praktijk lijkt te ontbreken.17-20 Ten slotte is het in de V.S. tot een uitbarsting gekomen, die in gang werd gezet door senator Kennedy en de ‘Public Citizen’-groep, de medische arm van de Nader-organisatie.21 Op de hoorzittingen van het Congres kwamen talrijke onappetijtelijke zaken naar boven; ook de medische media hebben hiervan in geuren en kleuren verslag uitgebracht.2223

Universitair onderzoek

Het meeste onderzoek dat momenteel door de farmaceutische industrie wordt gefinancierd is van goed gehalte, en de wetenschappelijke en financiële onafhankelijkheid van de onderzoekers is voldoende gewaarborgd. Door geldgebrek dreigt echter het gevaar dat fundamenteel onderzoek wordt verdrongen door produktgericht onderzoek dat geen direct nut voor de volksgezondheid heeft, maar wel langs indirecte weg gebruik maakt van additionele gemeenschapsgelden.2425 Nog bedenkelijker is het integraal financieren van gehele universitaire laboratoria; men kan zich nauwelijks voorstellen dat deze ondersteuning geheel belangeloos geschiedt.26

Op zeer glad ijs bevindt men zich bij de organisatie en uitvoering van grootschalige multicentrische clinical trials waarvan coördinatie en analyse in handen van de verantwoordelijke farmaceutische industrie zijn.27 Sommige industriemedewerkers erkennen de noodzaak van richtlijnen volmondig;28 anderen zien de noodzaak hiervan niet in.29

Promotietijdschriften en gesponsorde supplementen

Het wereldwijde probleem van de gratis tijdschriften is genoegzaam bekend. De meeste artsen zijn verontrustend naïef; zij weigeren de schaduwzijden van deze tijdschriften – verkapte reclame, gebruik van gemeenschapsgeld, verspilling van papier – in te zien.30-32 Ernstiger lijkt de verstrengeling van belangen te zijn die zou kunnen ontstaan doordat employés van farmaceutische industrieën in de mening verkeren dat zij werkelijk onafhankelijke berichtgeving kunnen redigeren.33 De verhitte discussie rond de niet met name genoemde hoofdredacteur van Acta Medica Scandinavica die een hoge functie bij de farmaceutische industrie aanvaardde, heeft echter niets opgelost. Wel kwam er hierdoor meer aandacht voor de omstreden praktijk van het publiceren van verslagen van promotiesymposia in de vorm van supplementen, toegevoegd aan bekende medische tijdschriften, doch niet aan het redactionele toezicht van hun redacties onderworpen.134 Een journaliste die publiek maakte dat veel van deze lezingverslagen door de betrokken industrieën panklaar worden geleverd,35 werd op scherpe wijze terechtgewezen en werd ‘naïef’ genoemd.36 Dat er onder bij de farmaceutische industrie werkzame artsen sprake is van een zekere onvrede ten aanzien van hun positie en hun invloed wordt dan ook allerminst verzwegen.3738

Misleidende promotie

Dat sommige farmaceutische industrieën het niet zo nauw nemen met de promotie van hun produkten in de Derde Wereld – en daarbuiten – is genoegzaam bekend en is al vaak bekritiseerd.39-41 Aanvankelijk werd verwacht dat de invoering van advertentiecodes, zoals die van de Britse,42 de Australische,43 de Canadese,19 de Zweedse,44 en de Nederlandse industrie-organisaties,45 tot een aanzienlijke kwaliteitsverbetering zou leiden; de resultaten werden echter allerwegen als teleurstellend ervaren.46-49 Een recente kritische analyse van 302 tussen 1983 en 1988 bij de vereniging van Britse farmaceutische industrieën ontvangen en behandelde klachten gaf geen reden tot groot optimisme.50 Bovendien bleek in het Verenigd Koninkrijk – evenals in Zweden – een groot deel van de klachten te gaan over ruzies tussen concurrerende bedrijven.

Misstanden: is zelfregulatie voldoende?

Zoals in het voorgaande werd gezegd, lijkt het niet bijster goed gesteld te zijn met de zelfregeling van de farmaceutische industrie. Bovendien betreffen de gehanteerde regels eigenlijk uitsluitend de promotieaspecten en gaan ze niet over de omgang met de arts. In Zweden zijn al in 1978 door overleg tussen de twee industrieorganisaties, de lokale overheden (namelijk de gemeenteraden als werkgeversorganisatie) en de artsenorganisatie bindende gedragsregels tot stand gekomen, die goed lijken te werken.51 Deze houden onder meer in dat voor alle clinical trials goedkeuring van de overheid en van de plaatselijke ethische commissie moet worden verkregen, dat geldelijke bijdragen voor universitair onderzoek uitsluitend in de kas van de universiteit mogen worden gestort, dat speciale toestemming noodzakelijk is voor het gebruik van computerbestanden met persoonsgegevens, dat de geneesmiddelencommissie en de directie van het ziekenhuis moeten worden ingelicht en dat alle additionele kosten van de trial (laboratoriumkosten, opnamekosten en dergelijke) door de betrokken industrie aan het ziekenhuis moeten worden vergoed. Als resultaat is er nauwelijks iets overgebleven van het traditionele ‘wining and dining’ van de arts. Contact met een artsenbezoeker is in veel ziekenhuizen vervangen door een korte voorlichtingsbijeenkomst met de medisch adviseur van de industrie.

Zeer kort na het Kennedy-Wolfe-schandaal hebben ook de organisatie van de Amerikaanse farmaceutische industrie, de Pharmaceutical Manufacturers Association, en de American Medical Association aanstalten gemaakt om gedragscodes te introduceren. Geschenken mogen nog slechts betrekking hebben op de medische praktijkvoering en ze moeten van een bescheiden omvang zijn; industrieën die congressen organiseren, mogen de congresbijdragen niet meer rechtstreeks bij de deelnemers innen. Het verschaffen van reisbijdragen en honoraria aan anderen dan sprekers is niet meer toegestaan, evenals het aannemen van giften of geschenken die het voorschrijven van bepaalde geneesmiddelen moeten bevorderen.52

Uiteraard zijn deze streng lijkende richtlijnen niet uit de lucht komen vallen. Een serieuze poging om tot een goed onderbouwde gedragscode te komen werd eerder ondernomen door de Amerikaanse internistenvereniging, de American College of Physicians.53 Helaas is dit document in de fase van een discussiestuk blijven steken, en het is nu dus door de politiek enigszins achterhaald. Hetzelfde geldt voor de uitvoerige richtlijn van de Britse internistenverenging, de Royal College of Physicians, waarvan de adviezen een zeer vrijblijvend karakter hadden, en die de vader van de Britse klinische farmacologie, prof.Laurence, tot de uitspraak bracht: ‘I do not wish to be marketed by my doctor’.54

Conclusie

De arts en de farmaceutische industrie hebben elkaar nodig. De onderlinge verhouding wordt echter in toenemende mate vertroebeld door ‘kapitalistische’ praktijken die door de eeuwen heen de goede reputatie van het kapitalisme hebben aangetast en die eerder thuishoren op de markt dan in de wetenschap en de gezondheidszorg. Hoewel beide partijen schuld hebben, kan de farmaceutische industrie uitsluitend verantwoordelijk worden geacht voor onregelmatigheden in eigen huis. Ze heeft door het oprichten van nationale en internationale codecommissies haar goede wil getoond. Dat het resultaat niet altijd naar wens is, is een probleem van een andere orde. De farmaceutische industrie kan (of wil) kennelijk geen grenzen vaststellen wat betreft het toegeven aan de financiële en materiële verlangens van een aantal artsen. Het probleem kan alleen worden opgelost als de medische (en evenzeer de farmaceutische) beroepsgroepen de hand in eigen boezem steken en orde op zaken stellen door het invoeren van bindende gedragsregels. Dat zal ongetwijfeld tot een versobering leiden – maar is het zo erg dat men zijn eigen broodje en koffie of zijn eigen vliegticket naar Londen moet betalen? Volgens de staatssecretaris gaf de Nederlandse farmaceutische industrie in 1990 circa 24 van haar omzet aan promotieactiviteiten uit. Ter vergelijking: voor de banken en verzekeringsbedrijven ligt dat getal rond de 3. Het valt te betwijfelen of de arts die ‘all-in’ naar Houston reist, zou accepteren dat zijn bank hem op iedere handeling een extra toeslag van 20 in rekening zou brengen. Herhaaldelijk is al de opmerking gemaakt dat de arts niet het recht heeft om de patiënt dubbel te laten betalen, namelijk eerst een bedrag voor het geneeskundig handelen en vervolgens de in de geneesmiddelkosten opgenomen extra bijdrage.55

Gezien de toenemende invloed van de consumentenbeweging in EG-kringen valt niet uit te sluiten dat ooit eens Europese richtlijnen zullen worden uitgevaardigd die de verhouding tussen arts en farmaceutische industrie regelen. De daaruit voortvloeiende beperkingen zullen dubbel hard aankomen bij degenen die eraan gewend waren dat aan al hun wensen tegemoet gekomen werd.

Literatuur
  1. Werkö L. Personal view. Br Med J 1987; 294:243.

  2. Medawar C. The wrong kind of medicine. Londen:Consumer's Association en Hodder & Stoughton, 1984.

  3. Klass A. There's gold in them that pills.Harmondsworth: Penguin Books, 1975.

  4. Gould D. The medical mafia – How doctors serve andfail their customers. Londen: Sphere Books, 1987.

  5. Illich I. Limits to medicine – Medical nemesis: theexpropriation of health. Harmondsworth: Penguin Books, 1977.

  6. Rawlins MD. Doctors and the drug makers. Lancet 1984; ii:276-8.

  7. Cox PJ. Doctors and the drug makers. Lancet 1984; ii:580.

  8. Burley DM, Thomson TJ. Doctors and the drug makers. Lancet1984; ii: 404-5.

  9. Yarrow M. Doctors and the drug makers. Lancet 1984; ii:405.

  10. Walden RJ. Doctors and the drug makers. Lancet 1984; ii:405.

  11. Bricker EM. Industrial marketing and medical ethics. NEngl J Med 1989; 320: 1690-2.

  12. Solomon SD. We need ethical guidelines for promotion ofprescription drugs to physicians. N Engl J Med 1989; i: 1700.

  13. Schonberg SE. Relations between physicians andpharmaceutical companies: where to draw the line. N Engl J Med 1990; 323:200.

  14. TD Bolin et al, eds. The sixth international sucralfatesymposium: current worldwide research and new perspectives. Am J Med 1990; 91(Suppl 2A): S1-S158.

  15. Gysling E. Ärzte und Pharmaindustrie. Pharma-Kritik1990; 12: 43-4.

  16. Dunning AJ. Betaalde liefde. NRC-Handelsblad 5 september1991.

  17. Miller K, Gouveia WA, Barza M, et al. Undesirablemarketing practices in the pharmaceutical industry. N Engl J Med 1985; 313:54.

  18. Graves J. Frequent-flyer programs for drug prescribing. NEngl J Med 1987; 317: 252.

  19. Thompson WG. The ethics of physician-pharmaceuticalcompany relationships. Can Med Assoc J 1988; 139: 835-6.

  20. Chren MM, Landefeld S, Murray TH. Doctors, drugcompanies, and gifts. JAMA 1989; 262: 3448-51.

  21. Wolfe SM. Testimony of Sidney M.Wolfe. Public CitizenHealth Research Group before Senate Committee on labor and human resourceshearing on promotional practices in the pharmaceutical industry. WashingtonDC: Public Citizen Health Research Group, 1990: 1-9.

  22. Greenberg DS. All expenses paid, doctor. Lancet 1990; ii:1568-9.

  23. Charatan F. Doctors and drug companies under fire in US.Br Med J 1991; 302: 253.

  24. Rasmussen K. Clinical research and the pharmaceuticalindustry. Acta Med Scand 1987; 221: 129-31.

  25. Anonymus. Pharmaceutical funds for clinical research: amixed blessing. Lancet 1987; i: 257-8.

  26. Anonymus. Privatised pharmacology. Lancet 1987; ii:1439.

  27. Hampton JR, Julian DG. Role of the pharmaceuticalindustry in major clinical trials. Lancet 1987; ii: 1258-9.

  28. Smith RN. Role of the pharmaceutical industry in majorclinical trials. Lancet 1987; ii: 1464.

  29. Burley D, Parr G. Role of the pharmaceutical industry inmajor clinical trials. Lancet 1987; ii: 1464-5.

  30. Horn HR. Unsolicited medical journals. Am J Cardiol 1990;66: 514-5.

  31. Potter HP. Physicians and the pharmaceutical industry.Ann Intern Med 1990; 113: 407.

  32. Highkin DJ. Unwanted journals and the environment. AnnIntern Med 1990; 113: 996.

  33. Stavem P. Should a drug company employee edit a medicaljournal? Lancet 1986; i: 684.

  34. Cohen RL. Drug companies andjournal supplements. Lancet1986; i: 1157.

  35. Richmond C. Doctors and the drug industry. Br Med J 1986;293: 1507.

  36. Parr G. Doctors and the drug industry. Br Med J 1987;294: 124.

  37. Berde B. Physicians as employees of the pharmaceuticalindustry. Eur J Clin Pharmacol 1985; 28: 363-5.

  38. Vane J, O'Grady J. Clinical pharmacology in thepharmaceutical industry. Br J Clin Pharmacol 1991; 32: 155-8.

  39. Collier J. Unconvincing reassurance from the ABPI. Lancet1984; ii: 1280.

  40. Loeliger EA. Bemerkungen zur pharmazeutischen Reklame inder Schweizerischen Medizinischen Wochenschrift. Schweiz Med Wochenschr 1983;113: 60-1.

  41. Wade VA, Mansfield PR, McDonald PJ. Drug companies‘evidence to justify advertising. Lancet 1989; ii: 1261-4.

  42. Anonymus. Code of practice for the pharmaceuticalindustry. In: Association of the British Pharmaceutical Industry, ABPI Datasheet compendium 1990-91. Londen: Datapharm, 1990: VI-XIV.

  43. Harvey K. Pharmaceutical promotion. Med J Aust 1990; 152:57-8.

  44. Perman E. Voluntary control of drug promotion in Sweden.N Engl J Med 1990; 323: 616-7.

  45. Brouwers JRBJ. Geneesmiddelenreclame – Wie verleidtwie en waarmee? Pharm Weekbl 1985; 120: 881-2.

  46. Medawar C. Weeping crocodile tears for the drug industry.Br Med J 1985; 291:730.

  47. Langman MJM. The code for promoting drugs. Br Med J 1988;297: 499-500.

  48. Harvey K, Darvall L. Australian pharmaceuticaladvertising: a critique. Med J Aust 1985; 143: 272-4.

  49. Lexchin J. Advertisement scrutiny. Lancet 1987; i:1323-4.

  50. Herxheimer A, Collier J. Promotion by the Britishpharmaceutical industry, 1983-8: a critical analysis of self regulation. BrMed J 1990; 300: 307-11.

  51. Smith R. Doctors and the drug industry in Sweden. Br MedJ 1985; 290: 448-50.

  52. Council on Ethical and Judicial Affairs of the AmericanMedical Association. Gifts to physicians from industry. JAMA 1991; 265:501.

  53. American College of Physicians. Physicians and thepharmaceutical industry. Ann Intern Med 1990;112:624-6.

  54. Laurence DR. The academic clinical pharmacologist and theRoyal College of Physicians report on the relationship between physicians andthe pharmaceutical industry. Br J Clin Pharmacol 1987; 23: 253-5.

  55. Noble RC. Physicians and the pharmaceutical industry. AnnIntern Med 1990;113: 407.

Auteursinformatie

Dr.L.Offerhaus, internist, Postbus 119, 2280 AC Rijswijk.

Gerelateerde artikelen

Reacties

J.H.
Kingma

Nieuwegein, januari 1992,

Het vlammende betoog van collega Offerhaus over de relatie van arts en farmaceutische industrie vertoont inhoudelijk enige gelijkenis met de tekst van de geneesmiddelenbijsluiter (1992;13-6). De inhoud en de voorbeelden zijn op zichzelf juist en leiden tot verontrusting van de lezer. Evenals in de geneesmiddelenbijsluiter krijgt men echter geen inzicht in de omvang en het vóórkomen van het probleem, in tegendeel, de kans dat het de lezer ook zal overkomen, lijkt onvermijdelijk. Tot zover de parallel.

Het stuk lezende, zou men gemakkelijk de indruk kunnen krijgen dat het hier om het zogenaamde topje van de ijsberg gaat. Het omgekeerde is echter het geval. Incidenten (lees: neveneffecten van onze kapitalistische markteconomie) worden door de oppervlakkige lezer gemakkelijk tot algemeen verschijnsel verheven: ‘alle artsen vliegen Royal Class de wereld rond, ontvangen honoraria voor het bijwonen van uitsluitend op promotie gerichte congressen, georganiseerd door farmaceutische industrieën en producenten van andere medische produkten’.

De boodschap van het artikel, oproepend tot versobering, is duidelijk en terecht, evenals de oproep om tot een eenduidige gedragscode te komen. Toch zou de overheid, in veel gevallen de natuurlijke tegenspeler van de farmaceutische industrie, eens moeten nagaan of zij wellicht ook zelf ergens te kort schiet. Als het ongewenst is dat de farmaceutische industrie een te grote vinger in de pap heeft bij de financiering van wetenschappelijk onderzoek naar de werking van haar eigen produkten met als mogelijk achterliggend oogmerk promotionele activiteiten, waarom wordt dan niet een royaal bedrag vrijgemaakt van de vooronderstelde bezuinigingen via het geneesmiddelenvergoedingssysteem (GVS). Het platform voor geneesmiddelenonderzoek acht een bedrag van circa ƒ 150 miljoen noodzakelijk alleen al om de achterstanden op het gebied van deugdelijk experimenteel en klinisch onderzoek in Nederland in te lopen. Er is grote behoefte aan onafhankelijk vergelijkend, op de patiënt (lees: consument) gericht onderzoek naar de werkelijke waarde en betekenis van zowel oude als nieuwe geneesmiddelen en behandelingsstrategieën. Te vaak staat de overheid klaar met opgeheven vinger als het om de te royaal geachte geneesmiddelenprescriptie gaat, nota bene in een land dat in West-Europa tot de zuinigst voorschrijvende naties behoort. Het kan altijd beter en zuiniger, maar onze zuinigheid moet wel doelmatig blijven en geen doel op zichzelf worden. Werd diezelfde overheid (Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur) ook niet – zij het tevergeefs – door de Reclame Code Commissie bekritiseerd toen zij ietwat te voortvarend en te zeer overtuigd van het eigen gelijk het publiek bestookte met kleurig drukwerk over het GVS? Wij moeten vooral ook niet onze kennis die zou kunnen leiden tot al deze soberheid en zuinigheid overschatten: ondanks onze wens tot rationele farmacotherapie resulterend in een oerwoud van formularia over heel Nederland onder moeders GVS-paraplu, blijft de mens voor een belangrijk deel een zwarte doos waarin de reactie op geneesmiddelen maar slechts zéér ten dele voorspelbaar is. Enige variatie in het geneesmiddelenaanbod via onze al genoemde en door velen geroemde vrije-markteconomie is niet alleen economisch nuttig, maar ook met oog op onze ietwat parmantig aandoende mening dat zogenaamde goedkope en ‘net zo goede’ geneesmiddelen altijd het primaat zouden moeten hebben boven nieuwe geneesmiddelen.

J.H. Kingma
L.
Offerhaus

Amsterdam, februari 1992,

De standpunten van collega Kingma en van mij liggen vermoedelijk minder ver uit elkaar dan hij meent. Net zo min als hij kan ik schatten welk gedeelte van de ijsberg zich onder water bevindt; dat het zichtbare gedeelte af en toe een schrikbarende omvang aanneemt, is echter aan geen twijfel onderhevig.1 Het is algemeen bekend en geaccepteerd dat slechts een minderheid van de niet-Amerikaanse artsen die grote internationale congressen met commercieel belang bezoeken (zoals het congres van de American Heart Association) dat op eigen kosten doet.

Moet de overheid opkomen voor de genoemde kosten voor onderzoek van geneesmiddelen? Het is zonder meer duidelijk dat, zo er al bespaard kan worden door het geneesmiddelenvergoedingssysteem, de bereikte besparingen in de eerste plaats ten goede moeten komen aan de werkelijk noodlijdende sectoren in de gezondheidszorg, zoals de verpleging en de bejaardenzorg. Dat het geneesmiddelenonderzoek, vooral het basale onderzoek en het onderzoek van oude geneesmiddelen, in ons land een kommervol bestaan leidt, zal niemand ontkennen. Dat geldt in zijn algemeenheid echter voor alle klinische research. Dat is echter een onderwijs en geen volksgezondheidstaak.

De Nederlandse arts schrijft zuinig voor, maar waarom hebben wij de hoogste geneesmiddelenprijzen ter wereld, in een land met nauwelijks enige eigen industriële research? Ik denk dat Kingma met zijn oproep tot financiering van onderzoek aan het verkeerde adres is.

Ten slotte doet hij met zijn opmerking dat het ‘oerwoud’ aan formularia schuilt onder de paraplu van het GVS de opstellers van diverse uitstekende ziekenhuis- en huisartsenformularia onrecht aan. Het GVS is geen formularium, maar een economische maatregel, die niets van doen heeft met de door ons beiden voorgestane rationele farmacotherapie.

L. Offerhaus
Literatuur
  1. Venema FJ. Vlieg er eens uit met Plendil. Pharm Weekbl 1992; 127: 2-3.