Observaties en overwegingen

Voorkeur voor hulp bij zelfdoding

Perspectief
Pieter Jan M. Stallen
Michiel Marlet
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2018;162:D3031
Abstract

Samenvatting

Wat verdient de voorkeur bij een patiënt die om euthanasie heeft verzocht: dat deze het euthanaticum zelf opdrinkt (hulp bij zelfdoding) of intraveneus krijgt toegediend (euthanasie)? Wij analyseerden gegevens van in totaal 226 patiënten aan wie hulp bij zelfdoding was verleend. Bij 86% van deze patiënten trad de dood binnen 30 minuten in. Het stervensproces na het zelf drinken van het euthanaticum is dus in hoge mate voorspelbaar. Dat betekent dat andere aspecten kunnen gaan meewegen bij de keuze tussen euthanasie of hulp bij zelfdoding, zoals de eigen verantwoordelijkheid van de patiënt en de impact van de methode op nabestaanden. Op grond van deze analyse en overwegingen gaat onze voorkeur uit naar hulp bij zelfdoding, uiteraard behoudens medische contra-indicaties. Wij verwachten dat met deze wetenschap meer artsen juist deze hulp zullen kunnen verlenen.

Het audiobestand van dit artikel is alleen toegankelijk voor abonnees. Log in om het artikel te beluisteren.
Abonneren
Auteursinformatie

Arnhem: prof.dr. P.J.M. Stallen, voormalig hoogleraar toegepaste psychologie; Warnsveld: drs. M. Marlet, voormalig SCEN-arts.

Contact P.J.M. Stallen (pj.stallen@upcmail.nl)

Belangenverstrengeling

Belangenconflict en financiële ondersteuning: geen gemeld.

Auteur Belangenverstrengeling
Pieter Jan M. Stallen ICMJE-formulier
Michiel Marlet ICMJE-formulier

Gerelateerde artikelen

Reacties

Hanneke
Smits-pelser

De auteurs geven aan dat de dood in grote mate voorspelbaar is, namelijk in 86% van de gevallen binnen 30 minuten. Ik lees daarentegen dat in 1 op de 7 gevallen van hulp bij zelfdoding de dood niet voorspelbaar is, en dat ingrijpen middels een injectie noodzakelijk is. De auteurs geven aan dat artsen die moeite hebben met euthanasie per injectie wel zouden kunnen ingaan op een verzoek tot hulp bij zelfdoding middels het innemen van een oraal euthanaticum, maar ze gaan niet in op het feit dat in die 1 op de 7 gevallen betreffende arts dan toch een injectie zou moeten geven, iets waar betreffende arts niet voor gekozen had/ aan mee wilde werken. Hoe zien de auteurs dit dilemma?

H Smits-Pelser, huisarts, intern consulent Palliatieve Zorg LRJG

pieter jan
Stallen

Als antwoord op door hsmits@lrjg.nl

Dank voor uw beide gedachten.
Een (eventueel, want er mág natuurlijk langer dan 30 minuten worden gewacht! ) middels injecteren ingrijpen indien de dood niet binnen 30 minuten is ingetreden, is niet strijdig met genoemde ‘voorspelbaarheid’:  de mogelijkheid van de eerste situatie was immers onderdeel van de laatste. Maar dit mag vooral een theoretische kwestie zijn. Van praktisch belang is zeker uw tweede opmerking: dilemma. Ons inziens bestaat dat dilemma niet. Want ook hier is een door de arts in principe, dus in de regel,  onwenselijk gevonden injecteren niet strijdig met een niet onmogelijke maar door de arts op goede gronden onwaarschijnlijk (nl 1 op 7) geachte omstandigheid dat injecteren tóch nodig zou blijken. Die laatste eventuele verrichting staat juist door de eerdere principiële keuze voor de verrichting ‘laten drinken’ voor ons in een heel ander licht dan dat van ‘in de regel injecteren’. Voor de meeste artsen die het moeilijk vinden een patiënt die niet terminaal ziek is te euthanaseren, zal een eventuele injectie na het coma door ‘zelf drinken’ van een andere orde dan een injectie op voorhand. 

P.J.M. Stallen / M. Marlet

Rob
Valderen - Antonissen

Dit artikel roept een grote herkenning bij me op. Het gevoel graag verantwoordelijkheid neer te leggen en handelingsbereidheid te vragen aan de patiënt, die een zeer ingrijpend en uitzonderlijk verzoek bij zijn/haar dokter neerlegt, is voor mij in de afgelopen jaren steeds meer gegroeid. Inderdaad is mijns inziens euthanasie een uitzonderlijk verzoek en geen vanzelfsprekend recht. Ik heb vooralsnog geen ervaring met hulp bij zelfdoding, deels vanwege (na het lezen van uw artikel wellicht onterechte) huiver voor bijwerkingen en lange duur tot coma en deels vanwege  contra-indicaties. Ik heb echter een goede ervaring opgedaan met het gebruik van een elastomeerpomp. Patiënte was in de onderhavige casus niet in staat tot het legen van een drinkglas, maar kon wel het tourniquet van de pomp openen. Zij deed dit zeer gedecideerd en zakte in een tijdsbestek van 5 minuten in een diepe coma waarna ze schijnbaar overleden was. Het toedienen van het spierrelaxans voelde dan ook meer als een formele handeling. De regie om het leven te beëindigen had tot het laatst bij de patiënte gelegen. Voor de familie was het eveneens een rustige ervaring, waarbij het hun had geschenen alsof ze in slaap was gevallen. Dit verschilde significant van eerdere reacties die ik had gekregen, waarbij familie in die gevallen had aangegeven dat het zo snel of plots was en zich zorgen had gemaakt dat patiënt toch had geleden omdat die had gegrimast bij het inspuiten van het barbituraat of de arm had geprobeerd terug te trekken. Mijns inziens is een elastomeerpomp of een infuus daarom een goed alternatief, wanneer zelf drinken geen optie is of als de dokter of patiënt iets meer zekerheid wil dat het coma binnen enkele minuten zal intreden.

Rob Valderen-Antonissen, huisarts

Jan
J. van der Meulen

Met genoegen heb ik bovenstaand artikel gelezen, bij 6 op de 7 mensen treedt de dood in binnen 30 minuten na het drinken van het drankje. De briefschrijver die dit uitlegt dat bij 1 op de 7 patiënten de zelfdoding niet lukt, zou ik willen verwijzen naar het jaarverslag van de regionale toetsingscommissie van 2016 (1). Daarin wordt vermeld dat bij 1 op de 11 patiënten de hulp bij zelfdoding wordt gevolgd door de intraveneuze levensbeëindiging.

Jammer genoeg geven de auteurs geen oplossing voor het probleem dat in het in 2003 geformuleerde standpunt van de KNMG wordt vermeld: “Als in het individuele geval een keuze tussen het verlenen van euthanasie of hulp bij zelfdoding feitelijk mogelijk is, te opteren voor hulp bij zelfdoding (2)”. De hulp bij zelfdoding zoals de auteurs die beschrijven, is volgens mijn ervaring slechts bij 1 op de 3 patiënten met een wens tot levensbeëindiging mogelijk (3). Ik ben dan ook zeer verheugd met de reactie van collega Rob Valderen – Antonissen die over zijn goede ervaring met de elastomeerpomp rapporteert.

Graag sluit ik mijn reactie af met de retorische vraag: "Wordt het geen tijd dat de richtlijn uit 2012, die in 2015 herzien had moeten worden, herschreven wordt (4)?"

J. van der Meulen, SCEN-arts

1. Regionale Toetsingscommissie Euthanasie. Jaarverslag 2016. Den Haag: RTE;2017

2. https://www.knmg.nl/web/file?uuid=24492b49-edf3-4002-8446-92bc27d5ccba&…

3. van der Meulen J. Aan zelfdoding denkt vrijwel niemand. Medisch Contact 2018;03:22-23.

4. KNMG/KNMP-richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding. Den Haag: KNMP; 2012.

Linda
Tulner

Na enige aarzeling stuur ik deze reactie, omdat ik de inhoud en de aandacht die dit artikel vraagt voor de rol van de patient zeer waardeer. Mijn kanttekening betreft de bijgevoegde patientinformatie. Mijns inszien moet eigenlijk altijd vermeden worden patienten toe te spreken met verkleinwoorden. Natuurlijk val ook ik wel eens in die valkuil. Om echter in een vaktijdschrift een dodelijk middel meerdere malen te betitelen als drankje bagatelliseert of normaliseert een terecht geladen situatie te sterk. 

Linda Tulner, klinisch geriater, MC Slotervaart