Vrouwelijke geneeskundestudenten: vervolg

Nieuws
F. Kievits
M.T. Adriaanse
Citeer dit artikel als: Ned Tijdschr Geneeskd. 2004;148:2617
Download PDF

Enkele weken geleden berichtten wij over de opmerkelijke uitspraak van prof.dr. Jeen Haalboom om evenveel mannen als vrouwen tot de geneeskundeopleiding toe te laten en niet 70 vrouwen en 30 mannen, zoals nu het geval is (2004:2411-2). Deze uitspraak deed Haalboom in zijn oratie ‘Verwondering en respect’ die hij 27 oktober 2004 uitsprak bij zijn benoeming tot hoogleraar Premedical Sciences aan het University College van de Universiteit van Utrecht.

Op deze uitspraak kwamen diverse reacties, waarover wij ook berichtten. Onbedoeld kan de indruk zijn gewekt dat Haalboom een vrouwonvriendelijk beleid voor ogen staat en het aantal vrouwelijke geneeskundestudenten wil afremmen. Dit is niet het geval. In zijn oratie maakt hij zich er zorgen over dat vijf jaar na het artsexamen slechts 60 van de vrouwen fulltime werkt. De rest werkt parttime of is afgehaakt. Bij mannen is het percentage 95. Als men uiteindelijk voldoende artsen in de curatieve gezondheidszorg wil overhouden, is volgens Haalboom enige sturing nodig. Steeds meer studenten toelaten en nieuwe faculteiten stichten ziet hij niet als een oplossing.

Wel ziet hij een oplossing in het verlagen van de toegangsdrempel voor mannen. Daardoor neemt de instroom van mannen toe en kan een betere man-vrouwverdeling bereikt worden. Omdat mannen vaak een zwaarder technisch eindexamenpakket hebben, zouden zij met een lager eindexamencijfer moeten kunnen volstaan. Daarnaast vindt Haalboom dat er niet te krampachtig aan het jaarsysteem moeten worden vastgehouden. Een studie die modulair wordt opgebouwd, past beter bij de individuele student doordat deze meer keuzemogelijkheden biedt. De hoogleraar pleit voor een verplichte arbeidsinspanning in de curatieve gezondheidszorg na afronding van de studie, bijvoorbeeld 3 jaar 100 of 6 jaar 50. Goede kinderopvang moet daarbij een vanzelfsprekende standaardvoorziening zijn.

De discussie of de geneeskundestudie van vrouwen wel voldoende ‘rendement’ oplevert, is niet nieuw. Al in 1957 besprak de bacteriologe Charlotte Ruys in het Tijdschrift (bl. 510) een Britse studie over dit onderwerp. Van de 386 vrouwen die aan een enquête hadden deelgenomen, was de helft specialist. Een kwart van de vrouwen met kinderen was tijdelijk gestopt met werken, terwijl 53 parttime werkte. Van de (gehuwde) vrouwen zonder kinderen werkte 20 parttime. Een deel van de vrouwen met kinderen was actief op zoek naar een baan. Slechts 14 van de 386 artsen (3,6) hadden het artsenberoep definitief vaarwel gezegd. De conclusie uit de studie was dan ook dat de meeste vrouwelijke artsen er voor kiezen hun beroep te blijven uitoefenen en dat maatschappelijke en persoonlijke omstandigheden bepalen of zij dit full- dan wel parttime doen.

Reacties