Artikelenreeks over infectiebestrijding

Opinie
M.F. Michel
J.W.M. van der Meer
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1992;136:672-3
Download PDF

Zie ook het artikel op bl. 673.

Met de komst van de sulfonamiden en penicilline, nu ruim 50 jaar geleden, werd een belangrijke nieuwe pijler aan de bestaande grondslagen van de infectiebestrijding, zoals hygiëne en actieve en passieve vaccinatie, toegevoegd. Achteraf bleek penicilline het beginpunt van een lange reeks ?-lactam-antibiotica en van verschillende andere groepen antimicrobiële middelen, zoals de aminoglycosiden, de tetracyclinen, de macroliden, de glycopeptiden en de chinolonen.

Vergelijkt men de antibacteriële eigenschappen van de nieuwe middelen met die van de oudere, dan kan men een duidelijke ontwikkeling onderscheiden in hun activiteit ten opzichte van individuele bacteriesoorten alsmede in hun antimicrobieel spectrum. Sommige van de nieuwste middelen blijken in vitro goed tot zeer goed werkzaam tegen ongeveer alle geregeld voorkomende pathogene en opportunistische bacteriën. Ruimte voor verdere verbetering in dezen lijkt beperkt. Klinische trials hebben uitgewezen dat veel infecties door middel van gerichte antimicrobiële profylaxe kunnen worden voorkomen en dat 60-80 van de ernstige infecties met een grote natuurlijke sterfte, zoals sepsis en diepe luchtweginfecties, met succes met het huidige arsenaal van antibiotica kunnen worden bestreden.

Het is intussen duidelijk geworden dat het resultaat van de infectiebehandeling niet geheel te voorspellen is op grond van de in vitro-activiteit van de antimicrobiële middelen. Vooral bij ernstige infecties blijken ook de afweer van de gastheer, de farmacokinetische karakteristiek van een middel (afhankelijk van middel en gastheer) en de farmacodynamische karakteristiek (afhankelijk van middel en micro-organisme) bepalende factoren te zijn bij het vaststellen van een optimaal doseringsschema. Bij ernstige infecties is het resultaat van de behandeling wellicht ook te verbeteren door antimicrobiële middelen te binden aan dragers. Deze dragers kunnen zo worden geconstrueerd dat het werkzame middel na fagocytose intracellulair of na capillaire lekkage intercellulair wordt afgegeven.

Veelvuldig gebruik van antibiotica leidt eigenlijk altijd tot resistentie. Dankzij gerichte onderzoeken – hetzij eenmalig, hetzij in de vorm van continue surveillance – zijn op lokale schaal (bijvoorbeeld op ziekenhuisniveau), op nationale en op Europese schaal waardevolle gegevens verzameld over de omvang van het resistentievraagstuk. Dergelijke gegevens zijn onmisbaar voor het formuleren en implementeren van een gevoeligheid-sparend en tegelijkertijd economisch verantwoord antibioticabeleid.

Deze beschouwingen over spectra, farmacokinetische eigenschappen, resistentievorming, rol van de gastheer en resultaten die kunnen worden bereikt bij profylaxe en therapie met antimicrobiële middelen zijn mutatis mutandis ook relevant voor antivirale middelen. De gecompliceerde en zeer nauwe samenhang tussen virus en gastheer is ongetwijfeld debet aan het feit dat de ontwikkeling van deze stoffen later op gang is gekomen dan die van de antibacteriële middelen; waarschijnlijk hebben ze nog een hele evolutie voor de boeg.

Dankzij de beschikbare antimicrobiële middelen zijn zeer grote vorderingen gemaakt bij de bestrijding van infectieziekten. Niettemin schieten de bestaande middelen bij bepaalde infecties of bij bepaalde patiëntengroepen te kort. Vandaar dat men zich in toenemende mate afvraagt of het effect van de infectiebestrijding niet zou kunnen worden verbeterd door de antimicrobiële middelen te combineren met middelen die de afweer versterken, zoals immunoglobulinen of immunomodulerende middelen.

Immunoglobulinen worden al geruime tijd toegediend ter voorkoming van infectie bij patiënten met primaire immunodeficiëntie, en sinds kort ook bij enkele andere risicogroepen, zoals patiënten met chronische lymfatische leukemie en patiënten bij wie beenmergtransplantatie is toegepast.

Gelijktijdige toepassing van passieve immunotherapie met antilichamen tegen onderdelen van bacterieel endotoxine en van antimicrobiële therapie is erop gericht om endotoxine te neutraliseren en zo de vorming van potentieel schadelijke ontstekingsmediatoren als tumornecrosefactor (TNF) en interleukine (IL) te voorkomen. Een andere nieuwe ontwikkeling is het uitschakelen van deze mediatoren of hun werking met antilichamen tegen TNF of met een IL-1-receptor-antagonist om zo een betere overleving bij patiënten met sepsis te bewerkstelligen.

Dankzij de recombinant-DNA-techniek kan thans een groot aantal biologische stoffen, zoals interferonen, interleukinen en andere cytokinen alsmede hematopoëtische groeifactoren, op grote schaal en in zuivere vorm worden geproduceerd. Genoemde stoffen beginnen zich niet alleen in de oncologische therapie maar geleidelijk ook bij de behandeling van infecties een plaats te verwerven.

In dit nummer van het Tijdschrift verschijnt het eerste van een reeks van 6 capita selecta die met tussenpozen van 14 dagen zullen worden afgedrukt, waarin de hiervoor besproken aspecten van de infectiebestrijding nader worden uitgewerkt.

De lijst van onderwerpen en hun auteurs is als volgt:

– Antibiotica; ontwikkeling en plaatsbepaling (S.de Marie en H.A.Verbrugh);

– Betekenis van farmacokinetiek, farmacodynamiek en toedieningsvorm van antibiotica voor een effectieve behandeling van infecties (H.Mattie, I.A.J.M.Bakker-Woudenberg en P.P.Koopmans);

– Beheersing van het resistentievraagstuk door het voeren van een antibioticabeleid (B.van Klingeren, M.F.Michel en J.H.T.Wagenvoort);

– Ontwikkeling en plaatsbepaling van antivirale middelen (J.M.A.Lange en J.van der Noordaa);

– Immuuntherapie van het sepsissyndroom (J.F.P. Schellekens en S.J.H.van Deventer);

– De therapeutische mogelijkheden van cytokinen en groeifactoren bij ernstige infecties (J.W.M.van der Meer en R.S.Weening).

Auteursinformatie

Academisch Ziekenhuis Rotterdam-Dijkzigt, afd. Bacteriologie, Dr. Molewaterplein 40, 3015 GD Rotterdam.

Prof.dr.M.F.Michel, medisch microbioloog.

Academisch Ziekenhuis St. Radboud, afd. Algemene Interne Geneeskunde, Nijmegen.

Prof.dr.J.W.M.van der Meer, internist.

Contact prof. dr.M.F.Michel

Gerelateerde artikelen

Reacties