De prognose van depressie voorbij diagnostische grenzen

Volledig herstel van depressie is eerder uitzondering dan regel*

Onderzoek
Dubbelpublicatie
Josine E. Verhoeven
Judith Verduijn
Robert A. Schoevers
Albert M. van Hemert
Aartjan T.F. Beekman
Brenda W.J.H. Penninx
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2018;162:D2920
Abstract

Sinds de Duitse psychiater Emil Kraepelin in het begin van de vorige eeuw ‘depressie’ beschreef als een episodische stoornis,1 is dit de dominante opvatting. Observationeel onderzoek en interventiestudies met een relatief korte follow-upduur ondersteunen deze opvatting door te laten zien dat de meeste patiënten met een depressie opknappen en dat slechts een minderheid een chronisch beloop heeft.2,3

Samenvatting

Doel

Onderzoeken of het beloop van depressie verandert wanneer (a) de follow-upduur langer is, en (b) naast depressie successievelijk andere stemmingsstoornissen en angststoornissen, worden beschouwd als onderdeel van de uitkomstmaat.

Opzet

Longitudinale observationele cohortstudie.

Methode

Uit de ‘Nederlandse studie naar depressie en angst’ (NESDA) selecteerden we patiënten met een huidige depressie op de basismeting (n = 903) en met beschikbare gegevens van de 2-, 4- en/of 6-jaarsmeting. Aan de hand van de DSM-IV-diagnoses en gegevens uit het ‘Life chart interview’ deelden we de deelnemers in in één van de volgende vier beloopscategorieën: (1) hersteld (geen diagnose op de 2-jaarsmeting of daarna); (2) recidiverend zonder chronische episoden; (3) recidiverend met chronische episoden; of (4) consistent chronische depressie sinds de basismeting. We keken naar de verdeling van patiënten over de beloopscategorieën van een kortdurend, diagnostisch smal perspectief (over 2 jaar, alleen kijkend naar depressie) tot een langdurend, diagnostisch breed perspectief (over 6 jaar, kijkend naar depressie, dysthymie, hypomanie, manie en angst).

Resultaten

In het kortdurende, diagnostisch smalle perspectief was 58% van de deelnemers hersteld en voldeed 21% aan de criteria van een chronische episode. In het langdurende, diagnostisch brede perspectief daarentegen was maar 17% hersteld, terwijl 55% chronische episoden had.

Conclusie

Het volgen van patiënten met een depressie over een langere tijd en met een bredere uitkomstmaat (depressie en verwante psychische stoornissen in het stemmingsstoornisspectrum) laat zien dat het beloop van de depressie voor de meerderheid ongunstig en chronisch is. Het conceptualiseren van depressie als een afgebakende, episodische stoornis onderschat voor veel patiënten de ernst van het beloop en daarmee het type zorg dat geïndiceerd is.

Auteursinformatie

VUmc, afd. Psychiatrie/GGZ inGeest, Amsterdam: dr. J.E. Verhoeven, psycholoog in opleiding tot gz-psycholoog; dr. J. Verduijn, basisarts; prof.dr. A.T.F. Beekman, psychiater-epidemioloog; prof.dr. B.W.J.H. Penninx, epidemioloog. UMCG-Rijksuniversiteit Groningen, afd. Psychiatrie: prof.dr. R.A. Schoevers, psychiater-epidemioloog. LUMC, afd. Psychiatrie, Leiden: prof.dr. A.M. van Hemert, psychiater-epidemioloog.

Contact J.E. Verhoeven (j.verhoeven@ggzingeest.nl)

Belangenverstrengeling

Belangenconflict en financiële ondersteuning: er zijn mogelijke belangen gemeld bij dit artikel. ICMJE-formulieren met de belangenverklaring van de auteurs zijn online beschikbaar bij dit artikel.

Auteur Belangenverstrengeling
Josine E. Verhoeven ICMJE-formulier
Judith Verduijn ICMJE-formulier
Robert A. Schoevers ICMJE-formulier
Albert M. van Hemert ICMJE-formulier
Aartjan T.F. Beekman ICMJE-formulier
Brenda W.J.H. Penninx ICMJE-formulier

Gerelateerde artikelen

Reacties