Sportmedische preparticipatiescreening
Open

20-09-2013
Robert-Jan de Vos

Afgelopen maand werd Doha opgeschrikt door het plotse overlijden van de Ecuadoriaanse voetbalinternational Cristian Benítez, kort na zijn eerste wedstrijd. Sport levert onomstotelijk gezondheidswinst op, maar intensieve inspanningen hebben helaas soms ook hun keerzijde. Om deze potentiele risico’s in kaart te brengen en zo adequaat mogelijk te behandelen kunnen we als sportartsen een zogeheten sportmedische preparticipatiescreening uitvoeren. Deze bestaat in vele soorten en maten. Sommige sportbonden stellen dit onderzoek verplicht voordat er in die sporttak kan worden geparticipeerd. In Italië is de screening voor iedere sporter verplicht gesteld en onderzoek heeft uitgewezen dat het aantal acute hartdoden tijdens sport daardoor significant vermindert.

Preparticipatiescreening kan dus wel degelijk zinvol zijn. Daarnaast kunnen gerichte adviezen worden gegeven. Maar zo’n screening heeft ook zijn beperkingen: er is nog onvoldoende kennis over het aantal vals-positieve en -negatieve bevindingen en hoe hiermee om te gaan. Daarom vind ik ‘preventief sportmedisch onderzoek’ een term die de lading beter dekt dan ‘screening’.

In Aspetar worden de sporters tijdens het preventief sportmedisch onderzoek onderworpen aan vele medische testen. We nemen een uitgebreide sportmedische anamnese af. Er wordt oriënterend internistisch en orthopedisch lichamelijk onderzoek gedaan. Aanvullende testen bestaan uit een fysiek onderzoek bij de fysiotherapeut, visustesten bij de oogarts, gebitsonderzoek bij de tandarts, een rust-ecg, een longfunctieonderzoek, een uitgebreid laboratoriumonderzoek en virologisch onderzoek, een DEXA-scan, en op indicatie een echo van het hart en een inspanningstest.

Ik worstel nog weleens met de waarde van al deze onderzoeken. Laatst zag ik een sporter met een vitamine D-deficiëntie. Dit suppleren we zelf, maar zekerheid of ik hier goed aan doe heb ik niet, omdat wetenschappelijke data voor deze groep sporters schaars zijn. Dit is typerend voor de topsportgeneeskunde, die zich niet per definitie houdt aan wetenschappelijke grenzen. Voor suppletie van de voetballers in de Qatari League geldt overigens dat een groot deel bang is voor een injectie en dat de mate van therapietrouw voor de voorgeschreven tabletten daardoor erg laag is. Mijn probleem wordt zo weer wat kleiner.

Voor bovengenoemd voorbeeld is er wat mij betreft geen reden om iemand het sporten te ontzeggen. Wij geven in dat geval een ‘full medical clearance’. Gelukkig doen we dat in nagenoeg alle gevallen. Op de momenten dat we dit niet doen is er vaak sprake van een afwijking of ‘variant’ op cardiaal gebied. Als we zoiets vinden, ontstaan er soms moeilijke situaties. Wanneer we in samenspraak met de cardioloog iemand geen ‘medical clearance’ geven, kan dit grote gevolgen hebben. In Doha worden frequent Afrikaanse voetballers gecontracteerd. Een afkeuring betekent soms dat ze zichzelf en hun families niet financieel uit de sloppen kunnen trekken. Om die reden wordt bij een aanstellingskeuring vaak niet de waarheid verteld. Ik vind het daarom belangrijk bij preventief sportmedisch onderzoek, en in het bijzonder bij de aanstellingskeuringen van spelers, als detective te werk te gaan.