Academische carrièreperspectieven van gepromoveerde dokters
Open

Een landelijk cohortonderzoek in de periode 1992-2018
Onderzoek
07-10-2020
Frank J. Wolters

Reacties (2)

Inloggen om een reactie te plaatsen
Dink Legemate
01-11-2020 17:25

De promotiefabriek vraagt om bezinning en regie

De promotiefabriek vraagt om bezinning en regie

Promotietrajecten zijn belangrijk. Het vormt wetenschappers en draagt bij aan de ontwikkeling van de geneeskunde. Het artikel van Wolters en de commentaren van Van Eijsden en Tijdink geven verdiepend inzicht en kritische beschouwingen. Na meer dan dertig jaar werkzaam te zijn in een academische wereld onderstreep ik de buitenproportionele groei van het aantal promoties en bevestig ik dat de drijfveer van basisartsen om te promoveren vaak niet de wetenschappelijke vorming betreft, maar het bemachtigen van een opleidingsplek, meestal tot medisch specialist. De concurrentie voor een opleidingsplaats is moordend. Het huidige stuwmeer van duizenden basisartsen draagt in belangrijke mate bij aan het ontstaan van de promotiefabriek. Daarbij komt dat het aantal promovendi en publicaties van promotoren binnen de academische pyramide vaak doelen op zich zijn geworden, niet in de laatste plaats door de al jaren heersende ‘publish or perish’ cultuur. Beide versterken elkaar tot promotiewildgroei. De honderden miljoenen wat dit kost en de uitgestelde carrièreperspectieven van basisartsen die niet zelden pas tegen hun veertigste in de huidige markt vastigheid onder de voeten krijgen in de zin van een definitieve werkpositie vraagt om bezinning in breder perspectief.

Zoals bekend kent veel promotieonderzoek geen vervolg en is de relatie met de noodzakelijke ontwikkelingen in de gezondheidszorg vaak onduidelijk. Het is dan ook goed dat het NTvG aandacht aan de promotiefabriek besteedt. Een breder maatschappelijk en academisch debat is echter nodig. Binnen dit debat pleit ik voor career tracts om echte wetenschappers op te leiden, die ook na hun promotie doorgaan met onderzoek en werken in onderzoeksgebieden die er daadwerkelijk toe doen. Deze trajecten moeten niet losgezien worden van het toekomstige praktische werk als arts, in welke vorm dan ook en vereist afstemming met vervolgopleidingen. Dergelijke trajecten zouden overigens al tijdens de medische studie kunnen worden opgestart. Daarnaast moeten basisartsen veel sneller doorstromen naar de opleiding tot medisch specialist en de doctorstitel minder vaak een voorwaarde zijn om in opleiding te komen, misschien zelfs helemaal niet. Dit kan meehelpen om het stuwmeer van niet doorstromende basisartsen te verkleinen. Tussen het diploma van basisarts tot de start van een vervolgopleiding zit, door de promotietrajecten, niet zelden een periode van rond de vijf jaar, veel te lang. De juiste balans is zoek, kost de maatschappij ongelooflijk veel geld en vertraagt onnodig het carrièreperspectief van jonge artsen in de bloei van hun werkzame leven en maatschappelijke ontwikkeling. Tot nu toe merk ik niet dat genoemde punten binnen discussies in de academische wereld en vanuit de overheid en belastingbetaler op gang komen. Het is echter wel tijd dat dit gaat gebeuren en regie genomen wordt.

Dink Legemate, hoogleraar chirurgie UvA, Amsterdam UMC

Thomas van Gulik
12-11-2020 13:47

Academische traditie of wetenschappelijke ambitie

Promoties worden aangestuurd door hoogleraren, die volgens het artikel van Frank Wolters tot de 43% van de promovendi zouden kunnen behoren die na 10 jaar verbonden zijn aan een UMC. Zij hebben hun eigen onderzoeksprogrammas opgebouwd en begeleiden nu zelf onderzoekers op het soms glibberige pad naar een promotie. Het is niet de academische traditie die hen drijft, maar de wetenschappelijke ambitie die het fundament vormt van zo u wil, ‘de promotiefabriek’.
Wanneer het aantal promoties als bezwaar wordt gezien, dan is het veel grotere aantal, eronder liggende publicaties het werkelijke probleem. De wetenschappelijke produktie is toegenomen maar we zouden onszelf tekort doen als we de gezamenlijke waarde van die publicaties betwijfelen, zeker als we kijken naar de internationale waardering voor het medisch onderzoek in Nederland. Dat we nu meer mogelijkheden hebben onze wetenschappelijke creativiteit te delen met jonge collega's die we een promotietraject kunnen aanbieden, kan ook worden gezien als een positieve ontwikkeling in onze onderzoekscultuur. Een promotietraject hoeft voor een onderzoeker geen 5 jaar oponthoud te geven, een lange tijd voor iemand die nog een heel opleidingstracject voor de boeg heeft. Het huidige criterium voor het toekennen van een doctoraat in de geneeskunde is het als eerste auteur gepubliceerd hebben van ministens drie oorspronkelijke artikelen in peer-reviewed tijdschriften. Dat blijkt voor een gemotiveerde onderzoeker haalbaar in drie jaar.
Ik heb er geen moeite mee dat het behalen van de doctor’s titel voor velen niet zozeer het begin van een wetenschappelijke carrière inluidt als wel de opstap vormt naar een specialistische opleiding. Je hoeft niet een wetenschapper te willen worden wanneer je gemotiveerd bent eerst onderzoek te doen. Als promovendus leer je kritisch naar opzet en analyse van onderzoek te kijken, een ervaring die toevoegt aan de opleiding tot specialist.  
Ook zou ik de waarde van een promotietijd als ‘cesuur’ tussen basisopleiding en specialistische opleiding niet willen onderschatten. Wetenschappelijke verdieping leidt tot persoonlijke vorming waarbij promovendi kunnen reflecteren op de rol die zij voor zichzelf in het betreffende vakgebied zien. Het komt nogal eens voor dat promovendi tijdens hun onderzoek anders gaan denken over hun toekomst en na hun promotie een andere richting kiezen, overigens tot volle tevredenheid zoals later blijkt. De ervaring van hun promotietijd zie ik dan niet als een verspilling van tijd en middelen, zeker niet als daarmee frustraties en uitval tijdens de opleiding kan worden voorkomen.  
Ik ben het met collega Legemate eens dat het huidige stuwmeer van duizenden basisartsen een hoogst onwenselijke situatie is. De vraag is echter of het terugbrengen van het aantal promoties daarvoor de oplossing. Er zijn immers andere, zwaarwegende factoren die de instroom van basisartsen naar de opleidingen bepalen. Ten slotte, het aanbieden van career tracts voor onderzoekers die de ambitie hebben in de wetenschap verder te gaan, al dan niet in een klinische functie, is een goed idee. Daar zouden in ons onderzoeksbestel ook meer mogelijkheden voor moeten worden gecreëerd. Hoe gaan we alleen die toekomstige wetenschapsleiders selecteren. Een criterium zou dan toch zijn, het aangetoond hebben zelfstandig onderzoek te kunnen doen zich uitend in een aantal wetenschappelijke artikelen. Geef het een academisch randje, en het wordt een promotie.
 

Thomas van Gulik, em.hgl chirurgie, Amsterdam UMC.