Waarom rook jij wel en ik niet?

Stand van zaken
01-06-2017
Jacqueline M. Vink en Roy Otten
  • Beginnen met roken wordt meer beïnvloed door omgevingsfactoren dan door erfelijke aanleg; bij nicotineverslaving is dit andersom.
  • Ouders kunnen invloed uitoefenen op het rookgedrag van hun kind via de opvoeding, regels, communicatie, het geven van het goede voorbeeld en het beperken van meeroken door het kind.
  • Vrienden spelen een belangrijke rol bij rookgedrag, via selectie (het kiezen van bepaalde vrienden), beïnvloeding (het overnemen van gedrag) en sociale netwerken.
  • Voorheen richtte onderzoek naar erfelijke factoren voor rookgedrag zich op kandidaatgenen, zoals dopaminegenen, maar recente genoombrede associatiestudies tonen dat onder andere genen voor nicotinereceptoren een rol spelen.
  • De verklaarde variantie van de genetische varianten is klein; een toekomstige mogelijkheid is gebruik van de polygenetische risicoscore, een optelsom van meerdere risicovarianten.
  • Bij rookgedrag is de invloed van genetische aanleg, gezinsomgeving (met name ouders) en andere personen in de omgeving, bijvoorbeeld vrienden, niet los van elkaar zien, omdat er interactie is tussen deze factoren.
  • Een hoge genetische gevoeligheid voor nicotineverslaving komt vooral tot uiting in een negatieve omgeving; toekomstig onderzoek moet zich daarom meer richten op gen-omgevingsinteractie.