Weinig oog voor depressie bij slechtziende ouderen

Fieke Hoeijmakers
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2014;158:C2406

Ouderen met een visuele beperking krijgen vaak geen psychische hulp, terwijl zij daar wel behoefte aan hebben. Hilde van der Aa en collega’s vroegen zich af waarom en interviewden een aantal slechtziende ouderen zelf via de telefoon. ‘Ik wist niet waar ik hulp kon krijgen’ en ‘Ik los het liever zelf op’ waren de redenen die zij het vaakst hoorden (Qual Life Res. 2014; epub 15 november).

Van september 2012-juli 2013 namen de auteurs bij 3000 Nederlandse en Vlaamse 50-plussers (gemiddeld 73 jaar) met een visuele beperking 5 vragenlijsten af over hun behoefte aan geestelijke gezondheidszorg, symptomen van depressie en angststoornis, en over zelf ervaren gezondheid.

Slechtziende ouderen zijn kwetsbaar voor stemmings- of angststoornissen: van de 871 deelnemers had 35% een subklinische depressie of angststoornis en 13% voldeed aan de DSM-criteria hiervoor. Bijna 34% van deze laatste groep ouderen ontving geen hulp en zelfs 57% had een onvervulde hulpvraag (29% in de subklinische groep). Factoren die samenhingen met een grotere hulpbehoefte waren ernstige depressie of angststoornis, geen depressie in de voorgeschiedenis, depressie als comorbiditeit, een lager ervaren gezondheid en jonge leeftijd. Zelfredzaamheid en een gebrek aan kennis gaven patiënten zelf als oorzaak voor het niet gebruik maken van psychische zorg.

Door de cross-sectionele opzet van de studie is causaliteit lastig te bepalen. Daarnaast is er mogelijk selectiebias opgetreden door een populatie te kiezen die al visueel revalideerde, en de respons was onder jongeren hoger. Ondanks deze beperkingen krijgen opvallend weinig slechtziende ouderen psychische hulp in vergelijking met de gezonde oudere populatie, concluderen de auteurs. Screening en betere begeleidingsmethoden, waarbij de patiënt centraal staat, is waar zij voor pleiten.

Gerelateerde artikelen

Reacties