Artikel
Inleiding
Sinds de publicatie van de recentste ‘Richtlijn voor diagnostiek en behandeling van acute appendicitis’ in 2010 is echografie de eerste keus van aanvullend beeldvormend onderzoek bij patiënten met klinische aanwijzingen voor appendicitis acuta.1 Dit onderzoek wordt gedaan nadat de anamnese, het lichamelijk onderzoek of het laboratoriumonderzoek aanwijzingen heeft…




Liever tweede echo dan aanvullende CT bij acute appendicitis
Reactie op artikel Ned Tijdschr Geneeskd. 2016;160:A9480
Herhalen van diagnostiek middels een tweede echo bij verdenking appendicitis is net zo goed als een aanvullende CT of MRI (gelijke PVW en NVW). Zoals de auteurs zelf al in de discussie suggereren zit er een addertje onder het gras en kunnen we deze conclusie niet direct voor alle patiënten implementeren. De kans bestaat dat “confounding by indication” in dit onderzoek een substantiële rol heeft gespeeld: de minder zieke patiënten mogen - na observatie thuis of in het ziekenhuis- na 12 tot 24 uur terugkomen voor een tweede echo. De ziekere patiënten (o.a. meetbaar middels een verhoogd CRP en leukocytengetal, koorts) werden zeer waarschijnlijk bij een inconclusieve of negatieve echo direct voor verder aanvullend onderzoek gestuurd.
Dit neemt niet weg dat een retrospectief onderzoek een goede manier is om de huidige klinische praktijk te evalueren. Wellicht geven de laboratoriumuitslagen de lezer inzicht in de verschillen tussen de groepen die een tweede echo kregen versus de groep die CT of MRI onderging. Uit die data kunnen we dan extraheren voor welke groep patiënten het herhalen van de echo na 12-24 uur veilig is.
Een tweede punt is de tijdsduur die tussen de eerste echo en het vervolgonderzoek zit. De auteurs vergelijken de aanvullende CT of MRI (wellicht direct aansluitend of binnen enkele uren na de eerste echo) met een tweede echo na 12-24 uur: Je kunt je afvragen of de delta tijd niet het diagnosticum op zich is, waardoor de appendicitis kan worden aangetoond omdat deze manifester is geworden. Op dat punt in de tijd zou het type diagnosticum niet meer veel uitmaken.
Omdat zowel de laboratoriumuitslagen als het tijdstip van de uitgevoerde diagnostiek eenvoudig te achterhalen zouden moeten zijn in de (digitale) status, zou dit een nuttige aanvulling zijn op het gepubliceerde artikel.
Kirsten van Langevelde (radioloog in opleiding, LUMC)
Alexandr Sramek (radioloog, LUMC)