Ik zie, ik zie wat jij niet ziet
Open

08-04-2009
Bart Vlaminckx

‘Wat doe je’ is een normale vraag bij veel sociale gelegenheden. ‘Wat zeg je? Microbioloog? Maar jij hebt toch geneeskunde gestudeerd?’ Meer dan een waterige blik levert het meestal niet op wanneer ik vertel over mijn specialisatie.

Bij de communicatie over mijn vak is het gebrek aan plaatjes een probleem. Veel andere ondersteuners blinken hier juist in uit; zo zien studenten al vroeg in het medisch curriculum histopathologische beelden. Collega’s van de radiologie en de nucleaire geneeskunde maken indrukwekkende plaatjes. De mens is nu eenmaal visueel ingesteld.

Ik lever geen plaatjes. In plaats daarvan vertellen wij microbiologen dagelijks over beademingspneumonieën met ‘gramnegatieve staven’, over lijninfecties met ‘huidstafylokokken’ en een buik ‘vol gisten’. Maar niemand die het ziet. In plaats daarvan lijken we een spelletje te spelen, ‘ik zie, ik zie wat jij niet ziet’. Op het gebied van de ziekenhuishygiëne is het niet anders. Tenzij het gaat om de aanpak van tot de verbeelding sprekende uitbraken met Clostridium difficile of Norovirus hebben onze pogingen om de transmissie van bepaalde kiemen te stoppen in hoge mate iets abstracts.

Ook de beeldvorming rond ons vak doet denken aan ‘ik zie, ik zie wat jij niet ziet’. In het medisch curriculum wordt de microbiologie nog vaak neergezet als een wonderlijke postzegelverzameling van microben waarvan niemand de namen kan onthouden. En dat terwijl het zo’n fantastisch vak is: een goede infectiologische differentiaaldiagnose en gericht antibiotisch beleid vormen vaak een grote medisch-inhoudelijke uitdaging. Voor de meer bedrijfsmatig geïnteresseerden is er ook genoeg te halen: de organisatie van het laboratorium moet optimaal en kosteneffectief zijn. Voor de wetenschappers onder u: het vak leent zich bij uitstek voor natuurwetenschappelijk ‘state of the art’-onderzoek, omdat in korte tijd de genetische blauwdruk van alle relevante micro-organismen in kaart gebracht is. Deze discrepantie tussen realiteit en beeldvorming maakt dat vrijwel iedere basisarts, na zes jaar studie, kiest voor een specialisatie zonder dat hij/zij zich een reëel beeld heeft kunnen vormen van de microbiologie.

Tenslotte: ‘ik zie, ik zie wat jij niet ziet en het is . . . resistentie’. Resistentie ontstaat in een darwinistisch systeem waarin de mens de selectiedruk voor de resistentere varianten oplegt in de vorm van antimicrobiële therapie. Met de introductie van antibiotica werd zo’n 60 jaar geleden al een microbiologisch internet opgestart waarin softwarepakketjes, coderend voor resistentie, vrijelijk worden uitgewisseld. Nederland is in veel opzichten het braafste jongetje van de klas als het gaat om antibioticaconsumptie en daaraan gekoppeld het ontstaan van resistentie. Maar ook hier neemt de prevalentie van ongevoelige bacteriën erg toe. In The Lancet Infectious Diseases van februari 2009 stond te lezen dat ‘antibiotic overuse is as great an environmental disaster as global warming’. Hier kan echter geen enkele dokter ‘ik zie, ik zie wat jij niet ziet’ spelen: wij zijn allemaal verantwoordelijk voor het uitoefenen van de selectiedruk waarvan wij en toekomstige generaties de wrange vruchten zullen plukken.